vrijdag 18 december 2015

Priesteres in haar vak?


Ze is niet meer. Ik weet niet of in Nederland Mieke Telkamp nog altijd de meest klinkende zangeres is bij uitvaartplechtigheden, maar redelijkerwijs had zij dat mogen zijn. Haar oeuvre bood zogezegd voor elk wat wils. Over haar leven was, gelukkig maar, minder bekend. Wel verscheen er in 2008 een biografie, die ik destijds signaleerde in Streven. De tekst volgt hieronder, met de hoop dat er bij haar eigen uitvaart een paar nachtegalen en pindarotsjes de dienst overnemen. 

 

Wie haar ooit heeft horen zingen, weet wat de uitdrukking ‘naar de keel grijpen’ betekent. Misschien ontroert Aafje Heynis zo, omdat haar stem de illusie wekt dat er zoiets bestaat als zuiverheid. Dat vergroot slechts het raadsel dat ze eind 2008 nog bleek te leven, in een schemertoestand aangericht door de ziekte van Alzheimer, maar het zou ook een verklaring kunnen zijn voor haar imago van christelijk zangeres. In Aafje Heynis. Priesteres in haar vak wordt dit gerelativeerd: als alt heeft ze veel oratoria kunnen brengen, waardoor het steeds minder voor de hand lag haar te vragen voor opera – een genre dat Heynis, wier stem werd vergeleken met die van Kathleen Ferrier, graag had willen bestrijken.

Dat ze er zeker met haar status vervolgens niet zelf op aandrong, zal te maken hebben met haar legendarische bescheidenheid, op het schuwe af. Het boek biedt daar menig voorbeeld van. Überhaupt gaat het op de psychologische tour. In het Concertgebouw nog debuterend onder Eduard van Beinum zou de in 1924 te Krommenie geboren Heynis vanwege haar eenvoudige afkomst en minimale scholing contact met cultuurbobo’s zo mogelijk hebben gemeden, at tijdens tournees een broodje op het hotel, haar kapsel en kleding waren altijd tiptop: alles opdat ze maar niet afgewezen kon worden en elke beloning een heel piepklein beetje verdiend was.

Vanuit dat perspectief zou het succes van de heruitgaven op haar 75e verjaardag Heynis extra verlegen hebben gemaakt, een populariteit als de spreekwoordelijke molensteen om de hals dus, teleologisch onontkoombaar en door elk wapenfeit in het boek van aanvullend bewijs voorzien. Vriendin en collega Annette de la Bije verklaart bijvoorbeeld over hun tournee door Indonesië: ‘Toen waren we wel moe; het was allemaal heel leuk, maar een kopje koffie drinken in een cafeetje in Amsterdam is ook leuk’ (blz. 53). In genoemde plaats, om precies te zijn in het Vondelpark, ontmoette Heynis op rijpere leeftijd bij het uitlaten van haar hond Grimbald een advocaat, die simpelweg de man van haar leven werd.

Je zou denken dat een en ander uitstekend past bij het hoge doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg gehalte van Aafje Heynis. Priesteres in haar vak, maar dat valt slechts staande te houden voor wie dit als een vloeiende tekst opvat. Het door Mieke Klunder en Harry Hofstra liefdevol bezorgde relaas is echter een lappendeken. Na een korte aanbeveling van Bernard Haitink volgt een portret door Hofstra, die tevens een goede vriend is, en een aardige musicologische analyse. Dan komt de bulk: herinneringen aan Heynis van collega’s en jeugdkennissen. Meer of minder expliciet, door het gebruik van de aanspreekvorm, leveren zij eigenlijk brieven, alsof ze hun Orpheus langs deze weg uit het schimmenrijk terug willen halen. Het mooiste bewaart het boek voor het laatst, te weten enige interviews met het lijdend voorwerp zelf.

In welke mate van nuchterheid je het fenomeen Heynis ook duidt, het lijkt paradoxaal tot in de vezels. Het betreft voor alles een diva die geen diva wilde zijn maar alleen in een BMW wilde rijden. Van jongs af zong ze, iets dat volgens haar een kwestie was van ‘gewoon je mond opendoen’, of desnoods van een gave Gods. Die mag haar dan wel onzuinig bedanken voor alle hand- en spandiensten, want Heynis was, zeker nadat haar man ziek werd en ze van de ene op de andere dag stopte met optreden, ook zangleraar, eerst aan het Arnhems conservatorium en later thuis, waar ze grandioos op alle slakken zout legde. De gave bleek dus techniek te vergen, die de docent vertaalde in schier eindeloze oefeningen, op maat van elke zanger in spe.

Veel van de vermelde herinneringen zijn dan ook afkomstig van, inmiddels bekende, leerlingen, die uitpuilen van ontzag, dankbaarheid en pure genegenheid. De topstrenge en afstandelijke docent bleek natuurlijk eveneens attent, klopte voorbeeldig melk op tot schuim voor in de koffie en liet, zoetekauw als ze was, delen in haar verslaving aan lekkernijen. Je kunt dus met recht zeggen dat niets menselijks haar vreemd was, hetgeen wellicht een nuttige wetenschap is voor wie zou afgaan op de kwalificatie in de ondertitel van Aafje Heynis. Priesteres in haar vak. Deze is behalve dweperig tevens aandoenlijk, iets wat geldt voor het boek als geheel.

Heynis heeft tijdens de bevrijding bij een inderhaast op straat aangesleepte piano ‘Dank sei Dir, Herr’ gezongen. Dat die actie hier ‘spontaan’ (blz. 17) heet, karakteriseert deze aandachtsonderneming, die een opmaat voor een biografie kan zijn. Ze heeft aan de ene kant iets overdiscreets en blijft aan de andere kant persoonlijke details en anekdotes opdiepen. De geur van kneuterigheid die daaruit onmiskenbaar opstijgt, krijgt zware concurrentie van het schier niet te negeren parfum van een dame die in werk en leven even toegewijd als perfectionistisch lijkt, en bovenal geestig en slim. En ruimdenkend in haar muzikale keuzes, waar volksliederen vanzelfsprekend bij hoorden. De bijgevoegde cd met niet eerder uitgebrachte radio-opnames – van ‘Uber allen Gipflen is Ruh’ tot ‘Ik zag Cecilia komen’ – doet snakken naar meer. Dat gaat niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen