vrijdag 14 december 2012

Je schrijf Hank

‘Elio Di Rupo en het Nederlands. Wie niet in een taal woont, maar haar enkel hanteert, wint nooit het hart van wie hij toespreekt.’ Deze tweet kwam nadat de premier de Belgische begroting had verdedigd. Daarbij introduceerde hij Kevin en Fréderic, terwijl in mijn woonplaats het Vlaams Belang bij Mark en Maria alarm geslagen had over Ali en Fatima.
Ik zal het gepsychologiseer rond Di Rupo’s taalbeheersing, dat zich bij dezelfde gelegenheid in de armen van de lezer aanbeval met een heus hoofdcommentaar, nimmer kunnen aanvoelen. In mijn geboorteland heetten Henk en Ingrid ooit Henk en Anja, toen ze het moesten opnemen tegen Ahmed en Fatima. In een grijzer verleden was er het personage Den Drijver, ‘je zeg Henk maar je schrijf Hank’.
Ach.
Onlangs zei ik iets over de commotie rond de sociolinguïstische studie De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, mede doordat er – ongetwijfeld op aanvraag wegens goed Italiaans sprekend – flinke meningen over waren zonder de teksten te lezen. In de tussentijd heb ik dat zelf gedaan, en nu vind ik die meningen nog vreemder. Al blijft standaardtaal juist in de praktijk een topic zonder eind, enige verbijstering is gepast.
De samenstellers moesten door te weerleggen wat ze niet hadden gezegd herhalen wat te lezen viel. Zou olie op het vuur zijn gegoten door een verschijningssignalementje van hun bundel, die mogelijk een academische belettercijfering had ondergaan? Ook was het boek de neerslag van een congres, waarvoor het publiek warm was gemaakt met een blog en een prijs inclusief nominaties, culminerend in de aanwezigheid van Roos Van Acker.
Wraakroepende popularisering? Inmiddels snap ik, tevens uit reacties op verwante stukken, dat bij de casus taal afkoelen beter werkt dan opwarmen, maar dat verklaart niet de minachting en de agressiviteit onder het motto ‘Waar staat geschreven dat ik altijd redelijk moet blijven?’ bij een naam als Kevin, al voor deze door Di Rupo was geannexeerd.
Alleen al wat ‘wetenschapper’ als pejoratief heeft teweeggebracht (mijn Wordprogramma weet bij het woord ‘theorie’ dat het ‘Belgisch-Nederlands’ is) illustreerde de vaak in het boek geciteerde negativiteit en blinde woede rond het fenomeen tussentaal, dat een symptoom zou zijn van luiheid, imbecilisme en tekort aan cultuur.
Die pertinente afwijzing ontkent de realiteit waarin door schaalvergrotingen op universiteiten en hogescholen in enige steden gigantische studentenpopulaties, ‘de spraakmakende gemeente van morgen’, het Verkavingsvlaams exploreren en zogenaamd fictieve soaptaal zogezegd referentialiseren. Jongere leerkrachten spreken – in het algemeen, want onderzoeken, en de bundel laat dat zien, sluiten niet precies op elkaar aan wat betreft leeftijdsgewoontes – nu al meer tussentaal dan oudere. De landsafbakening van commerciële televisiezenders, waarbij aparte elektronische toegangskaarten in juridische schemerzones de segregatie tussen Nederland en België moeten opheffen, bevordert deze ontwikkeling.
Hilarisch dat, zonder commentaar, een strenge taalkundige werd geciteerd: ‘For the record, een student die bij ons examen komt afleggen in tussentaal wordt wandelen gestuurd.’
De congresbundel heeft voor de ontkenning een vakterm: deletie. Dat is een proces waarbij ‘ideologie het sociolinguïstische veld vereenvoudigt en daarbij sommige personen of activiteiten (of sociolinguïstische fenomenen) onzichtbaar maakt. Feiten die niet passen in het ideologische schema worden dan niet opgemerkt of ze worden geminimaliseerd. Zo kan een sociale groep of een taal als homogeen voorgesteld worden, terwijl de interne variatie wordt genegeerd.’ Daarbij is voor alle gebruikers nog niet eens een hele mikmak aan twittertaal, sms en chat verdisconteerd.
Kan iemand ontsnappen aan deletie? Tussentaal komt in alle geledingen voor, standaardtaal blijkt vooral een mediataal. Onder het laatste gesternte huist de Wet van Engel: hogere sociaal-economische posities geven een vrijere omgang met taal, ook via ‘opzichtige ontspanning’. Zou de stijl van Humo daar een voorbeeld van zijn?
De manke usurpator memoreert dat, na de gezagsondermijning met nadruk op communicatie, in de Thatcher-periode de klassieke grammaticales in het Britse onderwijs terugkeerde. De werkelijkheid van de onzuivere taal werd bevochten met dril en herhaling – het socialisme moest in het hart getroffen. Zelf heb ik aan taaldiscipline warme herinneringen, meer in het bijzonder aan lessen Latijn, een zalig gepuzzel met naamvallen en bijzinnen waarvoor een mij verder vreemde volharding nodig was. Ik wist daar zelfs mijn weerzin voor wiskunde – het ‘snap ik toch niet’ dat ‘hermetische’ poëzie ook ten deel is gevallen – mee te rechtvaardigen.
In voorbeeldland Nederland schijnt overigens bij hoogopgeleiden eveneens geringschatting voor een ander accent te heersen. Ironisch dunkt me dan weer dat bij alle bekommernis om een Standaardnederlands in België, de vorige hegemoniale tegenstrever zijn peren heeft gezien (‘Belgisch-Nederlands’). Het Frans was een wereldtaal met cultureel prestige, en heeft een terugval een jewelste gekend. Zelfs in de Europese Unie moest het Frans nederlagen tegen de realiteit slikken.
Ambtenaren bezigen er nu franglais of frenglish, maar het is duidelijk in welke richting de wereldeconomie zich ontwikkelt. Met name door Aziatische groeistaten zal het Esperanto van de toekomst Globish zijn, ofwel ‘cafeïnevrij Engels’, waarbij vergeleken het Verkavelingsvlaams zo ongeveer Latijn is.
Abram de Swaan beweerde in Woorden van de wereld dat koloniale talen hun macht behouden, doordat het onderwijs elites kan blijven kweken. De ouders die hun inheemse kinderen naar zulke scholen sturen, doen aan collusie. En de gemarginaliseerden steunen – De Swaan gebruikt de term ‘medeplichtig’ – die status quo van uitsluiting nota bene, door het cynische principe van de taaljaloezie waarin etnische groepen elkaars dialect niet gunnen een alternatief voor anderen te zijn, laat staan voor het geheel.
De begunstigde gebruikers kennen op hun beurt het spreekwoord: ‘Engels is de taal voor de airco, de inheemse taal is voor de veranda.’
Een quizvraag tot slot, mede vanwege het nakende kerstmenu. In De manke usurpator schrijft Kevin Absillis dat in Vlaanderen de zegswijze ‘vlees noch vis’ regeert en boven de Moerdijk ‘mossel noch vis’ (2012: 88). Maar Johan De Schryver citeert uit een schoolboek iemand die de in dezen geloofwaardig klinkende achternaam Taeldeman draagt en volgens wie tussentaal ‘noch mossel noch vis’ is (2012: 144). Wie wint nu wiens hart?

Naschriftje 16 december
Vandaag meldt de dagkalender van Loesje: ‘Kleur in je leven hoeft niet per se binnen de lijntjes’. Dit Noord-Nederlandse product met verfrissende perspectieven krijgt zijn teksten overal vandaan. Ook uit België, vermoed ik, waar de uitspraak, die natuurlijk refereert aan kindertekeningen, niet de meest originele is in het dagelijks spraakgebruik.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen