maandag 24 juni 2013

Hans Groenewegen (2)

Om Blind Willie McTell te citeren: ‘Lordy Lord, Lordy, Lordy Lord, Lordy Lord Lordy, Lordy Lord’. Het goede nieuws is dat NRC alsnog een artikeltje aan Groenewegen heeft gewijd. En dat zijn laatste bij leven gereed gemaakte bundel blijven & verreizen er nu is. Het slechte nieuws is dat op de achterflap Groenewegens toch al ruw afgebroken leven met een jaar extra is bekort. Dit zal op een of andere manier in harmonie dienen te geraken met de wijsheid van ervaringsdeskundigen dat vergissen menselijk is.
Dat ik blij verrast ben met het artikel, komt door een andere realiteit. Ze heeft literatuur in haar greep. Op Groenewegens sterfdag had de genoemde krant deze genreheadlines: ‘Schotse schrijver Iain Banks overleden’, ‘Gaan W.F. Hermans' schrijfmachines naar Vlaanderen of toch Groningen?’, ‘Oud-directeur Hofnarretje schrijft boek’, ‘Scarlett Johansson sleept uitgeverij voor de rechter vanwege literaire dubbelganger’ en ‘NRC-columnist Wilfried de Jong schreef beste sportboek van het jaar’. Prettig dat inmiddels de nuance is aangebracht dat onder dat geweld Groenewegen ook weer niet bij voorbaat geen plaatsje onder de zon verdient. Wie mij in die overtuiging niet gelooft of me verblind acht, hoeft slechts Hete herfst aan het begin van een ijstijd te lezen. Simultaan maakt dat boek duidelijk dat de auteur geen Mulisch was.
Volgens mij ligt de waarde van Groenewegens werk op tweeërlei vlak. Er is de component van kennis, die onder druk staat van snelle oordelen, wegdenken en door de mogelijkheid die copy and paste van het web biedt – het afblokken. Daarnaast dringt aldus door Groenewegens teksten een verpletterende, soms ironisch geformuleerde ethische fascinatie op. Ze uit zich in de lakmoesproeven die vooral zijn essays zijn, door bevragingen van pluralisme, intuïtie, gemeenplaatsen, vooruitgang, consequentheid, enz.
Hopelijk scherpt het inzicht om van daaruit een aantal literaire nieuwsfeiten te belichten uit de periode tussen Groenewegens overlijden en uitvaart. Ze hadden niets met hem te maken, maar op een bepaalde manier ook weer wel. Bovendien komen ze van gelegenheden die momenteel de beste overlevingskans lijken te bieden aan Groenewegens liefde poëzie: het evenement.
Zo werd er wereldkundig gemaakt dat onder het thema van de verwondering het geschenk van wat inmiddels Poëzieweek heet, zou worden geschreven door K. Schippers. Ten bate van een nieuw publiek moest poëzie voor de zoveelste keer gepromoot worden door een schrijver op respectabele leeftijd. Bij het bericht stond een twintig jaar oude foto van de vijftig jaar oude Barbarber-redactie – louter Schippers leeft nog.
Dat de verwondering aan hem wordt verbonden, kan wel eens te maken hebben met welgeteld één latere klassieker. Veel aangehaald is althans deze oneliner: ‘Als je goed / om je heen kijkt / zie je dat alles / gekleurd is’. Daarmee gebeurde iets wat Groenewegen een oeuvre lang heeft proberen te nuanceren: de uitvergroting die een geïsoleerd detail representatief voor het geheel wil maken. Citeren is al een reductie. Zo verklaarde Groenewegen meteen de praktijk van een poëziekritiek die interpreteert en oordeelt met beperkte lengte voor een kansloze missie.
Over Schippers zijn me geen stukken van Groenewegen bekend. Hij liet hem wel figureren als voorloper van Flarf, met Mustafa Stitou, wiens ontwikkeling hij bewonderde, als recente loot. Mij dunkt overigens dat de Schippers-oneliner evengoed een onmogelijke neutraliteit en een principiële bemiddeling van de blik blootlegt, dat er altijd iets van ergens opgeslagen media-uiting of kennis of politieke overtuiging meekijkt. Afhankelijk van dat standpunt valt die bemiddeling, waardoor elke blik multidimensionaal is, eventueel bezoedeling te noemen.
Door verwonderingsadepten, vermoedelijk. Ze hebben in de laaglandse literatuurgeschiedenis jarenlang uitstekende papieren gehad. Omdat het idee van verwondering over de dingen, hoe pastoraal ook, iets aannemelijks heeft. Het lijkt bescheiden, lebensbejahend, het ‘dankjewel’ waar ik de vorige keer aan refereerde. Wel raakte door die geografisch beperkte brede steun verwondering een makkelijk cadeau, een luxeproduct.
Bij J. Bernlef, de Barbarber-collega van Schippers, is zelfs een ‘verwonderingsindustrie’ waargenomen. Jeroen Mettes vond dit poëticale concept ‘burgerlijk’. Dat klinkt hooghartig, maar hij had er aardse motieven bij op het vlak van solidariteit, tegen de neoliberale ideologie. Dikwijls aangehaald is dat volgens Mettes het verwonderingsgedicht ‘een maatschappij [bevestigt] waarin vrijheid wordt geïllustreerd door het op de knieën vallen voor een showmodel’.
Omdat Mettes polemisch opereerde, met onvertaalde theorie erbij, was hij niet algemeen populair, laat staan dat er werd gereageerd door mensen die hij met bravoure, kracht van argumenten en stijl over de hekel haalde. Hij legde de lat hoog, en wilde geen compromissen. Over Groenewegen was Mettes gematigd positief. Hij vond hem een bekwame maar te aardige schoolmeester, die wel van ongekend nut zou zijn om mensen te enthousiasmeren en in te wijden in poëzie. De onuitgesproken boodschap was echter dat het echte werk voor genieën was.
Waarschijnlijk ‘typeert’ het Groenewegen dat hij deze kritiek grinnikend onderging. En dat hij voor Mettes’ onverhuld politieke doelstellingen via integrale analyse iets had dat pendelde tussen onvoorwaardelijke sympathie en ontzag. Hun beider beoogde doelen, steeds op het randje van de utopie, waren gericht op de gemeenschap. De keuze voor de verwondering als Gedichtenweekthema zou in hun ogen regressie betekenen, omdat kennis en kritiek er een stap terug voor moeten doen.
Eerlijk gezegd deel ik die indruk. Het verwonderingsgedicht geeft een late reactie op de vraag van de Verlichting, hoe Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap kunnen worden verwezenlijkt. Deze poëtica antwoordt: door gelijkgestemden. Auteur en lezer zijn entre nous. Da’s echter precies de clichématige kritiek op ‘het poëziewereldje’. Het idee van de linkse hobby, het verdelen en heersen. Groenewegen viel alvast niet te betichten van gelijkgestemdheid, wel van de wens tot kennisvergroting. Zoals hij het andere in zichzelf achtervolgde, zo wilde hij met zijn artikelen onbekenden bereiken.
Groenewegen koesterde Mettes overigens eveneens als dichter. Niet voor niets eindigt Met schrijven zin verzamelen met een stuk over diens poëzie, dat meteen valt op te vatten als antwoord op Mettes’ zuinige appreciatie: heer, vergeef mij mijn temperament! Maar ja, als echte wetenschapper wist Mettes Groenewegens invloed te berekenen op 1/1000ste van die van bibliothecarissen.
Maar nu moet ik van alles gaan uitleggen, dat deze posting te ongeconcentreerd zou maken. Volgende keer beter.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen