dinsdag 1 september 2015

In weelde van cola

Hoewel getraind in weerstand bieden met alle hersenspieren, klikte een complete huishouding van mijn reflexen onmiddellijk op de kop ‘UvA verbiedt gedicht studentenraad op opening academisch-jaar’. Natuurlijk, er wordt veel verboden, ongetwijfeld ook op universiteiten, maar een gedicht? Anno 2015?
Het schijnt dat het woord ‘hoer’ niet door de beugel had gekund. Op basis van de YouTube-beluistering van de met percussie gelardeerde tekst, aangeprezen als ‘Gedicht verboden door de UvA’, leek me vooral de spanningsboog wat slap te staan. Het begin ent zich dan wel expliciet op Howl van Allen Ginsberg, we zijn inmiddels zestig jaar verder. Hedendaagse oren en ogen hebben naar verluidt minder uithoudingsvermogen, en zijgen mogelijk ineen wanneer een ‘trap met voeten wordt getreden’. Rijm hoorde ik dan weer niet.
Huidige studenten kun je lastig nog verwend noemen. In het gedicht wordt rekening gehouden met volgende generaties en, daarom ietwat hovaardig, met een Amsterdamse lente. Het signaleert echter ook dat acties ingekapseld worden door een beroepssector. ‘Dat hadden we kunnen leren van onze vaders’. Zou het geholpen hebben wanneer de dichter had gezongen?
Wel moest ik, tegenover mijn ‘hermetische’ praktijk van weleer, toegeven dat onmiddellijk duidelijk was waar het gedicht over ging. Voor dezelfde prijs bood het gevolg en resumé van de Maagdenhuisbezetting begin dit jaar. Ik besefte ook dat de kennis die daar, op de kritische Nieuwe Universiteit, was opgedaan toch weer voortkwam uit een zittende houding. Dat maakt die kennis tegelijk wat ruimteloos.
Zitten op iets wat beweegt behoort momenteel tot de meest uitgeoefende houdingen op dit deel van de wereld. In een bark op weg naar waar het beter zou zijn, in elk geval onmogelijk slechter dan in het vertrekpunt, en waar misschien wel vrijheid heerst. Ik vraag me af hoe de omgeving bij al dat wachten wordt ervaren, ook door degenen die te voet verder gaan en op een trein raken, met een zitplaats als luxe.
Kan vrijheid worden gepersonifieerd? De gedroomde landen van aankomst heetten ooit Utopia, Atlantis en dies meer. Maar nu?

Hoewel geen expert maar gewoon fietsverslaafd leer ik volgens mij onderweg, in (een idee van) voordurende beweging. Beschaafd zoevend langs stippellijnen tracht ik het mij omringende op te nemen, ofwel lopende kwesties (‘P ligt in K3’) tot een oplossing te denken.
Om daar vervolgens ook nog over te dichten, in dat stadium ben ik tijdens mijn actieve carrière nooit gekomen. Wegens stielbederf? Er waren al collega’s die dat deden. Zoals Ad Zuiderent. Door zijn bundel We konden alle kanten op snapte ik ineens weer dat poëzie wel het tegendeel van vaag is omdat ze niet alleen een ruimte schept, maar ook locaties fixeert.
Twee gedichten in Zuiderents bundel spelen op fietsafstand van mijn verblijfplaats. In ‘Et in Condaco ego’, ter plekke commercieel ‘Et in Condaco go’ genoemd, verwondert hij zich over plaatsnamen in de buurt, zoals Reet. Ik vermeldde ze hier ook al eens, net als Het zusje van de bruid van Joris van Casteren dat heeft gedaan – wat is dat toch met Hollanders?
Met Reet heb ik al een verhouding. Op een tourneetje met drie weer andere dichters, die naar goed cliché niet konden autorijden, wilde de bestuurder een foto van het gezelschap maken bij het plaatsnaambord. Ik weet nog dat ik letterlijk terugdeinsde voor dat plan, fobisch voor foto’s en literatuurgeschiedenis.
Zuiderent was bij wijze van uitzondering wellicht ook per auto gekomen, als hij in ‘Bestemming bereikt’ een jeugdherinnering ophaalt over ‘de smaak/ van cola, je eerste, wat was het, / je was tien, logé bij een Vlaamse // familie (…) maar baadde vooral bij / het strandbad Hofstade in weelde / van cola’.
Het heeft iets tragikomisch, de meest geglobaliseerde drank op een provinciaal domein. Het schijnt in goed Frans de plage des pauvres te zijn geweest, maar de dichter in spe kan dat wegens die spectaculaire cola (die volgens de mythe roest van velgen verwijdert) minder zijn opgevallen. Rondom het strandbad als geheel kun je anders erg fijn fietsen, op een vercultuurd pad dat zijn best doet om er als natuur uit te zien.
Lijkt dat Belgische landschap op het Hollandse waar, om met Willem van Toorn te spreken, het platteland wordt gezien als een volkstuin van de stad?
Beetje snobistische retorische vraag uiteraard, maar ze is mede geïnspireerd door de geweldige film Wadjda van Haifaa Al Mansour. Daarin tracht een meisje in Saoudi-Arabië een fiets te krijgen. Geen sinecure voor haar geslacht dat de beperking krijgt opgelegd van de mannelijke blik.
In een scène staan er een paar heren op het dak van een hoog gebouw, een stuk verwijderd van de school – maar genoeg reden voor de directrice om al haar leerlingen van het plein naar binnen te jagen. Wadjda staat zelf geregeld ook op het dak, maar dan van haar eigen huis. Ze oefent er zelfs op de fiets van een vriendje dat haar bewierookt en haar tegen de buitenwereld wil beschermen met de stelling dat hij haar broertje is.
Eigenlijk voorspelt de beginshot van haar basketbalschoenen onder een zwarte jurk al dat het meisje zal winnen. ‘Als je echt iets wilt, kan niemand je stoppen,’ zegt haar moeder bijna ten overvloede, neoliberaal.
Maar waar kan het meisje rondfietsen? De film is opgenomen in Riyad en er valt uitsluitend stedelijk landschap te zien. Muren en opwolkend stof, dat zand zal zijn. Tussen zogeheten krijtlijnen?
Ik denk ondertussen dat ik maar ga zingen in een meidengroep. Dat is iets wat ik al tijden roep. Wat is er mooier dan zo’n vrij beroep?

Naschrift
Het gedicht is inmiddels ook in tekstvorm te raadplegen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen