zondag 17 mei 2015

Eenzijdig nuttig

Voordat het woord ‘gun-kloof’ in mijn leven kwam, had ik kennisgemaakt met ‘botanisch racisme’. De term stond in een samenvatting van een lezing die Jos de Mul had gegeven bij Natuurmonumenten. Hij citeerde er op zijn beurt mee uit Plantaardig. Vegetatieve filosofie van Wouter Oudemans. Deze filosoof schreef dit boek trouwens, volgens de razende postbode die internet heet, samen met zijn student-assistent Norbert Peeters.
Met ‘botanisch racisme’ wordt bedoeld dat exotische natuur in Nederland moet wijken voor inheems bos. Eigen vegetatie eerst! Het klonk bizar. En ook een beetje lachwekkend, toen De Mul die trend veroordeelde omdat ze geen recht zou doen aan ‘het nomadische karakter van planten’. Maar da’s natuurlijk mijn autobiografisch persoonlijke privé-lach, die iets te veel (over) toepassingen heeft gelezen van het nomadisme, van kunst tot levenspolitiek.
De Mul neemt een pragmatisch standpunt over natuur in. Alles verandert constant, er lijkt geen begin, enz. Streven naar behoud is volgens hem dus ondoenbaar. Onder referte naar stadsecoloog Jelle Reumer had hij erbij kunnen vermelden dat in metropolen de natuur evengoed haar eigen gang gaat.
Dat maakt de kwalificatie ‘racisme’ wel niet helemaal volgbaar. Tegen de realiteit van een reeds over generaties heterogeen geraakte samenleving wordt daarmee allerlei sluipend gif ingespoten, waar het ene individu beter tegen bestand is dan het andere. Maar tegen de realiteit van flora blijkt hier een beleid gaande van uitroeien met wortel en tak. Zou de term ‘botanische genocide’ dan gepaster zijn?
Ik voel me hopeloos blank, middleclass en hoogopgeleid.
Met dank aan de biotechnologie meent De Mul dat je beter nieuwe natuur kunt scheppen om huidige problemen het hoofd te bieden. Een bionet of things. Hij gaf er geestige voorbeelden van die, ondanks de verzekering dat er geen sciencefiction in het geding is, iets provocerends hadden. Wat heb je immers aan innovaties, hoe bevorderlijk voor de biodiversiteit ook, indien businessmodellen en vernietiging essentieel voor hun wezen zijn?
Die vraag herinnert me aan vaststellingen die achteraf over Provo van Roel van Duijn gedaan zijn. Dat het veeleer een binnen- dan een buitenpartij was die de stadsvlucht wilde keren, en over ruimtelijke ordening standpunten ventileerde ‘tegen de voortdurende verloedering’ die, zoals Virginie Mamadouh in haar studie De stad in eigen hand liet zien, letterlijk conservatief waren: behoud en reparatie van krotten boven sloop en nieuwbouw.
Als voorafspiegeling van de tegenwoordig vaak gesignaleerde omkering van links en rechts, volgens welke de verdediging van culturele instituties altijd van ‘rechts’ is gekomen terwijl het nu het culturele leven verafschuwt en voorstander is van fundamentele veranderingen, en volgens welke het oude politieke ‘links’ dat doende was universele waarden als rede en vooruitgang af te breken, daarvan nu de verdediging ter hand neemt?
Provo speelde te Amsterdam in de protestjaren, de navel van de wereld. Een voorbeeld van de houding tegenover stadsvernieuwing bood de Nieuwmarktbuurt, waar een metro onder werd gepland. Tegenstanders vonden ideeën over solidariteit binnen de wijk hooguit vaag en romantisch, maar meestal gewoon kneuterig. En oorspronkelijke bewoners, waartoe evengoed bejaarden en grote buitenlandse gezinnen behoorden, voelden zich niet altijd even verbonden met revolutionairen die geen gordijnen hadden en de trap niet schoonmaakten.
De finale veldslagen rond de Nieuwmarkt, ‘tegen in onze ogen fascistische maatregelen’ van de sloop, kregen wel steun van Johnny Kraaijkamp, Willy en Willeke Alberti, Koot en Bie, Adèle Bloemendaal, Piet Römer, Berend Boudewijn, Sonja Barend, Rijk de Gooijer en Peter Schat.
Pas als kabouter lijkt Van Duijn de natuur werkelijk te hebben ontdekt. Hij streefde naar harmonie ermee en wilde, alsnog binnen stedelijke muren, meer groen en hij stimuleerde biowinkels. Toch zijn het veelal hoogopgeleiden die nu in volksbuurten wonen. Niet zozeer door verdrijving – de stadsvlucht is bepalender geweest voor het lot van de eerste bewoners – maar ze hebben wel voor een lage prijs een verdieping of huis kunnen kopen en weten zich verzekerd van een appeltje voor de dorst.
Dat allemaal terzijde. Het ging over ‘botanisch racisme’. Wat me verbaast, is het gemak waarmee ik teksten aanvaard die praktijken onmiddellijk politiseren. Hoe dat?


Ooit leek het me van een geweldige moed en dito zelfvertrouwen getuigen om iets ‘racistisch’ of ‘fascistisch’ te noemen, maar simultaan met de Zeggen-waar-het-op-staat-cultuur van internet lijkt er een routinemodel van politieke kritiek ontstaan dat iets luxueus heeft.
Ik besefte dat eens te meer door twee essays afgelopen week. Het ene was van Henri Beunders over ‘politiek correct’. Dat begrip is vaak gepasticheerd maar bleef voor mij wat ondoordringbaar. Omdat Beunders de terugkeer van politieke correctheid aankondigt, schijnt de werkelijkheid deze: er bestaan opnieuw taboes en de smetvrees keerde weder om maar één verkeerd woord te zeggen. Toch dunkt me incorrect zijn door doelbewust te kwetsen geen verdienste. Beunders vervalt bij het schilderen van de voorgeschiedenis, die hij in mei ’68 laat beginnen, in karikaturen. Zijn detail dat op de Universiteit van Colombia het persoonlijk voornaamwoord ‘hir’ circuleert, als samenvoeging van ‘him’ en ‘her’, zal hij vernielzuchtig oplepelen, maar voor mijn beroepsgedeformeerdheid is het een charmante opluchting. Onverlet blijft de schrilheid dat, ‘onder het mom van tolerantie en empathie met minderheden, een vorm van intolerantie’ de dienst uitmaakt. Dat in de spiegel uitgerekend het mombakkes van een dorpspastoor opdoemt, mag een tragedie heten.
Het andere essay stond in nY en ging over Barthes’ Plezier van de Tekst. Die auteur nodigde inderdaad uit tot praatjes over doxa en zo, maar uitte in dit programmatisch stuk ook andere wensen. Zou het een generatiekwestie zijn daar overtuigd naast te kijken? Christophe Van Gerrewey heeft het dan over kunst, maar het onderwerp kan moeiteloos worden uitgebreid naar, inderdaad, natuur of stedenbouw: ‘In een kapitalistische wereld in crisis wordt geen enkele activiteit getolereerd die niet eenzijdig nuttig is en die niet bijdraagt tot vooruitgang en economische welvaart. In de vaak onbewuste en goedbedoelde verwachting dat kunst dit alles bekritiseert, wordt de kunst zelf geïnstrumentaliseerd, of wordt de esthetische ervaring ingezet om overbekende, gemediatiseerde en daarom enkel zogenaamd kritische thema’s opnieuw op een voetstuk te zetten.’
Dan nu een oorverdovende conclusie.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen