woensdag 29 april 2015

Iedereen weet dat ik de revolutie wil

Nu de eerste rook is opgetrokken na de bezetting van het Maagdenhuis (historische fase twee, uiteraard), vraag ik me af hoe het komt hoe dat zoiets niet in België gebeurt. In Nederland is het Amsterdamse initiatief, inclusief Nieuwe Universiteit, slechts een startschot geweest. Aan wat studenten daar waren begonnen haakten docenten hun karretje en vervolgens denderde het door andere universiteitssteden. Het protest heeft zich als het ware gedecentraliseerd. Zelfs de minister van Onderwijs heeft dat erkend. Wat wil je ook, wanneer ‘efficiency’ de enige motor van wetenschappelijke vooruitgang moet zijn.
Waarom blijft het in België dan zo stil? De Vlaamse scholierenkoepel, luidt een vers bericht, kreeg een recordaantal vragen over rechten, wegens de sensatie bij jongeren dat ze nog immer niets te zeggen hebben. En dat zou wegebben bij de aanvang van de volwassenheid?
Deze uiteenlopende assertiviteit zou toch niet het stereotype van karakterverschil tussen Nederland en België bevestigen? Ik was juist zo verheugd over een andere tijding. Steeds wanneer ik het internet bijna uit heb, begin ik namelijk graag, bij wijze van gezond chips eten, aan nieuws dat nogal calorierijk is: van het psychologisch doorzicht.
Een eerbiedwaardige Amerikaanse site meldde dat wetenschappelijk onderzoek enige feilen had geconstateerd aan emotionele intelligentie. Er was een morbide, narcistisch trekje bij losgekomen. Machiavellistisch zelfs. Niet zozeer toebehorend aan empathische mensen, als wel aan manipulators.
Een fijne boodschap, vond ik. Het mag zijn dat een hoog IQ niet onophoudelijk de meest prettige, veeleer evengoed narcistische omgeving heeft geschapen. Dat was in de tijd dat socialisme niet gezellig hoefde te zijn. Toen raakten kennis en specifieke vertolking ervan betwist, en kwam er nadruk op emotionele intelligentie. Tot op heden? Het nieuwe paradigma sloeg wat mij betreft door. Het produceerde net iets te veel personages die bij vacatures vlekkeloos voor de dag kwamen bij het onderdeel ‘echte teamplayer’, zonder schaamte voor ‘creatief’, ‘proactief’ en ‘dynamisch’.


Bizar dat ik dit sinds kort, tegen mijn zin, met de historische studentenopstand associeer. In de eerste fase – opa schrijft het jaar 1969 – centraliseerde het protest nog. De eerste bezem door de instituties ging immers in Tilburg , in wat toen even, maar in de geschiedschrijving voor eeuwig, de Karl Marx Universiteit heette.
Onlangs kwam me daarover een reportage onder ogen, door de legendarische journalist Joop van Tijn. Hij was uit de Grachtengordel als 31-jarige voor Vrij Nederland naar de provincie getogen. Met die zin verraad ik meteen mijn gevoel, maar ik kom zo’n beetje uit de streek van Tilburg. Van Tijn schreef in die tijd bijvoorbeeld ook over het Vlaamse wielerleven, wat, toegegeven, knappe details opleverde: een wedstrijd om de beste supporter van Rik van Looy werd gewonnen door degene die al het badwater van de coureur na criteriums had verzameld in plastic limonadeflessen.
Op de bezette universiteit gaat Van Tijn zijn partij van acquit met een ouderpaar dat voor hun revolutiezoon ‘schoon goed’ meegebracht heeft. Dat zet de toon over hoe de journalist de eis van medezeggenschap in zijn eigen markt zet.
Onvermijdelijk passeert het epitheton van het paternalisme: ‘We hebben nu eens niet laten zien hoe goed we als linkse mensen alles weten, maar de mensen zelf laten ontdekken hoe autoriteiten denken en reageren.’ En voor je het goed in de smiezen hebt, heeft Van Tijn de lezer geleid naar een halszaak: ‘de verdere tactiek’. Die term is volgens mij net wat banaler dan ‘strategie’, temeer daar Van Tijn er meteen ‘de contestatie en de confrontatie’ bij zet. Daarmee laat hij zijn reportage ontsporen.
Want er ontstaat natuurlijk ‘discussie’ tussen de actievoerders, met een vileine erlebte rede: ‘moet je de massa manipuleren of niet? Of liever gezegd: ga je dat niet automatisch doen, omdat je niet mag verwachten dat iedereen precies weet waar het over gaat.’
Niet voor niets zet Van Tijn hier een punt in plaats van een vraagteken. Hij is degene die manipuleert. Dus eindigt zijn stuk, over efficiency gesproken, met frasen van derden:

‘Frijns: “Ik snap niet dat linkse mensen altijd weer van zichzelf denken dat ze niet democratisch zijn”.
“Nou Jean”, zegt iemand, “jij bent ook wel eens van het podium afgeroepen. Toen je daar met die toeter stond.”
Jean grijnst: “Ja, ik kan slecht manipuleren. Iedereen weet dat ik de revolutie wil. Dat weten ze als ze me drie minuten horen spreken. Dan kan je toch niet zeggen, dat ik manipuleer? Als ik zég dat ik die revolutie wil”?’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen