dinsdag 2 juni 2015

Haardvriendin

Getuige geweest van een mooie uitvaartdienst, de eerste in een rouwcentrum dat de heiden die ik ben niet deed verlangen naar een kerk. Veel licht en ramen, waardoorheen velden met mogelijk het bordje Scharrel eieren en, iets verder op de achtergrond, het geluidloze schokken van treinen.
Dat uitzicht vond ik troostend. Het was nodig, hoe licht de toespraken ook waren. Heen was gegaan de burgemeester van onze straat. Helaas is het altijd achteraf dat je je, al was het met het oog op de toekomst, afvraagt of er nog veel van zulke mensen bestaan. Iemand die iedereen in elk huis kent en aanspreekt met verhalen zonder begin, die gemeentewerkers feilloos kan wijzen welke leidingen waar onder het trottoir lopen en die de parkeerpolitie immer kan laten aanbellen bij het huis waarvan de bewoner zijn auto al te onmogelijk heeft geparkeerd.
De meisjes waren eveneens onder de indruk. In eerste instantie natuurlijk van al het snoep dat ze gaan missen en de vaste flauwe grap op weg naar school die door herhaling steeds leuker wordt. Ik vermoed ook dat ze even beseften wat vertrouwdheid kan zijn of nabijheid buiten de muren van het ouderlijk huis.
Is het typisch dat ze rangordes maken van vriendinnen, of doen jongens dat ook? Doordesemd met ironie ken ik de term ‘beste vriend’ eigenlijk niet in de 100%-waarde van mannen. In België spreekt men van ‘mijne maat’, maar ik heb nooit begrepen hoe dik het dan aan is. En weliswaar bestaat de zogeheten boezemvriend, maar die is sinds André van Duin en Vanessa van betekenis veranderd en van gedaante.
Meisjes durven misschien gewoon. In If I was your girlfriend stelt Prince zich voor hoe het is om een meisje te zijn. Hij zingt à la falsetto een potentiële geliefde toe met zijn woeligebarenfantasie, waarvoor hij de touwladder al heeft uitgerold: ‘If I was your best friend…’
Dit heeft geloof ik ook te maken met alles van elkaar weten. Want dat zit besloten in een burgemeester van een straat. Het taalkundig genie zegt dat ze haar geheimen niet meer aan mij verklapt, spreekt de laatste tijd wel van haar ‘beste vriendin’ in termen van ‘hartsvriendin’ en vraagt zich ineens af wie van hen na mij het eerst zal overlijden. De gourmande hoort het aan en zegt, op zijn Frank Boeijens, haardvriendin.
Waarschijnlijk voelt het, ‘voor buitenstaanders’, aan als claustrofobisch of zoiets als benepen. Iets gepredestineerds? Vermoedelijk heb ik het zelf ooit ‘burgerlijk’ genoemd. Dat was tot het moment dat ik op een ochtend in mijn appartement in het centrum van Antwerpen, toen fijnstof nog als fijn stof gespeld werd, de bejaarde buurvrouw zag worden weggevoerd. Dood. Haar had ik hooguit driemaal gegroet. Ze had één zoon, en zelfs dat weet ik niet zeker.
Om zulke belachelijke drama’s te voorkomen mag het fenomeen cohousing extra serieus worden genomen, zeg ik inmiddels, als ouder wiens bestaan volledig veranderd is, ook sociaal. (In de buitenlucht fungeren kinderen als honden: ze ontlokken bij passanten gesprekken met hun zogenaamde baasjes.)
Nog even over dat gepredestineerde. Een paar jaar geleden liet Beatrice de Graaf in Zomergasten een fragment zien waarin de beroemde verklaring voor het hoge Puttense dodental in de concentratiekampen aan de orde kwam: een te hoog werkethos, ten koste van de lichamelijke recuperatie.
De Graaf betoonde zich nog steeds boos. Cijfermatig zou dit helemaal niet hebben geklopt en in Putten waren er vele verzetslieden. De verklaring noemde De Graaf een proeve van ‘randstedelijke arrogantie’ (in de vertoonde beelden zat de hypothese dat eenzelfde aantal Amsterdammers in de concentratiekampen minder slachtoffers zou hebben opgeleverd) over ‘domme boertjes’.
Onderhuids speelde volgens haar bovendien een geloofskwestie, die een dichotomie wist te scheppen tussen makke lammetjes en weerbare mensen – de betreffende critici waren niet of nauwelijks protestant. De Graaf noemde hun verklaringen een gevalletje van blaming the victim.
Op een rare manier kreeg deze tweevoudig gepareerde kwestie een metaniveau, toen de presentator bij De Graaf bleef hengelen naar haar geloof. Uiteindelijk beet ze hem toe dat hij evengoed een frame had door zijn afkomst uit Rotterdam, de Randstad dus.
Het had iets onweerstaanbaar grappigs. De briljante jeugdige wetenschapster uit de ommelanden met al haar wereldse kennis die de gelouterde low culture-ambassadeur uit de grote stad terechtwees over zijn ‘dorpse insteek’. Tegelijk was het ongemakkelijk (voor mij als provinciaal) uit een zo geleerde mond, op gegarandeerd docerende wijze, clichés over de Randstad te horen verlaten, met een weerlegging van een stereotype dat zelf ook niet echt vrij was van stereotypering.
Het kan natuurlijk altijd gekruider. Wim Daniëls uit Aarle-Rixtel onthulde dat er in 1960 een boek is verschenen onder de titel De allochtonen in Brabant. De titelhelden bleken geboren te zijn in andere Nederlandse provincies.
Overigens had de burgemeester van onze straat een meer intercontinentale uitstraling. Ik heb de voorbije jaren geregeld aan hem moeten denken: wanneer er weer eens nieuws kwam over scheurtjes in Doel nummer zoveel. Hij heeft die centrale mede helpen bouwen en liet niet na de buurt erover te vertellen. Dat hij, nadat hij op zijn ladder had geluncht uit ‘de vloeibare brooddoos’, van veertig meter hoogte zijn beitel in de reactor had laten kletteren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen