zondag 21 oktober 2012

Vrij

Is het een sign of the times dat er in Antwerpen een rouwstoet is geweest voor zeventig jaar socialistisch beleid, of dat aan dat publiek vertoon, nadat er Project X-gelijk een oproep op Facebook over was uitgegaan, zestig deelnemers waren of dat reacties op dat aantal smaalden?
Mij interesseert het dat definities kunnen worden opgerekt, maar ook aan de postideologische rekbaarheid van ‘socialisme’ komt een eind. Maar wat is dat voor een woord?! Ik was het juist eens geworden met Alain Badiou die in een Affirmationistisch Manifest voor het einde van de eindes is, en voor het maken van een begin. Misschien is het aardiger te kijken naar het doel van de onderneming, zodat er evengoed liberalisme bij betrokken kan worden: vrijheid.
Op dat idee ben ik mede gekomen door een particulier initiatief. Mijn dames wou ik namelijk zo vroeg mogelijk lijfliederen geven voor een onderdak. Na enig heen-en-weer-getest werd het bij het taalkundig genie ‘Mijn tante heeft een olifant’ van Jan Blaaser en bij de gourmande de tune van Swiebertje. Dat laatste nummer is nogal bijzonder.
Zoals bekend heeft Jan Kuitenbouwer een link gelegd tussen de serie en het gedachtegoed van Wilders, maar ik vind het fijner iets concreets bij de hand te hebben. Welnu, op tekst van Johan uit den Boogaard en muziek van Harry de Groot zong Joop Doderer samen met kinderkoor De Damrakkertjes het volgende:

Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn ingedeukte hoed
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber die steeds malle dingen doet

Hij leidt een vrolijk leven
Hij luistert nooit naar raad
Om zijn brutale grappen
Maakt Bromsnor zich vaak kwaad

Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn uitgestreken snoet
(…)

“Ik hou van lekker eten
Dus ga ik vaak naar Saar
Kom ik daar op visite
Nou, dan staat de taart al klaar”

Dat zegt Swiebertje
Rare Swiebertje
(…)

“Ik hou van lekker slapen
Liefst in een berg hooi
Daar leg je lekker warm en
Daar droom je toch zo mooi”

Dat zegt Swiebertje
(…)

“Ik hou veel van mijn vrijheid
Die raak ik niet graag kwijt
Maar één man die bedreigt me
Dat is Bromsnor zogezeid”

(…)


Vrijheid staat hier diametraal op gezag, zodat de titelzwerver en de veldwachter Bromsnor antipoden worden. Iedereen die wat van de serie heeft gezien, weet echter dat het conflict altijd binnen de grenzen van de gemoedelijkheid blijft. Ook zijn de wensen of dromen van Swiebertje weinig radicaal, veeleer basaal. De term ‘mal’ leeft voort in een ongevaarlijk soort amusement en humor van spelletjesprogramma’s.
Swiebertjes bescheiden vrijheidsdrang valt te dateren op beginjaren zestig, terwijl de fameuze jongerenprotesten uit dat decennium mogelijk blinken in een citaat van Kris Kristofferson dat door Janis Joplin postume verbreiding kreeg: ‘Freedom’s just another word for nothing left to lose’. Het tegenwicht van gezag is dan aanzienlijk uitgebreid, beperkt zich amper nog. Persoonlijke en culturele verledens mogen worden afgeschud voor het genot van de vrijheid in een permanent heden.
Met terugwerkende kracht krijgt het woord ‘ballast’, dat Herman Brood geregeld gebruikte, een programmatische betekenis. Een volstrekt andere invulling daarvan – en dus ook van het concept vrijheid – zag ik afgelopen zomer, op de wellicht warmste dag van het jaar, fietsend in the middle of nowhere langs een Vlaams kanaal. Daar marcheerden in het tenue van een jeugdbeweging lagere scholieren, begeleid door twee pubers. Ze droegen een volle bepakking onder de brandende zon, wat het toch al niet korte kanaal onafzienbaar maakte. De kleinste van het stel, nog geen tien, liep voorop met een vaandel.
Als Nederlander beleefde ik de dooddoener dat tolerantie verdwenen is in angst om ergens wat van te vinden. Dus fietste ik door, met mijn kinderen, narationaliserend over een marge van onduidelijkheid hoe principieel principes zijn. Onloochenbaar is dat ik aan het kanaal vrijheid negatief zag ontspringen: in banden van een voorgeformuleerde gemeenschap.
Hier moet ik verder over denken, omdat duidelijk is dat er makkelijke reflexen opspelen. Dat weet ik ook als immigrant, die in de Lage Landen de onhoudbaarheid van zekerheden over de achterhaaldheid van nationale verschillen ondervond. En die met een gezin, hoe klein ook, evengoed een gemeenschap vormt. ‘Men deelde met elkaar wat er was: het deelbare en het ondeelbare’, schrijft Pol Hoste in 99 (help, een boek dat niet overbodig is).
In de tussentijd teer ik op Le gamin au vélo van Jean-Pierre en Luc Dardenne, een van de mooiste films die ik in jaren heb gezien, al was het op dvd. Het verhaal draait om een jongetje dat er alles voor over heeft om bij zijn vader te zijn, waartegenover een nobele onbekende kapster een bijna onmenselijk goedheid vertoont om bij de jongen te zijn. Vrijheid schuilt in een verlangen naar een minigemeenschap.
Twee scènes heugen: een waarin de onverschillige vader, aan wie het jongetje steeds toevoegt dat hij hem niets kwalijk neemt, hem met twee pollepels laat roeren in sauspannen, en een waarin het jongetje dermate teleurgesteld is over hem dat hij in de kapsalon telkens de kraan van een wasbekken opendraait en de irritatie, ook bij de goede fee, aanzwelt.
De kijker heeft sensaties voorbij de identificatie met personages, richting solidariteit.
In een begeleidende documentaire lichtten de gebroeders Dardenne enige keeldichtknijpende scènes toe. Zij deden dit uiteraard door toelichtingen op camerabeweging en kadrering en stippen jakobsoniaanse equivalenties in het scenario aan.
Aan het slot is het jongetje, getroffen door een steen van een rancuneus slachtoffer, uit een boom gevallen en ligt voor dood op aarde. Dan staat hij op, negeert omstanders en pakt een zak houtskool onder de arm, hijst zijn fiets recht en rijdt in een lange boog de linkerhoek van de camera uit. Die boog gaf mij de indruk van optimisme – dat alle, tot dan toe schier onontkoombare, ellende valt te reguleren. Een événement zoals Badiou zich voorstelt als katalysator van een waarheidsproces?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen