maandag 31 december 2012

Drempeltje op, drempeltje af (1)

Laatste correcties, schrapsels en aanvullingen doorgevoerd in het essay over Het Onvoltooide voor Poetry International. Ik kwam nog gruis tegen, dus een zindering doortrekt de tekst dat hij zelfs eindredactioneel niet perfect is. Rijmt dat met het idee? Wat is me bekend? Nog achterhaalbaar is dat het begon met 21.447 en eindigde met 26.614 woorden. Eigenlijk vatte het festival zelf dit proces fenomenaal samen in één woord, toen uit het Duits Friederike Mayröckers bouwprincipe van de montage in Engelse vertaling op het scherm verscheen: mondays.
Nogmaals warme dank aan degenen die hebben geholpen met comments en mails.
Terzijde heeft de ontvangst van de proef me verbaasd. Ik pleng geen hemelschokkendheden voor de duidingsindustrie maar de kennisname van het coöperatieve essay stond in een scheve verhouding tot het verzoek eraan mee te werken. Die uitnodiging was binnen drie dagen vaker bezocht dan de bijna tweehonderd andere postings op dit blog. De verhouding tekst-metatekst lag ongeveer 1 op 3.
Voor een boek over recente poëzie heb ik eens de berekeningen losgelaten op De Contrabas. Conform de pageviews van toenmalige rubrieken verhield de belangstelling voor gedichten ten opzichte van dichtersinterviews en literair nieuws zich als 1: 2: 20. Die getallen zijn extremer dan bij mij, maar hun interpretatie lijkt verwant.
De interesse lag vooral in comments die het essay ter discussie stelden. Daarbij was het ook nog zo dat de verwijzingslinks naar de uitnodiging, met alle respect voor een signalement op Ooteoote, van socialenetwerksites kwamen, waar niet-vrienden van mijn onbekende weldoeners geen toegang toe hebben. Wel heb ik eindelijk ontdekt wie de bron is van al die duimen bij het Facebook-liken.
Moet ik begrijpen dat een bezoek aan dit weblog een vorm is van ramptoerisme? Dat dunkt me invoelbaar. Maar echt zeker is niets, blijkt ten overvloede uit de vraag van het taalkundig genie of bomen kunnen hoesten. In een soortgelijk kader heeft de gourmande een favoriete uitlating, wellicht haar talismanisering van spreuken uit de human-resourcebranche, die de omgeving naar haar doet plooien: ‘Mamadoetta’.
Al zal er sprake zijn van assimilatie, het blijft voor de aangesprokenen ongewis of er een beschrijving of een gebod werkzaam is:

Mama doet dat
Mama, doe dat

Op deze contextafhankelijke basis gaat het nieuwe jaar van start. Hoewel het op een bepaalde manier altijd maandag zal blijven, heb ik een punt gezet achter mijn koffieboek. Er verschenen nog fijne berichten, over koffie als zoete wraak, als beleggingobject, als filterinhoud, als alternatief voor babyvoeding, als aanjager van hygiëne en als politiek uithangbord. Dat laatste is het meest evident, omdat koffie diverse maatschappelijke verhalen en consequenties uitserveert.
Daar heb ik naar mijn idee dus vooralsnog genoeg over opgetekend. Het heeft er vervolgens alle schijn van dat, waarschijnlijk al met carnaval, mijn koffieboek verschijnt.
In de huidige constellatie is dat een ijdele daad. Uitgevers saneren, boekhandels raken verdeeld over niches waarna ze scherpere keuzes uit het geheel maken, media blijven zoeken naar formats, terwijl het internet nog te weinig souplesse vertoont bij het opvangen van steken die de papieren kritiek heeft laten vallen. (Het wegdeemsteren van literaire kritiek hangt vermoedelijk samen met een historische atomisering, waarin ‘passie’ en ‘goede naam’ de autoriteit hebben vervangen die in de persoon van allerhande poortwachters gemeenschappen representeerde. In het vacuüm van de idee dat die lui louter eigenbelang nastreefden en dat ‘kwaliteit’ niet bestaat, vestigde zich de neoliberale site LinkedIn, met als meest opmerkelijke optie ‘deskundigheidsverzoeken’.) Bij dit proces als geheel is er het nodige gesneuveld, blijft niets per definitie gespaard en halen lezers, niet eens onterecht, hun schouders op.
Daarom begint hier meteen een publiciteitscampagne, in drie delen. Nu volgt deel één.
Gangbaar bij de lancering van boeken is de pre-emptive strike van de aanbeveling. Ik heb daartoe een aantal citaten verzameld, waaruit er drie over mogen blijven op de achterflap van Koffie. Een doeboek door Marc Kregting:

‘Hij is intelligent, maar geschoold door het leven.’
(Rik Torfs, De Standaard)

‘Hij heeft de behoefte om de Ander cafeïnevrij te maken.’
(Slavoj Zizek, Geweld)

‘Hij verzekert je van de wieg tot het graf.’
(Vadertje Staat, I Love Lucy)

‘Na een herbeluistering hebben we inderdaad vastgesteld dat de uitwerking niet goed zat.’
(Ingrid Lieten in het Vlaams parlement)

‘De sfeer van 1900, van kattenkwaad. Gezelligheid.’
(Website under construction voor de filmversie van Koffie)

‘De letter is gemaakt onder eerlijke arbeidsomstandigheden voor een faire prijs en belast het milieu niet.’
(De Groene Sint, Tony’s Chocolonely)

‘Hij dicht pas werkelijk de kloof met de burger.’
(Politicus die liever anoniem wil blijven)

‘He was the artist of my life.’
(Patti Smith, Just kids)

‘Je moet durven evolueren.’
(Peter Vandermeersch, De Standaard)

‘When you’ve been making the coffee forever, it’s nice to imagine leading the free world.’
(Naomi Wolf, Project Syndicate)

‘Evenwichtig en rond.’
(Douwe Egberts, Blend 1753)

‘No other Dutch poet can write a caffeine enjambment the way he does.’
(Ron Silliman, Universe)

‘Een stem die je verwelkomt als een beker warme chocola op een winterse namiddag.’
(Auke Kok, Geschiedenis van een piraat)

‘In het donker kun je er beter van genieten.’
(trad.)

‘Anders gaan leven staat niet meer voor beter gaan leven, maar voor minder gaan leven.’
(Yves Desmet, De visie van een Wetstraatrat)

‘Koffie is voor door status gedreven, geestelijk idiote leeghoofden.’
(Tom Hodgkinson, Lof der luiheid)

‘We moeten die betrokkenheid koesteren en honoreren.’
(Oxfam Novib, interne notitie)

‘Jij hebt ons geleerd om nooit onze droom op te geven; dat die ooit op een dag zal uitkomen.’
(Michael Gates Gill, Hoe Starbucks mijn redding werd)

zaterdag 22 december 2012

Crisisprijs

Pieter Boskma: ‘Karig de lente voor wie niet blij is het lijkt wel alsof wij / de toedracht vergaten van elke gelukkige toekomst: / de hiaten in het brein te stoppen met idyllisch dwaallicht / en realistisch op de rode loper koers te houden naar het al’. Deze strofe komt uit een gedicht dat lijkt te beweren dat heil valt te verwachten van het schaarsteartikel optimisme, opdat ‘witgelakte genezers werkeloos’ blijven.
De medische stand zal toe zijn aan vakantie. In de week dat het taalkundig genie na vijf jaar en tien maanden het woord cool uitsprak, raakten breinen oververhit. Ze hadden op basis van de Maya-kalender de wereld buiten Bugarach en Kootwijkerbroek zien vergaan, wat liveblogs van ook de meest gezaghebbende media niet konden bevestigen. De winter mocht beginnen. Intussen klopte in rompen onder de breinen het hart dat slechts door ultieme inspanning niet kon kennisnemen van barre economische tijden.
Een paar maanden geleden viel in de bus een foldertje met het opschrift ELKE GRAM TELT. Ik dacht al aan de toenemende drugshandel bij de speeltuin, toen ik las over goud: ‘U wordt betaald aan de dagkoers’. Ik was dit al bijna vergeten – nog niet de meest kiese retoriek kan mij ervan overtuigen dat België Griekenland is waartegen slechts proactief is te reageren – toen deze week een papiertje binnenkwam van het formaat waarop normaliter een helderziende met een Indiaas klinkende naam zijn diensten aanbiedt, ‘ook in de meest hopeloze gevallen’. Ditmaal was het een familiebedrijf in dakwerkzaamheden dat een maandactie aankondigde met 10 tot 20 procent korting, ‘crisisprijs’.
Hangt er iets boven ons hoofd? Onze correspondent Albert Camus wist: ‘Leed is nooit tijdelijk voor wie niet in de toekomst gelooft.’
De moeder van de kindermoordenaar in Newtown bleek te behoren tot zogeheten preppers. Volgens hen blijft het einde der tijden nabij. Men hamstert voedsel en wapens. Toch zijn ze te talrijk en te divers om te kunnen worden afgedaan als een sekte. Want uiteraard is er al onderzoek op hen losgelaten. Het zou, voor de verandering, gaan om een middenklasse. Men schijnt wat vaker militair te wezen – en christen, wat gezien de none-trend een veeg teken is. Maar er zitten ook ecologisten tussen, die een klimaatramp verwachten, en ze worden geduid vanuit een hippietraditie.
Wat hen bindt is niet een overheid, maar het wantrouwen daarin.
Valt in zo’n diagnose evengoed een einde van de wereld te zien? Zelfs onderzoek naar Nederlandse poppodia wist uit te wijzen dat in Venlo, door een gemiddeld grotere liefhebberij in rock en een kleinere in klassiek, de smaak ‘iets minder subtiel’ zou zijn dan landelijk – Wilders op microniveau verklaard.
Misschien is het interessanter om in benarde toestanden juist te ontkennen dat er iets loos is. Afgelopen jaar waarschuwde de burgemeester een ongekend omvangrijke Facebookpopulatie dat er in zijn gemeente Haren geen feest zou komen. Was hij in de leer geweest bij Mohammed Saïd al-Sahaf A.K.A. Comical Ali, de minister van Informatie onder Saddam Hoessein, die live on location beweerde dat er helemaal geen invasie plaatsvond terwijl tanks nog net niet in zijn kraag reden?
Dergelijke metaobservaties worden snel hogere heemkunde, van het type dat door ampel gebruik van de iPad op het strand het aantal vermiste kinderen toeneemt – het armageddon van de technologie. Laat ik liever heemkunde bedrijven in mijn vak: bestaan er nog mensen die met hun tong de top van hun wijsvinger natmaken om de pagina om te slaan?
Aan natte vingers doet mij sowieso de perceptie van het verschijnsel Lance Armstrong denken. Jarenlang collectief vereerd, daarna ritueel geslacht. Ook commentatoren, die nu geïllustreerde studies over het dopingbedrog publiceren die zelfs de krantenwinkel halen, hebben de wielersport het graf in betoogd, om hem er dan uit te laten herrijzen.
Hier thuis, selectief waarnemend, verwijst de naam Maya naar een bij, maar in andere gezinnen naar het Aquariustijdperk. Ik heb daar louter over gelezen, in Unfinished Animal van Theodore Roszak. Dit boek uit 1975 is dan wel kritisch verbaasd dat niemand overtuigingen van confraters en zusters uit de beweging in twijfel trekt en tegelijk andersdenkenden uitsluit, de grondtoon is hoopvol en weerspiegelt aldus vermoedelijk de tijdgeest.
Op zich zou het de stemming in de wereld bevorderen om – conform spreuken en liedjes – elke dag door te brengen alsof het de laatste is. Maar met een Apocalyps op de rug zou niet altijd te vermijden zijn dat optimaal plezier ten koste gaat van derden. Verandert het onderwerp nu in bankiers? Waarom niet, indien bonussen het beloofde land kunnen zijn. Bij zijn blog voor The Guardian waarin hij inzicht probeert te verwerven in motieven voor hun transacties, zei Joris Luyendijk over politici die banklui met regelgeving wellicht zouden kunnen betomen: ‘Zij hebben liever ongelijk in een groep, dan gelijk in hun eentje.’
Als ik vroeger op een zaterdag met fris gekamde haartjes en een glaasje gazeuse op de bank Ria Bremer, bij het nogal bonte programma Stuif es In dat om mysterieuze reden ook Stuif es Uit kon heten, vanuit de Meerpaal in Dronten allerlei kaartjes uit de balk zag trekken en een hele kinderschare hoorde zingen ‘Dit is het einde van deze middag’, was ik dan verdrietig, bang, verwachtingsvol? Geen idee, maar ik vermoed dat ik wist dat het belangrijk was en probeerde daar vermoeid en uit alle macht een gevoel bij te zoeken.
Of hoe zei Michel Foucault dat zo mooi: ‘Zelfs vóór het enig voorschrift formuleert, een toekomst uitstippelt, zegt dat er gedaan moet worden, ja zelfs vóór het tot iets aanzet of zelf maar voor een eis waarschuwt, is het denken, al bij de wortel van zijn existentie en, vanaf zijn allervroegste vorm, op zichzelf reeds een daad – en een gevaarlijke daad.’
Probeer dan nu een definitie. (Het ziekenhuis is een gebouw voor de ingang waarvan mensen in badjas staan te roken aan een infuus.)

vrijdag 14 december 2012

Je schrijf Hank

‘Elio Di Rupo en het Nederlands. Wie niet in een taal woont, maar haar enkel hanteert, wint nooit het hart van wie hij toespreekt.’ Deze tweet kwam nadat de premier de Belgische begroting had verdedigd. Daarbij introduceerde hij Kevin en Fréderic, terwijl in mijn woonplaats het Vlaams Belang bij Mark en Maria alarm geslagen had over Ali en Fatima.
Ik zal het gepsychologiseer rond Di Rupo’s taalbeheersing, dat zich bij dezelfde gelegenheid in de armen van de lezer aanbeval met een heus hoofdcommentaar, nimmer kunnen aanvoelen. In mijn geboorteland heetten Henk en Ingrid ooit Henk en Anja, toen ze het moesten opnemen tegen Ahmed en Fatima. In een grijzer verleden was er het personage Den Drijver, ‘je zeg Henk maar je schrijf Hank’.
Ach.
Onlangs zei ik iets over de commotie rond de sociolinguïstische studie De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, mede doordat er – ongetwijfeld op aanvraag wegens goed Italiaans sprekend – flinke meningen over waren zonder de teksten te lezen. In de tussentijd heb ik dat zelf gedaan, en nu vind ik die meningen nog vreemder. Al blijft standaardtaal juist in de praktijk een topic zonder eind, enige verbijstering is gepast.
De samenstellers moesten door te weerleggen wat ze niet hadden gezegd herhalen wat te lezen viel. Zou olie op het vuur zijn gegoten door een verschijningssignalementje van hun bundel, die mogelijk een academische belettercijfering had ondergaan? Ook was het boek de neerslag van een congres, waarvoor het publiek warm was gemaakt met een blog en een prijs inclusief nominaties, culminerend in de aanwezigheid van Roos Van Acker.
Wraakroepende popularisering? Inmiddels snap ik, tevens uit reacties op verwante stukken, dat bij de casus taal afkoelen beter werkt dan opwarmen, maar dat verklaart niet de minachting en de agressiviteit onder het motto ‘Waar staat geschreven dat ik altijd redelijk moet blijven?’ bij een naam als Kevin, al voor deze door Di Rupo was geannexeerd.
Alleen al wat ‘wetenschapper’ als pejoratief heeft teweeggebracht (mijn Wordprogramma weet bij het woord ‘theorie’ dat het ‘Belgisch-Nederlands’ is) illustreerde de vaak in het boek geciteerde negativiteit en blinde woede rond het fenomeen tussentaal, dat een symptoom zou zijn van luiheid, imbecilisme en tekort aan cultuur.
Die pertinente afwijzing ontkent de realiteit waarin door schaalvergrotingen op universiteiten en hogescholen in enige steden gigantische studentenpopulaties, ‘de spraakmakende gemeente van morgen’, het Verkavingsvlaams exploreren en zogenaamd fictieve soaptaal zogezegd referentialiseren. Jongere leerkrachten spreken – in het algemeen, want onderzoeken, en de bundel laat dat zien, sluiten niet precies op elkaar aan wat betreft leeftijdsgewoontes – nu al meer tussentaal dan oudere. De landsafbakening van commerciële televisiezenders, waarbij aparte elektronische toegangskaarten in juridische schemerzones de segregatie tussen Nederland en België moeten opheffen, bevordert deze ontwikkeling.
Hilarisch dat, zonder commentaar, een strenge taalkundige werd geciteerd: ‘For the record, een student die bij ons examen komt afleggen in tussentaal wordt wandelen gestuurd.’
De congresbundel heeft voor de ontkenning een vakterm: deletie. Dat is een proces waarbij ‘ideologie het sociolinguïstische veld vereenvoudigt en daarbij sommige personen of activiteiten (of sociolinguïstische fenomenen) onzichtbaar maakt. Feiten die niet passen in het ideologische schema worden dan niet opgemerkt of ze worden geminimaliseerd. Zo kan een sociale groep of een taal als homogeen voorgesteld worden, terwijl de interne variatie wordt genegeerd.’ Daarbij is voor alle gebruikers nog niet eens een hele mikmak aan twittertaal, sms en chat verdisconteerd.
Kan iemand ontsnappen aan deletie? Tussentaal komt in alle geledingen voor, standaardtaal blijkt vooral een mediataal. Onder het laatste gesternte huist de Wet van Engel: hogere sociaal-economische posities geven een vrijere omgang met taal, ook via ‘opzichtige ontspanning’. Zou de stijl van Humo daar een voorbeeld van zijn?
De manke usurpator memoreert dat, na de gezagsondermijning met nadruk op communicatie, in de Thatcher-periode de klassieke grammaticales in het Britse onderwijs terugkeerde. De werkelijkheid van de onzuivere taal werd bevochten met dril en herhaling – het socialisme moest in het hart getroffen. Zelf heb ik aan taaldiscipline warme herinneringen, meer in het bijzonder aan lessen Latijn, een zalig gepuzzel met naamvallen en bijzinnen waarvoor een mij verder vreemde volharding nodig was. Ik wist daar zelfs mijn weerzin voor wiskunde – het ‘snap ik toch niet’ dat ‘hermetische’ poëzie ook ten deel is gevallen – mee te rechtvaardigen.
In voorbeeldland Nederland schijnt overigens bij hoogopgeleiden eveneens geringschatting voor een ander accent te heersen. Ironisch dunkt me dan weer dat bij alle bekommernis om een Standaardnederlands in België, de vorige hegemoniale tegenstrever zijn peren heeft gezien (‘Belgisch-Nederlands’). Het Frans was een wereldtaal met cultureel prestige, en heeft een terugval een jewelste gekend. Zelfs in de Europese Unie moest het Frans nederlagen tegen de realiteit slikken.
Ambtenaren bezigen er nu franglais of frenglish, maar het is duidelijk in welke richting de wereldeconomie zich ontwikkelt. Met name door Aziatische groeistaten zal het Esperanto van de toekomst Globish zijn, ofwel ‘cafeïnevrij Engels’, waarbij vergeleken het Verkavelingsvlaams zo ongeveer Latijn is.
Abram de Swaan beweerde in Woorden van de wereld dat koloniale talen hun macht behouden, doordat het onderwijs elites kan blijven kweken. De ouders die hun inheemse kinderen naar zulke scholen sturen, doen aan collusie. En de gemarginaliseerden steunen – De Swaan gebruikt de term ‘medeplichtig’ – die status quo van uitsluiting nota bene, door het cynische principe van de taaljaloezie waarin etnische groepen elkaars dialect niet gunnen een alternatief voor anderen te zijn, laat staan voor het geheel.
De begunstigde gebruikers kennen op hun beurt het spreekwoord: ‘Engels is de taal voor de airco, de inheemse taal is voor de veranda.’
Een quizvraag tot slot, mede vanwege het nakende kerstmenu. In De manke usurpator schrijft Kevin Absillis dat in Vlaanderen de zegswijze ‘vlees noch vis’ regeert en boven de Moerdijk ‘mossel noch vis’ (2012: 88). Maar Johan De Schryver citeert uit een schoolboek iemand die de in dezen geloofwaardig klinkende achternaam Taeldeman draagt en volgens wie tussentaal ‘noch mossel noch vis’ is (2012: 144). Wie wint nu wiens hart?

Naschriftje 16 december
Vandaag meldt de dagkalender van Loesje: ‘Kleur in je leven hoeft niet per se binnen de lijntjes’. Dit Noord-Nederlandse product met verfrissende perspectieven krijgt zijn teksten overal vandaan. Ook uit België, vermoed ik, waar de uitspraak, die natuurlijk refereert aan kindertekeningen, niet de meest originele is in het dagelijks spraakgebruik.


donderdag 6 december 2012

Misschien een heel stom vraagje

Marc Hooghe zette onlangs de kunstenaarsprotesten tegen een percentageverhoging op hun ‘bevrijdende roerende auteursrechtenvoorheffing’ in een breder perspectief. Hij ontwaarde draaicirkels van belangenverenigingen die, ook met erkenning van de crisis, voor zichzelf een uitzondering willen. Hieruit vallen twee zaken af te leiden. Het resultaat staat of valt met de mondigheid van de belangengroep, en het algemeen belang blijft buiten zicht.
Ironischerwijs publiceerde Hooghe, socioloog in Brussel, op dezelfde dag nog een opiniestuk, bij de concurrent. Daarin plaatste hij kanttekeningen bij de afschaffing van de Beneluxtrein op 9 december: ‘De Belgisch-Nederlandse grens is 450 kilometer lang. Het is schokkend vast te stellen dat er over heel die afstand slechts drie plaatsen zijn waar je via het spoor de grens kunt oversteken. West-Berlijn was ten tijde van de blokkade nog gemakkelijker te bereiken dan Nederland nu.’
Het is het zoveelste artikel dat, nadat een petitie meer dan 15.000 handtekeningen opgeleverd heeft en de deadline begint te naderen, is geschreven over dit besluit. Elke tekst verstrekt andere valabele argumenten. Erg moeilijk is dat niet, omdat er weinig voor de afschaffing pleit. Ja, de financiën, zij het niet van regeringen maar van bedrijven die treinreizigers en belastingbetalers koud laten.
Dat tevens een politicus een zinnig woordje meesprak, was nog het ergste. Bij ontstentenis van rationele redenen voor de liquidatie van de Beneluxtrein staan, na de privatisering van de publieke dienst die openbaar vervoer is, ook landsbesturen er als kleine kinderen bij te kijken.
Maar wat zeur ik, nu dezelfde politici, ongetwijfeld vanwege ‘geplande werkzaamheden’ al op 3 december, hebben onthuld dat ‘het spoorconflict tussen Nederland en België opgelost’ is?
De capitulatie voor de vrije markt hebben ze bijgebogen langs Breda (als hommage aan de fameuze bouwer van de Fyra?), en daarna wordt het weer overstappen en reserveren en extra betalen. Nog een geluk dat zo’n schijnverbetering maar acht keer per dag haar beslag krijgt. En dat ze ingaat vanaf april, zodat de reizigers nog maar vijf maanden in de regen hoeven te zitten om dan in de drup te komen.
Dat aan een omweg geen extra kosten zijn verbonden, is geen argument maar een evidentie. Net als een overgangsregeling voor abonnementhouders. En dat anderen meer moeten betalen omdat ze sneller in Brussel of Amsterdam zijn, is misschien gunstig voor declaratievirtuozen en transcontinentale toeristen die in een week Europa doen. Veel wordt ook verwacht van het eens per uur tuffende boemeltreintje tussen Roosendaal en Antwerpen waar ‘aansluiting is voorzien’. Dat regeren ondertussen vooruitzien blijft, toont deze suboplossing ter zake: ‘Vervoerders zullen proberen deze stoptrein een kortere reistijd te geven met ingang van dienstregeling 2014.’ Dan blijkt het te gaan om ‘meer dan 5 minuten’ winst.
De meerderheid van mensen op het traject komen uit allerlei tussenliggende plaatsen, en hebben een simpel doel: de grens oversteken. In dat licht is deze redenatie acrobatisch: ‘Door het vervallen van de Beneluxtrein kan NS een tweede intercityverbinding tussen Zeeland en Amsterdam via Roosendaal opzetten, waardoor de binnenlandse reizigers van de Beneluxtrein een betere treinverbinding krijgen.’ Geen wonder dat het papieren spoorboekje terugkomt! En dat bij de geplande vaart der volkeren tussen Brussel en Amsterdam in de laatstgenoemde plaats de trein binnen een kwartier tweemaal stopt.
Er is de befaamde grap over de twee mannen die naar Parijs gingen – eindelijk een variant. Arme conducteurs, amper bekomen van de innovatie van de ‘persoonlijke assistentietoeslag’ op dit nochtans eerbiedwaardige traject.
Als het niet zo treurig was, zou het humor om te lachen worden. Twee landen die ongeveer dezelfde taal spreken, in het Verenigd Europa. Die zeker na de Bolognaverklaring vele armlastige studenten binnen de grenzen hebben gekregen en die vanwege het klimaat het openbaar vervoer aanbevelen (en de fiets). Nu mensen vanwege de huidige oplossing massaal van plan blijken te zijn dan maar de auto te nemen, liggen er extra stroken asfalt in het verschiet.
Deze minachting voor de democratie is een schitterende gelegenheid om de indrukken van Marc Hooghe logenstraffen.
Mijn beroepsgroep van literaire auteurs zou zelfs kunnen aantonen dat ze in de wereld staat. Afgelopen week heeft ze er voor warmgelopen. Een door de gemeenschap gesteund bedrijf voor literatuurpromotie wilde conform zijn core business de naam van haar vestigingsplein in Antwerpen veranderen en beloofde daar een stevig dossier over. En natuurlijk reageerde toekomstig burgemeester Bart De Wever en het is zo mogelijk nog geloofwaardiger dat Tom Lanoye vervolgens van beide Vlaamse kwaliteitskranten een podium kreeg om zijn mening over de naamkwestie te geven. In tweemaal 1250 woorden, op de huidige schaal dus ter grootte van tweemaal tien boekrecensies.
De honderden comments op Lanoye toonden een identieke verbondenheid als, dezelfde dag, in Nederland de website GeenStijl bij een inspectie van de interne literaire keuken.
Deze synergie zal de Beneluxtrein redden. Want de verontwaardiging blijft, ook van het Twitterfront en van het gemeenschapsmedium Facebook. Of is het middel van de staking door de spoorwegen zelf uitgehold? Dan kan de klant-is-koning-retoriek dienen.
Wat zou er gebeuren indien men 9 december de Fyra neemt zonder te reserveren, laat staan te betalen?
Ik kan me ook voorstellen dat er, juist op die zondag, een eredienst wordt gehouden voor het boemeltreintje tussen Roosendaal en Antwerpen waarin zoveel reizigers hun hoop hebben gesteld – wie zou er iets willen missen van staties als Essen, Wildert, Kalmthout, Kijkuit, Heide, Kapellen, Sint-Mariaburg, Ekeren, Antwerpen-Noorderdokken en Antwerpen-Luchtbal? Gelet op de voorspelde sneeuw en zon, hetgeen vast niet leidt tot een ‘aangepaste dienstregeling’, zou de trein mogen worden ingepakt in zilverpapier, op een wijze waar Christo niet van terugheeft. Maar wees er tijdig bij, want zoals bekend zijn de plaatsen beperkt.
Wat ik me niet kan voorstellen is, dat mensen zich neerleggen bij besluiten waar met kracht van argumenten tegen is bewezen dat niemand ermee gediend is. Zou Marc Hooghes diagnose geen uitzondering mogen krijgen, voor het algemeen belang, zonder opgestoken duimen en vooral zonder woorden?

Naschrift
Nog meer woorden.
De juichende reactie van de spoorwegautoriteiten op het feit dat er binnen een uur al 3000 reservaties waren, is cynisch. Het feit tekent niet het succes van de Fyra, maar de nood van reizigers hun kosten zo min mogelijk extra te laten oplopen.
Dat er bovendien een flexibele kortingsregeling is getroffen met ambtenaren van het Europees parlement, verraadt niet alleen hoe dubieus het nieuwe product is, maar schaadt het imago van ‘de politiek’ in het algemeen en ‘die zakkenvullers in Brussel’ in het bijzonder.
Dat voor het radioprogramma Joos schrijfster Margot Vanderstraeten overigens een sentimentele laatste reis op de Beneluxtrein maakte en daarbij mijmerde over creatieve impulsen die uit traagheid zouden voortkomen, was evenzeer naast de kwestie. De kleine drie uur die de oude trein nodig had om van Brussel naar Amsterdam te raken, behelst alleen een slakkentempo in de perceptie van iemand voor wie alles altijd sneller moet. Maar is daar eigenlijk behoefte aan?
In jaren zeventig heeft als experiment om de trein aantrekkelijker te maken de ‘Intercity Plus’ gereden. Voor zes gulden extra, best veel voor die tijd, kreeg je dan krant en koffie erbij. Ook was het interieur dermate gemoderniseerd dat de associatie opdoemde met ‘vliegtuigen maar dan groter’. Onder meer was aan de stoel voor zich een ‘lectuurnet’ aangebracht.
De nieuwe monopolisten op dit traject, de Fyra en de Thalys, hebben behalve hun duurdere prijs gemeen dat ze zelden op tijd rijden (als ze niet uitvallen).


Tussenbalans
Na een week valt over het voorspelde fiasco de combinatie van leedvermaak en berusting op. Het is heel passend dat de Nederlandse premier Rutte per auto naar België komt, om na overleg met collega’s te zeggen dat het aan de spoorwegen zelf is om kinderziektes op te lossen. Dit na doldrieste eisen achteraf uit zijn eigen parlement.
Dat de meeste Fyra’s, net als hun minstens zo prijzige alternatief de Thalys, vertraagd zijn of helemaal niet rijden, is geen verrassing. De daarop volgende klachtencascade evenmin. Wel dat media en aparte twitterkanalen dag na dag een onduidelijke hetze aan het ontketenen zijn, die redelijkerwijs leiden tot het lynchen van conducteurs. Helemaal bizar is dat na het gejuich over het aantal reservaties, de geplaagde woordvoerder weigerde te antwoorden op de vraag hoeveel passagiers de (altijd bomvolle) Beneluxtrein had vervoerd: de vergelijking was zijns inziens oneerlijk omdat voor die laatste mogelijkheid niet hoefde worden gereserveerd. Ook bleek het in Nederland, met zijn louter door economen te verklaren dynamiek, onmogelijk geld terug te vragen wanneer de aansluiting op de Fyra werd gemist doordat een andere hogesnelheidstrein vertraging had: dit zijn twee aparte ondernemingen.
De nieuwe tussennepoplossing dat er onder de noemer jump-on niet meer hoeft gereserveerd te worden tot over vijf maanden de officiële nepoplossing van de trein Antwerpen-Breda van kracht is, zij het tegen betaling van 15 euro extra, volgt een perverse logica waarin ofwel reizigers ofwel bedrijven moeten buigen.
Vooralsnog biedt de internationale Fyra een aanblik die in Nederland bekend was: grotendeels onbezet. Daartegenover staat dat het boemeltje tussen Roosendaal en Antwerpen afgeladen vol is, wat leidt tot treurige verhalen, onder meer van een politicus en een auteur.
En iedereen blijft erbij staan en kijkt ernaar, terwijl er simultaan berichten hier en daar bovenkomen over verontwaardigde consumenten in Engeland die het niet accepteerden dat Starbucks belasting ontdook – en het megabedrijf om kregen. Toch is er een verschil: de koffieketen is nooit in handen geweest van de overheid.

zondag 2 december 2012

Opwaarts en niet deleten

Haal gauw die rosjfoe-ko erbij –‘vaak is men standvastig uit zwakte en moedig uit bedeesdheid’. Ontnuchterend onderzoek uit Nederland. Zowel volgens Gabriël van den Brink als volgens Mark Bovens zoekt de middenklasse sinds enige tijd via ‘opleidingshomogamie’ niet alleen intern soelaas, maar selecteert daarbij ook etnisch. Verse gettovorming: autochtone ‘hooggeschoolden’, wat dat nog moge betekenen, scheppen hun eigen universum.
Het afzetpunt moet snel veranderd zijn. In 2000 kon Meindert Fennema empirisch bewijzen dat bij politici de integratie bijna was gepiept. Van samenwonende allochtone raadsleden had een derde een Nederlandse partner, en bijna de helft had één tot zes familieleden met een Nederlandse partner.
Ik heb reeds mijn ten berge rijzende haardos trachten te evoceren bij de muiterij tegen de eerste versie van het regeerakkoord, het Telegraaf-Wiegel-oproer voor eigen geldelijke glorie zeg maar. Dit zou nu plausibel zijn: men verdedigde veroverde posities. Ongemakkelijk is dan dat mijn eigen beroepsgroep in België zich niet meer tevreden stelt met de status van ‘arm maar sexy’ (Klaus Wowereit, geciteerd uit Koen Haegens’ Neem de tijd) maar zich deze week betuigd liet na de nakende verhoging op de ‘bevrijdende roerende auteursrechtenvoorheffing’. Voor ons maandinkomen, uitzonderingen daargelaten, kan een consultant nog geen halve sheet out of zijn box toveren. Toch zal een werknemer van een ngo in ontwikkelingswerk nooit bij elkaar gelobbyd krijgen wat kunstenaars wisten te bereikten. Ik vrees wel dat ze gratis stemmen hebben binnengehaald voor de N-VA door Lampedusa in Artistikistan te situeren. Het is dan ook niet voor iedere sterveling weggelegd om in een verstandshuwelijk met de media via het sjibbolet ‘creatief’ weer een antagonisme te scheppen met barbarisme – het besparingsplan was in drie dagen van de baan.
Bovenal heb ik met mijn open mind, desnoods te legitimeren met dikke boeken in meer talen waaronder soms Frans zonder Google Translate (‘on est souvent ferme par faiblesse, et audacieux par timidité’), bemerkt dat ik aan het nieuwe middenklassenprofiel voldoe. Ook de kennissenkring blijkt, even empirisch gestaafd, keurig opgeleid en in melk gedoopt. Bankiers ken ik dan weer niet. Kleurlingen met wie ik geregeld contact heb, zijn winkeliers, schoonmakers of crèchepersoneel.
Nog treuriger. Het taalkundig genie zit op een gemengde kleuterschool en begint zich wat te vervelen. Daarom mag ze meedoen aan een zogeheten kangoeroegroepje, met nog vier kindjes uit haar jaar – allen blank, allen van hoogopgeleide ouders. Hopelijk ervaart het peloton schooltaal niet als berg.
Hoe overleeft dan mijn medium, altijd in voor iets?
Een bekend programma op Poetry International, een festival dat zeker geen xenofobie celebreert, heet Het juiste woord. Daarin gaat het om interpretatieproblemen en oplossingen bij het omzetten van poëzie uit de hele wereld naar het Nederlands. Maar wacht even, dan spreken vertalers, over hún vondsten, vaak wel met bereidwillige medewerking van de maker van het origineel.
In een ander succesnummer, Doorfluisteringen, wordt een gedicht van een deelnemer door collega’s omgezet in telkens een andere taal, totdat de oorspronkelijke taal terug is en het ontstane verschil blijkt. Maar wacht, dan blijven de beslissingen in het proces onbelicht en is het louter lachen om het resultaat, vaak wel onder een vriendelijke blik van de bedenker van het origineel.
Misschien iets neutralers, een interview. Dan zit de dichter gewoon achter een tafel en kan hij vertellen over zijn praktijk in het land van herkomst. Maar dan moet er een bemiddelende taal worden gesproken, bij voorkeur Engels, voor het publiek natuurlijk én omdat er in dit format meestal twee dichters tegelijk aan de tand worden gevoeld, over een thema als ‘humor’ of ‘nieuwe media’. Wel luisteren ze vaak beleefd naar elkaar.
Afgelopen jaar kon ik op de openingsavond ternauwernood voorkomen dat achter de naam van Jan Lauwereyns behalve zijn geboorteland België ook zijn huidige woon- en werkland Japan op het meeleesscherm werd geprojecteerd. Waarom was een collega-emigrant als Leo Vroman (of desnoods ik) dan exclusief een Nederlander? Beheerste Lauwereyns de uitheemse taal beter? In De smaak van het geluid van het hart vertelde hij te ploeteren met kanji’s, de voor westerlingen extreem ingewikkelde ideogrammen. Om Lauwereyns’ publicaties in het Engels, waarin hij het kangoeroestadium al heeft bereikt, zouden zijn vorige pleisterplaatsen de Verenigde Staten of Nieuw-Zeeland passender geweest zijn.
Dat de rest van de week de fout in ere werd hersteld, had ik kunnen weten. Eens mochten voor een programma over Herman Gorter buitenlandse dichters in vijf minuten hun mening geven over een vertaald fragment uit Mei. Eigenlijk viel het mee dat dit culmineerde in een door publiekshandgeklap ondersteunde rappoging van een zestigjarige dichteres. Op basis van het aangeleverde materiaal viel immers niets te zeggen. Het ging om de daad van het zeggen, over een streekproduct.
De schermprojectie bij Lauwereyns zei onbeschroomder dat ‘Japan’, veel meer dan ‘Nieuw-Zeeland’ of ‘de Verenigde Staten’, zelfgecertificeerde ontvankelijkheid voor andere culturen behelst. Bij Franse dichters uit (half-)Afrikaanse ouders wordt het betreffende land van dat niet-westerse continent eveneens vermeld.
Rond dergelijk narcistisch exotisme zijn in België onlangs ferme uitspraken gedaan, ook naar aanleiding van literatuur. Rachida Lamrabets debuut zou veel verzet hebben ontmoet in de kritiek omdat daar een oude masculiene blanke overmacht zou zijn. Ik keek daar een beetje van op. Ten eerste denk ik dat dit getalsmatig onwaar is, ten tweede lijkt in de Lage Landen juist exotisme cultureelindustrieel rendabel, en ten derde leid ik uit lezing van de betreffende roman af dat die mannen als poëticaal ideaal nog immer het modernisme zouden voeren. Gelukkig is Lambaret nu breed geaccepteerd en boekt ook iemand als Chika Unigwe triomfen.
Misschien was mijn verlangen te groot iets geweldigs te ontdekken in hun romandebuten. Bij veel Afrikaanse en soms Zuid-Amerikaanse poëzie ben ik op dezelfde barrière gestuit. In elk geval overtuigt bij westerse schrijvers een soortgelijke stijl me als teken van een beperkte ambachtelijkheid.
Is er een punt denkbaar, waarop een middenklasse ‘open kan staan’? Komt het ‘downdaten’ vanzelf terug? Of kangoeroes nu ver- of hoogspringers zijn, eens landen ze (daar weet ik een leuke studie over, met een lapjesdier in de hoofdrol).

zondag 25 november 2012

Halleluja

Het beest is onder ons. Dit weekend heeft het taalkundig genie Kikker te logeren, die ik ken als een frappant op zijn schepper gelijkend fictioneel wezen, maar die uiteraard ook te verkrijgen is als gadget, met een handige gleuf onder zijn nek voor het poppenspel. Als mascotte van de klas verblijft Kikker elk week ergens anders. Hij heeft een rugzak bij zich, met onder meer een knuffel, een groene handdoek, een groene washand, shampoo (van Jip en Janneke), tandpasta (aardbeiensmaak) en een tandenborstel.
Iedereen wil natuurlijk het beste voor zijn kroost, da’s altijd zo geweest, en we willen ons absoluut niet laten voorstaan op een legendarische Vlaams-Hollandse gastvrijheid, maar we zijn al wel wat gewend, ook betreffende het mee-eten. Aan onze tafel is naast de plaats van de gourmande permanent een vijfde stoeltje aangeschoven, waarop een kale babypop zit en een teletubbie.
Samen met het taalkundig genie heb ik Kikker daarstraks in zijn pyjama gehesen en verder. Ze had me meer dan eens op het hart gedrukt dat we bij het tandenpoetsen moesten doen alsof. Maarten had dit namelijk niet begrepen en sindsdien heeft Kikker een verbeten trek om zijn mond. Inmiddels slapen ze al – kikker, zijn knuffel en het taalkundig genie, bedoel ik. Ik vermoed dat zij, gestoken in haar nieuwe slaapshirt met het opschrift ‘TOUCH ME (and I’ll kill you)’, droomt over morgen.
Bolkenstein heeft gezegd dat ouderen niet alleen vanwege de pensioenen en gezondheidskosten duurder zijn maar ook minder geneigd tot ‘innovatie’ dan jonge mensen die eerder bereid zijn ‘risico’s te nemen’. Inderdaad zal Kikker vanaf morgen te bewonderen zijn in een revolutionair fluorescerend hesje, zodat hij net als het taalkundig genie beter zichtbaar is in het verkeer. Redelijkerwijs gaat haar dit bij de juf een beloning opleveren die bij mijn weten nog niet onderhevig is aan inflatie: een stempel.
Dat het beest waarlijk onder ons is, ervoeren op een oneindig grimmiger niveau omwonenden in de zaak-Vaatstra. Hoe absurd het ook klinkt (‘Een Nederlander snijdt geen keel door, hij wurgt liever’), de dader blijkt echt geen asielzoeker. En dat zo kort na de ontdekking van een splinternieuw dier, de junglepoes: ‘Hoge jukbeenderen, ravenzwarte haren en een brede lach die een gebit blootlegt dat wijst op een afkomst waar de orthodontist een mensenrecht is.’
Wel gaat het om een beest dat van oorsprong een mens was, uit Denekamp, maar in Colombia een lichtelijk andere aard begon te vertonen: ‘de kille guerrillastrijdster voor wie executies even normaal zijn als het drinken van ochtendkoffie in de jungle.’ Zou Starbucks ook daar een nieuw filiaal hebben geopend, inclusief belastingomleidconstructie, via Denekamp dan?
Naar het stuk dat deze primeur uitserveerde, waarin het alsof verzonk, verwees Arnon Grunberg gisteren in zijn Voetnoot op de voorpagina van de Volkskrant:

In een groot interview door Robbert-Jan Friele dat afgelopen zaterdag in de Volkskrant stond, zei Tanja Nijmeijer dat de FARC wapens had opgepakt ‘ter verdediging van een groep mensen die altijd enorm is mishandeld en misbruikt.’
Sommige mensen noemen Nijmeijer een terroriste, maar in Zuid-Amerika doen de methoden van de staat niet onder voor de terroristische methoden van de vijanden van de staat.
Verder kunnen we ons het onrecht voorstellen als inbreker. Nijmeijer wil die inbreker doodslaan, iets wat de heer Teeven en driekwart van de Nederlanders toejuichen. Toegegeven, de meeste Nederlanders zijn alleen bereid hun eigen inbreker dood te slaan. Nijmeijer wil ook andermans inbrekers doden, maar dat is naastenliefde.
Ook brengt zij haar idealisme in praktijk in de periferie en niet in Nederland, geheel conform de westerse strategie oorlogen in de periferie uit te vechten (Afghanistan, Irak).
Kortom, Nijmeijer verdient een lintje van onze koningin.


Wat willen deze 147 woorden? Ik heb de indruk dat hier het wat-je-zegt-ben-je-zelfargument weer eens van stal wordt gehaald. Het is vooral populair op internet, dat de ontmaskering wil laten zien, omdat alles te reduceren blijkt tot een pakketje schroot met een dun laagje chroom. Daarmee citeer ik Het Goede Doel, een fenomeen waar ook, conform de regels van de onbegrensd geliefde sport meelopen en zeker sinds het regeerakkoord, steeds vaker het banale en blinde egoïsme van wordt onthuld.
Het alsof in het algemeen en dat beschaving evengoed een dun laagje vernis is (bij de ander?), schijnen thema’s in het werk van Grunberg waarin ik nog niet verder ben, maar volgens mij gebruikt hij de woorden ‘wij’ en ‘onze’ ironisch, en de woorden ‘idealisme’ en ‘naastenliefde’ cynisch. Wat zegt dat binnen een maatschappij die nivelleren en solidariteit als pejoratieven ging beschouwen? Is het een idee wanneer Grunberg zijn embedded reportages eens uitprobeert aan de zijde van Nijmeijer, in de gerieflijke jungle van Colombia?
Ondertussen wil het alsof er bij de gourmande niet echt in. Nu de herfst definitief lijkt ingetreden, hebben we tegen de tocht voor een paar deuren van die langwerpige kussens gelegd, in de vorm van dieren. Twee muizen, om precies te zijn, en nu durft de gourmande daar niet meer naar binnen of buiten en moeten we haar telkens over de muizen heen tillen.
Al onze pogingen om haar angst te bezweren mislukken. Vermoedelijk speelt de geschiedenis hier tegen ons. Hoe vaak heb ik de gourmande niet gezegd dat ik haar zo lief vind dat ik wel een stukje van haar zou willen opeten? Hoe vaak heb ik haar niet voorgelezen uit Roodkapje (de integrale hap van de boze wolf valt wel integraal te repareren)? Vanmiddag heb ik mijn beide voeten op een muis gezet, eentje op zijn kop en eentje op zijn staart, en verzekerd dat er nu dus geen enkel gevaar meer was om eroverheen te stappen. Puur logisch bezien was dat misschien niet zo slim. Net als een eerdere, geruststellend bedoelde uitspraak mijnerzijds: ‘Wees maar niet bang, de muis slaapt.’
Wat zou er gebeuren wanneer de junglepoes zich tegen de tocht voor de deur zou posteren? Ik weet bijna zeker dat, uiteraard nadat de objectieve internationale pers vertrokken zou zijn, de gourmande met liefde over de drempel zou stappen. Hopelijk had ze daarbij te horen gekregen dat ze niet bang hoeft te zijn.

zondag 18 november 2012

Langsam, schleppend

Frank Zappa liet het in het midden. Terwijl een markt afbrandde, nam iedereen ‘a turn to stomp & smash & bash & crash & slash & bust & burn’. Maar dat zong hij al ‘watching and waiting’. Iemand schreef ooit dat de meeste muzikanten illusieloos zijn wegens een gekoesterde, heilige weerzin van de ongeneeslijke snotneus in de mens. Je weet dat Zappa, over dat tafereel solerend op zijn gitaar, met gilletjes opgezweept werd door zijn toetsenwonder George Duke (zeker op de versie van Roxy & Elsewhere, een elpee die bekend raakte bij een breed publiek, zij het door de kwinkslag ‘Jazz is not dead, it just smells funny’). Is toekijken hetzelfde als getuige zijn?
Momenteel worden we overspoeld door berichten uit Amerika, over een generaal en nog een generaal en vrouw en nog een vrouw – iets waarvan mij, niet als enige, de portee ontgaat, behalve dat me wetenswaardigheden in de maag worden gesplitst die ik niet wil weten. Tegelijk speelt een toonaangevende Vlaamse krant het klaar om een wisseling van hoofdredacteurschap te begeleiden door een interview dat op zichzelf een nieuwe vrijetijdsbesteding introduceerde, een combinatie van sport en muziek: het aanfluiten. Het leidde tot een interview bij de concurrent:

Kan u iets zeggen over het vertrek van uw voorganger?
‘Neen, dat moet u aan mijn uitgever vragen.’
Die verwijst me door naar u.
‘Dan blijven we in kringetjes draaien, maar toch ga ik er niet op antwoorden.’


Snap jij zulke bescheidenheid? De journalist die een klein uur meeluisterde met het genezingsgesprek tussen Michele Martin en de vader van Julie omdat de gsm van een bemiddelaar op de grond was gevallen en toen automatisch contact maakte met het nummer van die journalist, liet de veroorzaker van dit ongelukje tenminste opdraaien voor de kosten, interlokaal maar misschien tegen dalurentarief.
Er viel een folder in de bus met als opschrift ELKE GRAM TELT. Ik dacht, ja, da’s waar, hier met die toenemende drugshandel bij de speeltuin. En las over oud goud. ‘U wordt betaald aan de dagkoers’. Would ya like some mora?
Een naar een vrouw vernoemde storm legde Wall Street lam, en meer? Waar Zappa heterogeniteit wist te schakelen, verwekte deze Sandy een tweesporenbeleid in de wederopbouw: bankierachtigen eerst, dan de Dickens-personages.
Elk op de Gazastrook van zijn geweten zoekend naar een dynamo of naar familiebetrekkingen?
Stel dat een bankier die onwel wordt op straat een behandeling krijgt die hij zijn klanten geeft. Op het hoogtepunt van de hypotheekbubble heeft een CityBanks-topman verordend: ‘As long as the music is playing, you’ve got to get up and dance.’ Nee, zeg dan liever achteraf: ‘Ik ben nooit bankier geweest en mijn begrip van die materies is relatief oppervlakkig.’
Hopelijk heb ik dat oordeel, nu je me aanbeveelt nooit meer kwaad te worden, niet te scherp uitgesproken. Iemand schijnt, als ik het me blootshoofds goed herinner, geschreven te hebben: ‘Schelden is een vorm van Hollandse wijsbegeerte’.
Ik knipte de televisie aan. Het zal je wel niet interesseren, maar het ging over literatuur! Nu ja, over een sponsorprijs, die zich ‘de belangrijkste’ wist. De voorzitter uit het maatschappelijke veld legde net zijn decorum af om een cliffhanger van één minuut lang op te zeggen inzake de bekendmaking na het journaal. Toen bleek dat ‘de winnaar’, maar dit bleek uit de vakpers, te verklaren viel uit het feit dat hij ‘vaker was genomineerd’.
Buitel ik weer in een atavisme? Iemand schreef: ‘Calvinisme is niet dood, het ruikt alleen anders’.
Naast calvinisten stonden ook andersgelovigen, weet je nog, op het kantelpunt van de jaren zestig naar zeventig aan de wieg van Solidaridad. Deze interconfessionele organisatie doet aan armoedebestrijding in wat de Derde Wereld heette maar waartussen inmiddels een paar grootverdieners zitten (Argentinië, Brazilië), die door de crisis op hun kantelpunt balanceren. Uit Solidaridad kwam, vlak voor de val van de Muur, Stichting Max Havelaar voort, een zogezegd seculiere tak.
Laatst was het bal. Fair trade cacaoboeren in Afrika zouden van Havelaar geen hogere prijs ontvangen dan uit het reguliere inkoopvoorgeborchte. Het zou hun zelfs ontgaan dat ze fair trade zijn. Volgens de hedendaagse zede bleek Havelaar degene bij wie het geld aan de strijkstok hangt en kregen aantijgingen van ‘legale corruptie’ en ‘smerig neo-imperialistisch altruïsme’ weerwoord van de baas. Volgens hem gingen opbrengsten naar coöperaties waarbij boeren, van wie een gedeelte niet kan lezen en schrijven, zich hebben aangesloten om sterker te staan, en probeert de stichting in hun belang volumegroei te realiseren. Wat jij?
De medeoprichter van Max Havelaar en huidig directeur van Solidarad, dat het keurmerk Utz in petto heeft, snapte met pijn in het hart de kritiek. Mij lijkt dit soort berichten koren op de molen van lui die geageerd hebben tegen mogelijke gevolgen van de inkomensafhankelijke zorgpremie voor hun portemonnee. Liefhebbers van Radiohead schijnen te bewijzen dat de jaren zeventig nog massaler worden verdrongen dan aangenomen, maar voor onverhoopte bekommernis om de gevolgen voor de teruggedrongen ontwikkelingshulp, was hier het ultieme tegenbewijs.
Berlusconi (76) kent tenminste geen weggegooid geld. Heb je meegekregen wat hij riep na zijn veroordeling tot vier jaar cel wegens fraude? ‘Als je er in een land niet van mag uitgaan dat de rechters onpartijdig zijn, dan wordt dat land onciviel, barbaars en onleefbaar, dan houdt zo’n land op een democratie te zijn.’ Nog een geluk dat hij een wet had uitgevaardigd dat politici boven de zeventig straffen thuis mogen uitzitten, en dat hij dan om dezelfde reden na één jaar amnestie krijgt. Mocht het ondenkbare gebeuren en de man overlijdt, liggen er hopelijk genoeg standbeelden voor hem klaar. Op elk daarvan zal een bepaald stukje zijn gepolijst, met de geheel vrijblijvende suggestie Kiss my aura.
Nooit meer aanfluiten dus? Bij een bericht over iemand constateer ik dat deze gaande de jaren uit mijn gedachten is geraakt, terwijl ik, vanuit een ander land, zijn postcode nog kan opzeggen. Daarom spelen we een liedje.

zondag 11 november 2012

Hier blijven half alle oogenblikken

Hoewel er met Obama’s herverkiezing en het Chinese partijcongres grote slachtpartijen op de wereldagenda stonden, was ik afgelopen week vooral wat ontdaan door twee sterfgevallen. Misschien juist omdat het twee heren op zeer respectabele leeftijd betrof – danig veel oudjes zullen lang leven zonder dat de meerderheid van hen over voldoende middelen beschikt (gaan kippen tzt wraak nemen door in bejaardenfabrieken bij de populatie het dagelijkse eet- en geneespilletje weg te pikken?).
Dankzij de taaltrendantenne van Van Kooten en De Bie bestaat er zoiets als een krasse knar, maar de invulling daarvan is velerlei. Het fysieke aspect valt te aanschouwen bij Grace Jones die, voorbij haar zestigste, als een routineoefening gedurende de volledige lengte van ‘Slave to the Rhythm’ de hoelahoep (het taalkundig genie zegt: helahoep) rond haar heupen laat draaien.
Minstens zo bewonderenswaardig is het vermogen alert te blijven. Dat toonde Elliott Carter. In het laatste interview voor zijn dood staat zijn teller op 103 jaar en hij is volop in de weer met celliste Alisa Weilerstein. Niet alleen charmeert hij haar. Wanneer ze uit zijn werk begint te spelen, uit hij detailcommentaar terwijl hij met zijn ogen zowat in de partituur moet kruipen. Mij dunkt dat Weilerstein geïnspireerd raakt. Carter krijgt extra glans in combinatie met die andere avant-gardist, Anton Webern. De een stierf door een onnozel misverstand vroegtijdig en de ander leek, tot deze week althans, niet te kunnen vergaan.
Mijn tweede betreurde is Clive Dunn. Voor mij is hij verbonden met de comedyserie Dad’s Army. Daarin speelt hij met zoveel panache een van de oudsten dat hij, natuurlijk, een van de jongste acteurs is geweest (heden leeft louter private Pike nog). Hij blijkt uit dat type eveneens winst te hebben gepeurd als zelfstandige. Zijn hit ‘Grandad’ uit 1971 werd bedacht door Herbie Flowers, bassist op Lou Reeds weinig later verschenen Transformer. Op die elpee arrangeerde Flowers het oubollige ‘Goodnight Ladies’ en speelde er tuba op, een fremdkörper dat met de kennis van Dunns hit, voor mij na vier decennia, alsnog begrijpelijk wordt.
Wie zelden of nooit Dad’s Army heeft gezien, kent mogelijk toch twee zinnetjes die door Dunn in zijn rol van korporaal werden uitgesproken: ‘Permission to speak, sir’ en ‘Don’t panic’. Beide zijn performatieve boemerangs. Het laatste zinnetje bezigt de korporaal tegen ondergeschikten en heeft het tegenovergestelde effect, en met het eerste eist hij aan hoger geplaatsen iets op wat het zojuist had geannexeerd. Ik lees nu dat Dunn een overtuigd socialist was en zijn captain Mainwairing in werkelijkheid een conservatief.
De serie is in die zin Engels dat er standsverschil wordt uitgespeeld. Het is de sergeant die de klasse bezit (met bijbehorend succes bij vrouwen, inclusief zweem dat private Pike zijn kind is). Dad’s Army blijft waarschijnlijk herkenbaar, omdat de hoogste in rang alleen formeel de baas is. Hij bekrachtigt besluiten die anderen, al dan niet brutaal, genomen hebben. Soms lijkt het zelfs of Mainwairing pas als laatste de regie krijgt. Uitgerekend hij moet zich het meest aanpassen aan de omstandigheden, en vanuit deze basis, gevoegd bij zijn achterafpraatjes dat alles gepland zou zijn, werkt het effect van deze reeks. Het kan evengoed tragisch heten. Zo toont het zich althans, oneindig subtieler, in de Deense prachtserie Borgen, momenteel op de Vlaamse televisie, waarin een premier, die wel zelfkritiek heeft, zich hoofdzakelijk bezighoudt met het ruimen van puin dat door voorgangers, collega’s en journalisten wordt geschapen.
Dit gegeven vreet aan de autonomie en wordt saillanter met de discussie over de vrije wil, die door hersenonderzoek is herontbrand. Het schijnt business as usual dat mensen fabuleren om andermans gedrag en oordeel tot dat van zichzelf te maken. Dat kunnen Obama – voor zover hij dat al niet ervaren had door de republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden – en de partijbonzen te China alvast in hun zak steken!
Nu ik het er toch over heb. Dezer dagen stond de omgeving in het teken van Sinte Metten of Maarten, zoals hij in Nederland heet. Voor diens glorie zingen kinderen aan de deur, in ruil voor zoetigheden die zich volgens het oorspronkelijke lied, nog door Wannes van de Velde gezongen, beperken tot een appel of een peer. Of een koek of een pastilleke, dat in dit zorgstelsel van chocola is. Gisteren heb ik een Sinte-Metten-avondoptocht gezien. Zacht gezang en lampiongeflakker langs deuren. Soms gingen ze open, vaker bleven alle rolluiken dicht.
Vandaag was het een rare dag.
Ondertussen hebben in mijn geboorteland, ver weg binnenkort, de verse regeringsbazen in zichzelf de captain Mainwairing ontwaard. Doordat ze de zorgpremie inkomensafhankelijk wilden maken, begon niet alleen de onvermijdelijke Hans Wiegel te roepen dat dit ‘nivellerender dan Den Uyl’ is, maar haakten vele VVD-stemmers af. Het is me niet ontgaan dat door de melkkoe van de kenniseconomie het klassenonderscheid van Dad’s Army vervaagde en dat overal ter wereld de middenklasse de klos is en wellicht heb ik de laatste tijd te veel teksten gelezen waarin ondernemers klagen over hoge kosten en waarin ‘overleg met sociale partners’ wordt geëist omdat de banenmarkt ‘rigide’ is en ‘flexibeler’ moet voor ‘de concurrentiekracht’ – maar ik word langzamerhand moe van vingers die bij het geringste plan dat in de ether komt op de eigen knip gaan.
Ditmaal sputterden inkomens vanaf tweemaal modaal: zo’n 66.000 euro of hoger dus… Mij is onbekend wat Sint Maarten opstreek in de tijd dat hij zijn overjas doormidden hieuw voor een blote bedelaar, maar tegen nivelleren maakte hij in elk geval niet bij voorbaat bezwaar. Sterker, volgens een voornaamgenoot was hij schrieperig geweest: ‘Aan u naaste in nood / Gaaft gij een helft, geen ganschen mantel.’
Maar misschien had de bisschop in de vierde eeuw na Christus nog niet uit de vakliteratuur begrepen dat zijn daad een geïnternaliseerd voorschrift van een Derde was. In hoeverre kan Die zich eigenlijk vrijwaren van invloed? Ondermaans waagt de naar verluidt machtigste man ter wereld niet verder te kijken dan ‘four more years’. En elders?

zondag 4 november 2012

Something to be sure

Nu de Vlaamse Boekenbeurs bezig is, kun je er vergif op innemen dat hoon uitgaat naar successchrijvende televisiekoks. Je kunt je echter afvragen hoeveel procent van de literaire populatie de spirit heeft om aan het bestaande meer toe te voegen dan designconformisme. Een mespuntje respect lijkt op zijn plaats. Ik meld me voor vergelijkend warenonderzoek. Helaas, in tijden van het Noord-Nederlandse regeerakkoord biedt mijn voornaam zelfs foutief gespeld louter een platform voor guillotinaire toestanden. Een ander voorbeeld kan gelukkig volstaan: zelfs in de beste families, weet ik toevallig, verwijst de zonder blikken of blozen over tafel gaande ‘Jeroen’ niet naar Brouwers noch naar Mettes noch naar Olyslaegers.
Dat mijn bijnavoornaamgenoot in het defensief zit, komt natuurlijk door mogelijke gevolgen van het regeerakkoord, getiteld Bruggen slaan. Uiteindelijk lijkt voor stemmers de portemonnee nog meer een graadmeter dan een krantenkop. Dat onder de bevolking spijt afgetast wordt voor steun aan een partij terwijl de formatie nog aan de gang is, en dat de officiële opiniepeiler op ditzelfde item doorgaat na het regeerakkoord, dus nog altijd voordat het kabinet is begonnen, vind ik nogal luguber. Wel amusant dunkt me dat amice Bolkenstein de term ‘linkse broeders’ al uit de mottenballen gehaald heeft.
Het zijn feestelijke, maar prangende tijden. In het banenbijvoegsel bij de weekendkrant vertelde een columnist dat het dermate rustig was op zijn werk dat hij het koffiezetapparaat niet had aangesproken en uit een Senseo had genomen – voor consumptie moest alleen het schuimslib nog weggeschept. De index van het bijvoegsel die normaal een dubbele, meerkolommige pagina nodig heeft voor een overzicht van de vacatures, was deze week zelfs met grotere regelafstand miniem, omdat er vier (4) banen te besolliciteren waren.
Een reden te meer dat literaire auteurs als bekendheden meedoen aan vakantieprogramma’s, zelfs in de zuurste lucratieve worsten happen die hun voorgehouden worden, en dat televisiekoks boeken zijn gaan publiceren: iedereen kent het recept van een appeltje voor de dorst. Of zou het publiek niet capabel zijn om werkelijkheidniveaus te onderscheiden? Vanmorgen speelde het taalkundig genie poppenkast met haar handdieren achter de stoel van de gourmande die ademloos toekeek totdat de draak de rugspijlen begon aan te vreten.
Wel heb ik inmiddels een aantal afleveringen van Dagelijkse kost gezien en steevast refereerde ‘Jeroen’ aan gewoontes van zijn ‘grootmoeder’. Is over literair auteur Willem Wilmink, die zich positioneerde als gewone man, beweerd dat hij op basis van zijn verhalen een grote familie moet hebben, bij ‘Jeroen’ heb ik het vermoeden dat hij het grootste aantal grootmoeders van de hele wereld heeft. Dit bezit kan renderen. Mij bleek de afgelopen jaren uit de koffiebranche dat alles wat met oma’s te maken heeft staat voor betrouwbare kwaliteit en authenticiteit. Hoewel mij is verteld dat de mijne zich vooral bezighielden met kwijnen, moeten grootmoeders uitzonderlijk druk en bekwaam zijn geweest. Ook op culinair vlak. En ik beken, in mijn bezit zijn meerdere recepten van hachee en hangop, maar op het moment suprême zoek ik altijd mijn heil bij Grootmoeders grote keukenboek. Nostalgische recepten en praktische tips.
Waren grootmoeders ook beter in taal? Theoretisch gezien konden ze in dat geval helderder denken. Ik ben retrospectief benieuwd wat ze zouden vinden van de openingszin van Bruggen slaan: ‘VVD en PvdA delen een onverwoestbaar geloof in de toekomst, een rotsvast vertrouwen in wat Nederlanders samen voor elkaar kunnen krijgen en de diepe overtuiging dat ons land de komende jaren een stabiel en daadkrachtig kabinet nodig heeft om hiervoor kracht en energie vrij te maken.’ De vetjes heb ik zelf toegevoegd, ter overweging, gesteld dat een agent het regeerakkoord aanbiedt bij een literaire uitgeverij. Ik acht dat denkbaar vanwege de personificatie in de titel, die duidelijk de tweede regel wil vervangen van het extreemlinkse canongedicht dat begint met ‘Rozen verwelken’.
Het zal deze ambitie zijn die de bepaling in het regeerakkoord heeft veroorzaakt waardoor immigranten, willen ze in aanmerking komen voor een uitkering, het Nederlands moeten beheersen. Aan die eis kleeft wel nog een technisch bezwaartje, plus wat ideologisch basaals. Maar daarna zijn we allemaal familie, waarschijnlijk met muziek en zonder poespas.
Door Beertje Pippeloentje had ik ontdekt dat het taalkundig genie het woord ‘visite’ nog niet kende.
Mijn respect voor televisiekoks is ondertussen aangezwollen. Een gemarineerde rodekool van 'Jeroen', of van één van zijn grootmoeders, liet zich uitstekend combineren met falafel in een pitabrood, zodat de schijnbaar oer-Vlaamse keuken een mediterraan tintje kreeg waarbij het spreken van Nederland en Nederlands doofde.
Uiteraard kan ik het me als zelfverklaard kritisch schrijver niet permitteren me slechts inlands te laten inspireren.
Toen ik onlangs op een pompoen bij uitzondering niet ‘het recept van Jamie’ losliet, wiens roostervariant in die zin very cunning is dat er niet voor hoeft te worden geschild, merkte ik bij een andere, niet eens volledig geslaagde bereidingstip dat, terwijl schillen normaal mijn raison d’etre is, bij deze polyvalente vrucht ontspanning een serieuze en imperfecte inspanning kan worden.
Is daarom ook mijn ontzag gegroeid voor de Amerikanen? Ik bedoel, wat die deze weken zonder taalbarrières, too big to fail, ter gelegenheid van Halloween aan pompoensnijwerk in Europa hebben weten te introduceren, grenst aan het onwaarschijnlijke. Nog even, en ik word echt bang geen mening te hebben.

Update
De cascade van bijvoeglijke naamwoorden in Bruggen bouwen blijkt door formateur Bos al te zijn ingedamd, vergeleken met Samsoms origineel – eat your pie!

zondag 28 oktober 2012

Verraad

Over de Spaans-Catalaanse dichter Joan Margarit heb ik elders al eens geprobeerd op mijn manier kritisch te wezen, maar vergat daarbij de fundering (van mijn elixer). Een bundel gewijd aan het overlijden van zijn dochter Joana, schreef ik, gaat wel sterk over hem zelf. Is dat eigenlijk een zonde?
Spannend vond ik het toch worden aan het slot, als Margarit bekent niet altijd meer aan haar te denken. Ietsje minder, leek me zo, dat hij daarvoor vergeving vraagt. Een andere bundel meldt, wellicht ten overvloede, dat verraad een vorm van liefde is.
Het verhaal van het vergeten moet uitverteld. Margarit, of zijn lyrische ik, heeft zijn besef ’s morgens vroeg en gaat dan koffiezetten. Waarna zijn vrouw uit de slaapkamer komt en, nogal onmisbaar, zegt dat het lekker ruikt.
Een omkering van een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Impasse’ door M. Nijhoff. Daar mag de vrouw dan wel eveneens het laatste woord hebben, zij is er ook degene koffiezet voor hem, die verlegen zit om stof.
Maar onderwerpen hebben de Margarits genoeg. Bij benadering ongeveer evenveel als het aantal zekerheden over het aards bestaan, waarover Epicurus zich eens heeft uitgelaten, bijna net zo schrander als zijn collega Haas in een boek van de immer melancholieke – en uiterlijk sterk op zijn schepper lijkende – Kikker, ten overstaan van een onbeweeglijk vogeltje:

‘Iedereen gaat dood.’
‘Wij ook?’ vroeg Kikker verbaasd.
Dat wist Haas niet zeker.
‘Als we oud zijn misschien.’


Overigens zag ik laatst in de stad een gemeentewerker met een nieuwe schoonmaakmachine inclusief grote slurf een regenplas wegzuigen.

zondag 21 oktober 2012

Vrij

Is het een sign of the times dat er in Antwerpen een rouwstoet is geweest voor zeventig jaar socialistisch beleid, of dat aan dat publiek vertoon, nadat er Project X-gelijk een oproep op Facebook over was uitgegaan, zestig deelnemers waren of dat reacties op dat aantal smaalden?
Mij interesseert het dat definities kunnen worden opgerekt, maar ook aan de postideologische rekbaarheid van ‘socialisme’ komt een eind. Maar wat is dat voor een woord?! Ik was het juist eens geworden met Alain Badiou die in een Affirmationistisch Manifest voor het einde van de eindes is, en voor het maken van een begin. Misschien is het aardiger te kijken naar het doel van de onderneming, zodat er evengoed liberalisme bij betrokken kan worden: vrijheid.
Op dat idee ben ik mede gekomen door een particulier initiatief. Mijn dames wou ik namelijk zo vroeg mogelijk lijfliederen geven voor een onderdak. Na enig heen-en-weer-getest werd het bij het taalkundig genie ‘Mijn tante heeft een olifant’ van Jan Blaaser en bij de gourmande de tune van Swiebertje. Dat laatste nummer is nogal bijzonder.
Zoals bekend heeft Jan Kuitenbouwer een link gelegd tussen de serie en het gedachtegoed van Wilders, maar ik vind het fijner iets concreets bij de hand te hebben. Welnu, op tekst van Johan uit den Boogaard en muziek van Harry de Groot zong Joop Doderer samen met kinderkoor De Damrakkertjes het volgende:

Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn ingedeukte hoed
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber die steeds malle dingen doet

Hij leidt een vrolijk leven
Hij luistert nooit naar raad
Om zijn brutale grappen
Maakt Bromsnor zich vaak kwaad

Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn uitgestreken snoet
(…)

“Ik hou van lekker eten
Dus ga ik vaak naar Saar
Kom ik daar op visite
Nou, dan staat de taart al klaar”

Dat zegt Swiebertje
Rare Swiebertje
(…)

“Ik hou van lekker slapen
Liefst in een berg hooi
Daar leg je lekker warm en
Daar droom je toch zo mooi”

Dat zegt Swiebertje
(…)

“Ik hou veel van mijn vrijheid
Die raak ik niet graag kwijt
Maar één man die bedreigt me
Dat is Bromsnor zogezeid”

(…)


Vrijheid staat hier diametraal op gezag, zodat de titelzwerver en de veldwachter Bromsnor antipoden worden. Iedereen die wat van de serie heeft gezien, weet echter dat het conflict altijd binnen de grenzen van de gemoedelijkheid blijft. Ook zijn de wensen of dromen van Swiebertje weinig radicaal, veeleer basaal. De term ‘mal’ leeft voort in een ongevaarlijk soort amusement en humor van spelletjesprogramma’s.
Swiebertjes bescheiden vrijheidsdrang valt te dateren op beginjaren zestig, terwijl de fameuze jongerenprotesten uit dat decennium mogelijk blinken in een citaat van Kris Kristofferson dat door Janis Joplin postume verbreiding kreeg: ‘Freedom’s just another word for nothing left to lose’. Het tegenwicht van gezag is dan aanzienlijk uitgebreid, beperkt zich amper nog. Persoonlijke en culturele verledens mogen worden afgeschud voor het genot van de vrijheid in een permanent heden.
Met terugwerkende kracht krijgt het woord ‘ballast’, dat Herman Brood geregeld gebruikte, een programmatische betekenis. Een volstrekt andere invulling daarvan – en dus ook van het concept vrijheid – zag ik afgelopen zomer, op de wellicht warmste dag van het jaar, fietsend in the middle of nowhere langs een Vlaams kanaal. Daar marcheerden in het tenue van een jeugdbeweging lagere scholieren, begeleid door twee pubers. Ze droegen een volle bepakking onder de brandende zon, wat het toch al niet korte kanaal onafzienbaar maakte. De kleinste van het stel, nog geen tien, liep voorop met een vaandel.
Als Nederlander beleefde ik de dooddoener dat tolerantie verdwenen is in angst om ergens wat van te vinden. Dus fietste ik door, met mijn kinderen, narationaliserend over een marge van onduidelijkheid hoe principieel principes zijn. Onloochenbaar is dat ik aan het kanaal vrijheid negatief zag ontspringen: in banden van een voorgeformuleerde gemeenschap.
Hier moet ik verder over denken, omdat duidelijk is dat er makkelijke reflexen opspelen. Dat weet ik ook als immigrant, die in de Lage Landen de onhoudbaarheid van zekerheden over de achterhaaldheid van nationale verschillen ondervond. En die met een gezin, hoe klein ook, evengoed een gemeenschap vormt. ‘Men deelde met elkaar wat er was: het deelbare en het ondeelbare’, schrijft Pol Hoste in 99 (help, een boek dat niet overbodig is).
In de tussentijd teer ik op Le gamin au vélo van Jean-Pierre en Luc Dardenne, een van de mooiste films die ik in jaren heb gezien, al was het op dvd. Het verhaal draait om een jongetje dat er alles voor over heeft om bij zijn vader te zijn, waartegenover een nobele onbekende kapster een bijna onmenselijk goedheid vertoont om bij de jongen te zijn. Vrijheid schuilt in een verlangen naar een minigemeenschap.
Twee scènes heugen: een waarin de onverschillige vader, aan wie het jongetje steeds toevoegt dat hij hem niets kwalijk neemt, hem met twee pollepels laat roeren in sauspannen, en een waarin het jongetje dermate teleurgesteld is over hem dat hij in de kapsalon telkens de kraan van een wasbekken opendraait en de irritatie, ook bij de goede fee, aanzwelt.
De kijker heeft sensaties voorbij de identificatie met personages, richting solidariteit.
In een begeleidende documentaire lichtten de gebroeders Dardenne enige keeldichtknijpende scènes toe. Zij deden dit uiteraard door toelichtingen op camerabeweging en kadrering en stippen jakobsoniaanse equivalenties in het scenario aan.
Aan het slot is het jongetje, getroffen door een steen van een rancuneus slachtoffer, uit een boom gevallen en ligt voor dood op aarde. Dan staat hij op, negeert omstanders en pakt een zak houtskool onder de arm, hijst zijn fiets recht en rijdt in een lange boog de linkerhoek van de camera uit. Die boog gaf mij de indruk van optimisme – dat alle, tot dan toe schier onontkoombare, ellende valt te reguleren. Een événement zoals Badiou zich voorstelt als katalysator van een waarheidsproces?

zaterdag 13 oktober 2012

Things don’t seem the same

De affaire-Armstrong werpt evengoed een licht over Bart De Wever. Afgelopen zomer hield de berichtgeving niet op over zijn dieet, en thans, in het laatste rechte eind naar de finish van de verkiezingen, blijkt dat N-VA staat voor Nieuw Vlaams Aspartaam. Om de voorsprong van de peilingen te behouden graait de man onbeschaamd uit suikervervangers.
Geef hem eens ongelijk. Getuige de televisiefictiereeks Deadline 14/10 over de verkiezingen in Antwerpen spannen pers, politiek en politie permanent samen. Etappewinst voor de ‘korte lijntjes’? De slotaflevering ruimde een open einde in voor de hoofdpersoon, een journaliste, a poor lonely cowgirl far away from home (Gent). Ze wist oprecht niet wat ze zou gaan doen in de toekomst, nadat ze de waarheid had onthuld. In plaats van foefelen wil de N-VA de hele koers nu herstructureren, wat tot uiting komt in de slogan De kracht van de verandering – het blijft wennen aan de verhuis van linkse eigenschappen.
Nu wil ik niet suggereren dat Canderel en EPO één pot nat zijn, maar toevallig heb ik deze week onder meer zitten lezen in Pleidooi tegen volmaaktheid van Michael J. Sandel. In dit boek over ethische marges bij gentechnologie gaat de aandacht meer naar de betrekkelijkheid van verschillen. De filosoof uit Harvard zegt inzake sport droog dat iedere atleet zijn erfelijk materiaal met zich meedraagt en de strijd altijd ongelijk is geweest.
Ook roept Sandel het momentum op dat atleten gymschoenen kregen en daarmee een onachterhaalbare voorsprong namen op alle voorafgaande ongeschoeide generaties. Hij memoreert de film Chariots of Fire, gesitueerd in het Engeland van de jaren twintig. Daar pleegden atleten al verraad aan de geest van de amateursport indien ze een coach hadden. Omdat de mening van bestuurders van de Universiteit van Cambridge er telde, kwam tevens een sociaaleconomische component bloot.
Nog immer kan niet iedereen zich gymschoenen permitteren, in wat voor een meer of minder gesofisticeerde uitvoering ook. En doping? Sandel vertelt over Amerikaanse farmaceutische firma’s die werken aan ‘cognitieverbeteraars’, waarmee eveneens natuurlijk geheugenverlies kan worden tegengegaan. Voor die innovatie bestaat een commercieel aantrekkelijke groep van babyboomers, die het ‘Viagra van de hersenen’ zonder een al te grote aanslag op hun budget kunnen inkopen.
Klassentegenstellingen kunnen vervolgens groeien, redeneert Sandel, doordat volgende bevoorrechte generaties ook toegang hebben tot deze middelen. Dan zouden er verbeterde en natuurlijke ondersoorten van de mens ontstaan. Het is fascinerend zulke argumentaties te volgen. En bijvoorbeeld te beseffen een sukkel te zijn als ouder, die zijn kinderen niet tot op de tanden bewapend aan de poort van de arbeidsmarkt brengt. Anekdotes van Sandel over bedragen die worden neergeteld voor testvoorbereidingen van kinderen op prestigieuze universiteiten, het liefst na ‘diagnose-shoppen’ voorzien van een gecertificeerde leerstoornis zodat ze bij de ultieme toelatingstest meer tijd krijgen…!
Kan het dopingschandaal dus worden gebagatelliseerd? Zeker niet. Maar juist in deze weken van de verkiezingen waarin reclamebudgetten wel degelijk een rol spelen, in deze weken van ontgroeningen ook waarbij studenten van elitaire clubs hun investering de stoepen met hun kots te schrobben hopen terug te krijgen, begin ik te snakken naar berichten van mensen die niet plots ‘schoon schip willen maken’, of die het niet ‘eigenlijk al altijd hadden geweten’, en niet naar programma’s die zulke uitingen op de snijplank van het achterafdebat leggen.
Zelfs met het honderdvoudige van Armstrongs EPO in mijn aderen kan ik nog niet de staart van het peloton bijhouden.
In het voorbijgaan dist Michael J. Sandel overigens interessante feiten op. Dat India een land is waar veel gebruikt wordt gemaakt van echo’s waarop het geslacht van baby’s in de dop zichtbaar wordt (en waarna meisjes vaak de sigaar zijn). En dat Mitt Romney bij het door Bush jr. gevetode stamcelonderzoek vond dat het mocht met embryo’s die overblijven van vruchtbaarheidsbehandelingen, maar niet met embryo’s die specifiek voor onderzoek zijn aangemaakt.
Sandel bepleit terughoudendheid, om te vermijden dat technologie en commercie gaan instrumentaliseren. Hij is dan weer niet bang voor het befaamde hellend vlak, waardoor steeds minder goed te definiëren valt wat acceptabel is of niet, al was het omdat een precedent zo is geschapen. Hierin ben ik minder optimistisch. Ik ben dan ook geen denker maar een zware taalgebruiker, die vastgelegde afspraken door curieuze interpretaties in rook kan zien opgaan.
Maakt dat bij mij professioneel ongekende krachten los door een bijwijlen tamelijk obstinaat perfectionisme, Sandel noemde zijn boek niet voor niets The Case against Perfection. Voor het leven koestert hij een blij soort verering, waarbij zijn niet-aflatende respect voor van alles en nog wat mij soms een beetje vermoeit. Betrekkelijkheid en nuances hebben ook weer geen alleenrecht, vind ik. Al was het simpelweg omdat er soms gekozen moet worden.
Toegegeven, dat laatste is precies wat Lance Armstrong ergens in zijn carrière gedaan heeft. Vervolgens heeft hij, in een heel spectrum tussen intimidatie en bevoorrechting, verbluffend veel mensen met zich mee weten te krijgen. Mij intrigeert de illusie die bij hem en de kringen eromheen ontstaan is, onkwetsbaar te zijn. Een aansprekend detail dunkt me wat ik op mijn beurt de Purple Haze-affaire noem. Even ter herinnering het eerste couplet van Jimi Hendrix’ origineel:

Purple haze all in my brain
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don't know why
’Scuse me while I kiss the sky


Misschien had ik gewaarschuwd kunnen zijn door Sandel, volgens wie stimulantia in de jaren zestig en zeventig ‘recreatief’ bedoeld waren, om zich uit de wereld terug te trekken, terwijl nu producten als Ritalin en Adderall de wereld wensen om te vormen zodat de op competitie gestoelde ethische deviatie er naadloos in past. Toch was ik gechoqueerd dat het gevoel van onoverwinnelijkheid zo groot blijkt geweest, dat Armstrongs toenmalige ploeggenoot David Zabriskie een eigen versie had gezongen ten overstaan van de ploegleider:

EPO in all my veins
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don’t know why
’Scuse me while I pass this guy