maandag 11 maart 2013

Koffiesofismen



Vandaag een bijdrage van Nico Krols, uitgesproken op 17 februari 2013, bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek. Brute pech dat die tekst daar niet in staat.
Nico Krols (1971) is hoofdredacteur van Weliswaar, het welzijns- en gezondheidsmagazine van Vlaanderen. Hij schrijft over film voor onder meer De Morgen. Als onderzoeksjournalist maakte hij, samen met Marleen Teugels, een dossier over asbest voor Knack, waarvoor zij de Dexia Persprijs kregen.


Waartoe inspireert koffie? Behalve tot het schrijven van een boek? Romcom, musical, opera? Ik denk graag in termen van sprookjes, omdat er altijd gratis horror bij komt. Dus steek het niet op de media, want ik heb u gewaarschuwd. Er komt, aan wat volgt, geweld te pas.

Als filmrecensent schuilt er vanzelfsprekend een gerateerd regisseur in mij. Hoe vaak ben ik in mijn hoofd niet aan een scenario begonnen over een moegetergde verkoper die door het lint gaat op die ochtend dat zijn koffie met een klontje suiker te veel geserveerd wordt?
Suiker in koffie, ik vind het maar niks, net zomin als koffie met zuivelwaren allerhande. In coffee, as black as my soul, ga ik op zoek naar de finesse in de puurheid. Witte additieven, laat het aan de Italianen.

Het scenario-idee berust op waar gebeurde feiten. Ik heb lang mijn werkplek in het groene, rustige Terhulpen gehad, niet ver van Overijse, met zicht op oude bomen en schichtige eekhoorns. Daar kreeg ik koffie geserveerd, per thermos van twee liter, met zo’n pompje, en waarmee normaal receptiepopulaties mee aan de waggel worden gehouden, zoals koeien aan een drinkbeugel in de wei. Ik kreeg geen bakje, maar een tank troost, elke dag opnieuw.

Dat zorgde ervoor dat ik ’s avonds als een gek de E19 afroste, op de gezwollen soundtrack van Gladiator, met getrokken zwaard en wapperende wimpel. Voorliggers moesten opzij want ik moest naar huis. Dringend. Geen idee wat er dringend was, maar het moest vooruit. Thuis aangekomen ging ik dan trillend op zoek naar iets, niet wetende wat, en langzaam sijpelde het besef door dat het de overdosis koffie was die me mijn eigen staart had doen najagen.

Alle goede dingen, zeggen wijzere mensen dan ik, moeten we, helaas, met mate consumeren. En hoe ouder we worden, hoe meer de maat zich opdringt. Tot dan was ik de koffieteit toegedaan die ik geleerd had in een Starbucks op de kruising van John en Water Street downtown Manhattan: ‘What goes well with coffee? More coffee!’ Schrandere jongens, die yanks, want het is waar.

Toch gaan koffie en beheersing ook goed samen. Een koffiedrinker laat zich zelden op zijn verslaving betrappen, zelfs niet wanneer hij zich zijn gebruikelijke dosis niet heeft toegediend.

Koffie drink je uit een kopje eventueel of zelfs bij voorkeur, maar uit een beker mag ook. Als hij maar uit porselein of glas is. Niet uit karton. Dat is voor hipsters on the go. De democratisering van het koffiedrinken heeft geen nivellering teweeggebracht, noch naakt een bekermatig einde van de beschaving. Lange tijd vond ik dat je beker mee naar je werk nemen een te huishoudelijke gezelligheid introduceerde die daar niet hoorde en zodoende de zakelijke sfeer verpestte. Je gaat toch ook niet in je pyjama naar je werk? Maar ik heb het tegendeel ondervonden. Vergaderen met een beker koffie geeft blijk van werklust en smeedt een onzichtbare band tussen discussiërende vergadergenoten. Sinds de mens koffie drinkt, is zijn evolutie vermoedelijk pas echt goed op gang gekomen, al moet dat nog bewezen worden.

Wat wordt er, behalve melk en suiker, allemaal niet bij de koffie gedaan? Onder gelijkgezinden geleuterd, onder vrienden per ongeluk geroddeld en onder collega’s, in een zeldzaam goede bui, nuttigheden uitgewisseld. Iedereen kan het over koffie hebben, omdat het zo evident tot ons leven en, voor de gelukkigen, ons werk is gaan behoren.

Pas op leeftijd, kunnen we ons veroorloven om het over koffie te hebben en erover te schrijven in plaats van er ons, zonder voor- of nabeschouwing, aan te goed te doen. Maar wijsheid komt met de jaren, zeggen, nog altijd, diezelfde mensen die wijzer zijn dan ik, en dan is het goed om voor het koffie gaan eerst ’t in eigen kopje te kijken. Al was het maar om dat ontsnapte stukje speculaas eruit te lepelen.

Als je sommige schrijvers en journalisten kan geloven hebben we aan koffie de beschaving te danken, wel, laat ons dan – zelfverklaarde koffie-ologen en barrista’s – ons gewichtige prietpraatje gunnen. Ik moet namelijk nog iets bekennen: ik ben een koffiebarbaar. Ik durf mijn namiddagkoffies al eens verdunnen met warm water. Of ik durf op een zwak moment wel eens voor een deca overstag gaan. Ik ben eigenlijk een theedrinker, altijd geweest, en nu meer dan ooit, sinds bij mij de cafeïnegeïnduceerde daver na de middag ongenadig toeslaat. Kan je beiden zijn? Ik drink thuis thee en op locatie koffie. Mijn profiel is bipolair: dat van een gedomisticeerd, sedentair theedrinker, en een nomadisch, avontuurlijk koffiedrinker. Ik voel je misprijzen, maar tot welke soort behoor jij? Mogelijk maak je je wel schuldig aan het posten van koffiestillevens op een van die talloze blogs met instagrams van lepeltje-in-kopje-op-schoteltje onder de juiste lichtinval?

Koffie staat beter dan thee. Toen ik nog rookte, was thee voor jeanetten, of hooligans. Het was de sigaret noch de koffie die voor de sublieme aha zorgde. Het was de combinatie van beide, zeker op vroege ochtenden. Sinds ik gestopt ben met roken is koffie niet meer hetzelfde. Alle eenzijdige sublimiteit van koffie zit nu in dat gelukzalige solomoment van de geur van koffie bij het ontwaken. Maar die vroege ochtenden mét sigaret, dat was toch anders. Om vijf uur, op een verre reis, buiten in de verfrissende dauw turen, over een voor een Belg ongeziene glorende horizon, met een gitanes zonder filter en slurpen uit een inox kop. Klaar was je dan, voor de rest van je leven, die dag.

Roken is verleden tijd, al ben je daar nooit zeker van, maar koffie zal zijn tijd voor mij wel blijven duren. En anders kan ik altijd nog wegdromen naar de tijd dat ik met vrienden koffie morste en dat die opneemvod van een ober ons toesnauwde dat hij extra zou aanrekenen voor de vlek op het witte tafellaken. We hebben dan het voorbeeld van Donald Barthelme’s dwergen in Snow White gevolgd en de rest van de koffie over het tafellaken gesmodderd. Vwalla. Geen vlek meer te bespeuren, enkel een bruin dampend laken. Ober, nog een koffie graag. More coffee. Koffie maakt slim en onoverwinnelijk, al heeft de rest van de mensheid dat niet altijd door.

Hou het glorieuze moment glimlachend voor jezelf, kwestie van koffiequette. Slurp in stilte verder, desnoods van een latté, en bij de geur van een aangebrand toastje.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen