zaterdag 14 december 2013

Hans Groenewegen (6)


In een artikel uit 2005 over flamboyante oordelen vanuit het internet refereerde Groenewegen aan een andere bashing van Hüsgen, gevolgd door een buis op de site Poëzierapport, toen online. Nadien zou in boekenbijlagen en verkooppunten het sterrensysteem gevestigd raken. Zulke overzichtelijkheid was Groenewegen vreemd, zoals de flap van Schuimen langs de vloedlijn, zijn eerste bundel eigen essays, grimmig voorspelde: ‘Van hem geen gemakzuchtige generalisaties of nietszeggende rapportcijfers’.
Toevallig heeft de in Hüsgens verband genoemde Sonnenschein over Groenewegens essays geschreven. Het verschil met reguliere bevindingen was aanzienlijk. Recensielezers ontmoetten geen geprogrammeerd mens die gegarandeerd passierecht deed geschieden. In de investeringsredenering volstaat het niet om, zoals Groenewegen bepleitte en Sonnenschein in de praktijk bracht, zich breed te informeren. Het persoonlijke surplus, dat blijkt de trigger.
Is dit al eng, een kritisch huldeblijk (Erik Lindner) aan Groenewegen, in een PIW-rubriek die ook toegeschoven zal zijn door het Productiefonds, liet ‘Hans’ acteren in een dichterswereld, bijgesneden op contacten, en schreef hem karaktereigenschappen toe: hij had naast ernst en beschaving mogelijk gevoel voor humor. Het betoog liep, net als in deze reeks, via een allegaartje van beschouwende teksten. Daar werden literaire posities herordend en sneefde de wereld: ‘Of Nederland eerder aan de noordkant van de grens tussen de Verenigde Staten en Canada dan aan de zuidkant ligt, wil ik in het midden laten.’
Met de publicatie van zo’n tekst laden de opdrachtgevers de verdenking op zich dat ze hun brandstof halen bij een buitenmaatschappelijk netwerk. Daarmee bevestigen ze vooroordelen bij het cultechtpaar Henk en Ingrid die hen bekostigen. ‘Inteeltpapegaaien, alleen met elkaar bezig’. Hoe had het duo geoordeeld over Groenewegen, wiens visitekaartje in lichaamswater luidde: ‘nomade, tuinman, boekanier’? Behalve een woordspeling herbergt de laatstgenoemde functie opstandigheid, tegen de bestaande verdeling van bezit – om daar persoonlijk beter van te worden.
Zijn leven stelde Groenewegen dan wel in dienst van poëzie, in de omgang had hij voor anderen belangstelling die, zeldzaam, buitenbiotopisch was. Pure noodzaak? In zijn grootste krachtproef, een essay over Ouwens die Faverey zou hebben herschreven, delen dichters ‘het gevoel van zelfironisering dat hoort bij het besef van het tragisch karakter van hun grootse onderneming’.
Groenewegens eigen poëzie kon somber en galmend zijn én vrolijk en licht. Misschien is dat mede de invloed van multi-instrumentalist en zanger Hans-Eckardt Wenzel, die in zuurstofschuld samen met een evangelist en een sprookjesfiguur wordt bedankt voor op verzoek van Christen Democratische Verkenningen geschreven regels als:

overgrootvader, waarom hebben wij nederlanders zulke grote ogen
omdat je bang bent, meisje, bang te verliezen wat je niet kunt behouden

overgrootvader, waarom hebben we zulke lange neuzen
oh jongedame, omdat we niet verder kunnen kijken dan onze neus lang is


De Henk-en-Ingrid-sjabloon past Groenewegen evenmin omdat hij zich als eenling allerminst het centrum van de wereld waande. Na twee decennia denken over poëzie werd hij als autonoom essayist op 46-jarige leeftijd waarlijk opgemerkt met Schuimen langs de vloedlijn. Die titel belooft dat hij jut wat anderen hebben achtergelaten, veelal poëzie die ‘autonomistisch’ heette en waarvan de sleutel op de wereld zou ontbreken. Er glinstert een strofe doorheen uit Grondzee waarmee hij twee jaar eerder voor oog van de buitenwereld was gedebuteerd:

blijf ik hier staan, blijft het licht
tegen mij op stromen, zodat, zoals de bomen
uit schemeringen, ik uit mijn schaduw
word opgericht, het binnenste lichaam verstuift
gedurig, kan het zijn dat ik daar ooit was,
want, woelde ik ze in dit zand op,
ik zou kokkels aan hun windingen kennen
uit slakkenhuizen en hem zag ik, hij
schooit door de schuimrand van de vloedlijn
aflandige wind, geen overkant
engeland zal gewoon gezonken zijn.


Boekanier en jutter zijn complementair. Tevoren weten ze niet wat ze binnenhalen, wel wat gerechtigd is.
De titel van een andere zelfstandige essaybundel, Overvloed, lijkt eveneens door een eigen strofe aangekondigd, in en gingen uit sterven:

waar moet je hier waar wij langs gaan ademhalen, in deze overvloed
zonlicht, bosrand, zuurstof, dauwlicht, uitzicht, vogelzang, doodsbericht, ademhalen


Deze nevenschikking maakt werkelijkheid in dezelfde werkelijkheid door zo genuanceerd mogelijk te kiezen. Loslaten en vasthouden in dezelfde beweging. Hier staat gerechtigheid onder de zwaarste druk. Dat verklaart waarom Groenewegens argumenten soms tergend redelijk overkwamen en waarom, omgekeerd, zijn ergernissen teksten van grootste gemene delers betroffen. In één auteur zag hij al een knooppunt van talloze opvattingen. Hij ontgordde clubjes op interne tegenstrijdigheden. Was dit een vorm van self defense? Met zijn achtergrond kon hij snel worden beticht van dogmatisme (zodat de ‘hij’ in de Grondzee-strofe één betekenis zou opzuigen).
Groenewegens artikelen waren het tegendeel van elitair. Hij toonde hoe geven en terugnemen in een interpretatie uitpakt. Voor lezers kan dat sensationeel of saai zijn, maar voor het object resulteerde dit, in de woorden van Sonnenschein, in een ‘reconstructie van de ontwikkeling van het oeuvre dat op zijn werktafel ligt’. Dat dunkt me exacter uitgedrukt dan de subjectidee van ‘een soort wetenschapper met veel empathie voor wat er op tafel ligt’ (Paul Demets). Juist eigen bedenkingen wilde Groenewegen overwinnen, in een inclusieve aanpak.
Laat ontdekte hij dat de notitieachtige, uiterlijk onaffe vorm van blijven & verreizen evengoed alles mogelijk maakte, zelfs in het draaien aan de exhibitionismepercentageknop – loslaten! Bizar is dat Groenewegen die bundel in zekere zin heeft vastgehouden en voltooid door om reacties te vragen van dichters. En omdat hij over de meerderheid van hen had geschreven, kon dat verzoek gelden als een return on investment. Zoals hij eens, memoreerde Dick Boer, Heiner Müller bezocht om te vernemen of hij hem in zijn scriptie over Mauser goed had begrepen.
Minstens zo bizar is de werkelijkheidswaarde van Henk & Ingrids netwerkidee. Iedereen dicht immers tegenwoordig en reacties op het tragische overlijden van prozaïst Thomas Blondeau openbaarden dat er succesvollere auteurs bestaan. Hoe valt de concurrentiedrift op het niveau van sappelaars te beteugelen? Consensus kan niet anders dan pragmatisch zijn en wenst geen ontwikkeling van het genre. Veronderstelt het Twitterbericht dat Groenewegens overlijden ‘een aderlating voor de poëziekritiek’ was toch een teamgeest en een gemeenschappelijk project?

Nawoordje

De Twitteraar heeft de slotvraag inmiddels negatief beantwoord. Hij laat Groenewegen onvermeld in een stuk over een materie waarover deze hier (en anderen daar en daar) had geschreven.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen