zaterdag 31 december 2011

F.C.

Een megasupermaxfeitje in de Nederlandse literatuur afgelopen jaar: Geerten Gossaerts Experimenten vierde zijn eeuwfeest. De bundel bleek een geval van overvoltooiing: de twintig gedichten van het origineel werden er ultima manus zestig. Ondertussen raakten Gossaerts diverse niet-literaire interesses gebald onder zijn burgerlijkestandsnaam F.C. Gerretson. Hij leidde een publiek leven, van hoogleraar over CHU-kamerlid tot Telegraaf-medewerker. In gemeenschapskunst, voor ‘het grauw’, zag hij niets.
Gossaerts dichterschap heeft volgens mij alleen nog prominente steun van Hafid Bouazza die geen hinder ondervindt van ‘bezielde retoriek’ en een ritme dat niet uit spitzen maar paardenhoeven opklinkt. Terwijl autochtonen bekennen mondjesmaat poëzie te proeven (‘soms een gedicht, boek wegleggen’), adviseert Bouazza slempen, zodat het gedicht zich kan nestelen in de bloedbaan. Dit past bij de stamina van Gossaerts volkomen gekunstelde lyriek.

Helena in Ægypte

... Toen stond hij stil
En zag rondom zich, luisterde en snoof...
Maar geen vervolging tierde achter ons.
Rondom ons sloot de eenzaamheid. Alleen
Een rauwe bergbeek, buldrend in ’t ravijn,
Bekende nors de sombre heerschappij
Der stilte, ontzachwekkend als de dood.
En toen, in vreemde heete razernij,
Smeet met een plotsen ruk hij ruglings mij
Neêr in de ruigte en, over mij gebukt,
Zag ’k éenen oogwenk ’t bloeddoorlopen oog
En rooden, siddrende vertrokken mond
Eer hij mij met zijn uitgespreide hand
’t Gelaat bedekte en mijn weêrstrevend hoofd
Naar achtren over drukte in ’t vaarnen bed
En met het bot geweld van breede knie
Den opstand en het onbewust verweer
Geprangder dijen en gekromder kniên,
Mijn teêre borsten morzlende, bedwong...
Toen, plotsling willoos, roerloos uitgestrekt
En stil het raadloos wentelen des romps,
Doorvoer mij van de zolen tot den scheel
Eén lange smartelijke siddering
En ’k proefde ’t speeksel, schuimende op mijn mond,
Wrang, als het sap van de ònrijpe vrucht
Des wìlden wijngaards.

Geenszins ab ovo, zoals volgens de mythe Helena zelf, toont de [niet op deze blog zichtbaar te krijgen] halve witregel in het begin dat zij getuigt tegenover onzichtbare derden (rechters, oppergoden?). Dit spreken wordt versterkt door het herhaalde ‘Toen’. Na de eerste keer zegt Helena pas ‘ik’, als een diepe zucht voor ze weer iets voor het voetlicht brengt. De adem van de verontwaardiging reguleert de parenthetische stijl.
‘Helena in Ægypte’ doet verslag van een verkrachting. Geschreven rond 1905 zou Gossaert zich er, mede getuige de vijfvoetige jambe, nog niet ontworsteld hebben aan de Tachtigers. Wel geldt hij in de literatuurgeschiedenis als hun antipode. Experimenten was een poëticaal eindstation – dat dit gedicht pas mocht meedoen in de derde druk van 1919, zou verhulling wezen.
Helena, de veelbezongen aanleiding van de Trojaanse oorlog omdat ze geschaakt was door de appel voor een euro inruilende überconsument Paris, sprak Gossaert kennelijk aan. In het Vlaamse tijdschrift De Boomgaard stond een ‘Fragment’ waarin zij vanuit hetzelfde Egypte aan het verlangen is naar huis. Ook figureert Helena in ‘Euphorion’, dat haar een protestantse pers geeft:

Niet ijdel is het oudherkomstig woord
‘Dat meest ontvalt dien het meest bezit’
En beter is het niet tè schoon te zijn
En niet tè machtig en vooral – vooral
Niet tè gelukkig; want geluk is nauw
Der goden deel, doch menschen voegt het niet.

Dit lange gedicht had een sonnettendebuut moeten openen maar landde in de trechter van Experimenten. Daaraan ontsnapte Gossaerts bedoelde afsluiter, zijn vroegste (XXe Eeuw) publicatie ‘Palonidie’, officieel een gedicht dat uitlatingen herroept. Deze voert Helena vol lof op: ‘Ik dank u – meerder dan ik ooit kon prachen/ Hebt gij geschónken – wereld-liefde en -lust’. Gossaert-poëzie is toneelmatig, met veel apostrofs ook. Ze lijken breekijzers om buiten de fictie te raken. ‘Palonidie’ noemt dwaas degene die ‘zijn zinnen het meest op ’t spel der menschen zet’.
De godin draait mee in ongewenste omstandigheden. Ageert of gedoogt ze? Ambivalent in ‘Helena in Ægypte’ oogt de focalisatie. Het gedicht was ook te vroeg voor Gossaerts gestaltepoëzie met personages als scherm waarachter blootgeven doenlijk is. Maar toch, indien je de begin- en slotregel voor het metrum elkaar last, sluit de vijfvoetige jambe niet helemaal.
Vanuit de losse pols zullen er antidemocratische ideeën in te bespeuren zijn, die de maker hebben gepromoveerd tot meester in the gentle art of making enemies. Dan doemt echter Gerretson, met zijn Groot-Nederlandse opvattingen. In de jaren zestig kregen ze een steuntje van de Boerenpartij, die haar electoraat vond in steden. De opvattingen zouden nu populair moeten zijn, hoewel Dubravka Ugrešić vermoedelijk een punt heeft dat fervente verdedigers van eigen geschiedenis en cultuur niet veel afweten van hun stokpaard. Ze hebben de wereld ook niet bereisd, zegt ze, maar bekritiseren vanuit de draaicirkel van één plek alles daarbuiten. (Gossaert ontvluchtte het ouderlijk huis naar Mexico en als assistent van Colijn bestreek hij de hele aardbol.)
Het bekritiseren heeft wel een traditie geschapen. Stilaan is het kerstbetoog van de koningin onaf zonder een nijdige tweet van Wilders. Om dat te begrijpen helpt het essay ‘De koppige openbaarheid der opinie’ van Dirk Lauwaert, gebundeld in zijn boek Onrust. Hij vertrekt vanuit de historische kant van de mening die het geboorterecht van het vrije individu tekent. Men kon er zichzelf in plaats van een opgelegde waarheid mee verantwoorden, en voorarbeid verrichten voor een daad die suggesties gaf. Nu is de opinie, vooraf aan een dialoog, een fait acccompli. Ze serveert eigendunk en bedreigt de publieke sfeer die informatie vermarkt.
Ontspruit de kritiek op het niet-eigene nog uit ‘de arbeidersklasse’ of uit ‘de hardwerkende middenklasse’? Voor de overtuiging genegeerd te worden bestaat sowieso een gelijkluidende uitweg: opzouten! Toevallig ontdekte ik een verzamelelpee uit 1970, getiteld ’t Oproer kraait. Daarop zingt Jenny Arean, met koor, ‘Zo gaat-ie goed!’. Het lied huldigt volk dat niet meer met zich laat sollen na ‘de verlossing van de regentenknoet’. Wederom voer voor het cliché dat linkse thema’s zijn verschoven: regenten heten heden intellectuelen, multiculturalisten et cet. De oorspronkelijke titel van het lied was ‘Ça ira!’, uit 1789, toen de Bastille bestormd werd. Multiculturalisme op z’n Hollands is volgens Bouazza een lachertje omdat het cultuur zou begrenzen tot gastronomische en sartoriale gebruiken, ‘de karikatuur van interesse’, ‘de chimaera van de tolerantie’. Er is volgens hem geen spreekwoordelijke melting pot, waarbij de som groter is dan de delen.
Maar Gossaerts poëzie onttrekt zich aan elk geheel.

vrijdag 30 december 2011

Sluiertaal is erger dan een boerka (Henk en Ingrid)

In het woord ‘literatuur’ past de doelgroep ‘elite’ op een haartje na, maar in ‘lectuur’? Een old fashioned ‘cleuter’?
Zegt Martha Nussbaum: ‘Mensen houden van solidariteit binnen een peergroup omdat die een soort surrograatonkwetsbaarheid biedt, en het is dan ook niet verrassend dat wanneer mensen anderen stigmatiseren en vervolgen, ze dat in veel gevallen doen terwijl ze deel uitmaken van een op onderlinge solidariteit gebaseerde groep.’
Voorts moeten toegeven dat mijn reactie op Bye bye koeienvlaai, de actuele afscheidsgroet van het taalkundig genie, niet equivalent bleek (Tabee kipsaté).
De gourmande wil ineens melk en thee, brood en cracotte. Dan begint het rispen, ontwaart ze de emmer, werpt zich naar haar moeders andere schouder en spuugt de keukenvloer vol.
Wist Goede Tijden Slechte Tijden al: ‘Het ideaal komt langzaam dichterbij / Maar spat uiteen zodra je het wilt vangen / De nieuwe kansen maken je weer blij / Nooit komt er ooit een eind aan dat verlangen’.
Het nieuws verbaast niet dat er in Rusland een ministerie voor Noodsituaties is.

vrijdag 23 december 2011

Keerzijden

Hoopvolle ontwikkelingen? De veelbesproken promotie door Time van de activist tot persoon van het jaar zie ik vooral in contrast met de toekenning uit 2006 aan You. Die kreeg toen een compliment voor het grijpen van de teugels der mondiale media en voor het mede vormgeven van een digitale democratie waar niet de instituties maar individuen zouden spreken. Dank ging uit naar alle gratis burgerjournalistiek waarmee professionals op eigen terrein zouden zijn verslagen. Ik heb me nooit kunnen ontdoen van het gevoel dat die gelauwerde websurfer evengoed behersenprikkeld kon wezen. Mij, en ongetwijfeld anderen, stemt het vrolijker dat de schijnwerper zich nu richt op een diffuse massa die iets veranderen wil.
Tegelijk is toetsing aan de praktijk aangewezen. Toen ik gisteren als rijbewijsloze meneer de trein naar het vaderland moest hebben, was dat zinloos door een algemene staking. Die bleek op haar beurt vergeefs: de gewraakte pensioenhervorming werd binnen de dag aangenomen. Raar allemaal. Waar ik er op basis van ervaringen als EU-grensarbeider van uitga in de toekomst nergens ‘recht’ op te hebben, is bij het harde middel van de staking, dat ook de vorm had kunnen hebben van gratis reizen, de noodzaak van de conflictstof hopelijk gevoeld. Mogen stakers geen belastingbetalende, het bordje van het pensioen in de lucht houdende allochtonen het land uit hebben gewenst.
Helemaal mooi zou het zijn indien babyboomers, die werkelijk elke denkbare wind in de rug hebben gehad, enige afstand zouden willen nemen van hun ‘verworven rechten’. Mocht dit onnozel klinken, het is conform hun eis in de jaren zestig die terug in de actualiteit geraakt is. Dick Pels wijst in Het volk bestaat niet op het breed heersende gevoel van democratisch tekort, dat destijds heerste en zijn comeback maakte vanwege de de-ideologisering in paarse regeringen. Als de uitkomst niet zo triest was, zou het ironisch zijn dat de machtsomstoters van weleer ressorteren onder populistische bewegingen van heden (Henk te Velde suggereert in Van regentenmentaliteit tot populisme zelfs fijntjes dat Mulisch de voorloper is van Pim Fortuyn).
Vandaag bereikte mij een nieuwjaarswens per mail, ‘Beste persrelatie…’: zou dat letterlijk bedoeld zijn?
Door het vervagen van links-rechts-tegenstellingen, stelt Dick Pels, kon Fortuyn een nieuw antagonisme lanceren: buitenstaanders versus gevestigden. De invulling van die termen is zeer uiteenlopend geweest, maar zo bezien ontmoeten tegenpolen elkaar zonder verpinken. De Occupy-beweging acht zich toch even niet-vertegenwoordigd als de Teaparty? De vraag kan dan ook zijn of de zelfgeproclameerde 99% op enige manier te vergelijken valt met de 70% die in Nederland geen hogere opleiding had. Dat laatste refereert aan de ‘diplomademocratie’, waarbij volgens mij twee dingen relativering behoeven. Het huidige niveau van opleidingen problematiseert het ooit zo kwaliteitsgegarandeerde etiket ‘academisch’ en bij reële macht doorkruisen – niet aan kennis gebonden – netwerken alles en iedereen.
Pels heeft gelijk: populisme kan geen intermezzo heten en verdient geen neerbuigendheid zonder zelfonderzoek. Er zijn immers ontwikkelingen en op grond daarvan dienen zich nieuwe feiten aan, zoals in de voetballerij er ook een BRIC (Barcelona, Real, Inter, Chelsea) is gekomen. Zelfs indien de voorspelling uitkomt dat in 2012, volgens Wilders zelf het ‘jaar van de waarheid’, de PVV sneeft, dan zijn de kiemen van het populisme allang gezaaid in vele, zoniet alle partijen. Maar om dat hard te maken zouden partijprograms van de laatste veertig jaar synchroon en diachroon moeten worden bestudeerd. Ook vrees ik dat ‘links’, misschien nog zwaarder dan onder het moedeloos vaak gesignaleerde gemis van een richtinggevend Verhaal, gebukt gaat onder de angst populistisch te zijn.
Dit zou voor protestbewegingen betekenen dat ze er verstandig aan doen kennis te nemen van de meest platte kritieken. Zoals de Occupy-beweging al een verfrissende reality check heeft doorgemaakt, zo is het toch onthutsend om zich de reikwijdte voor te stellen van reacties als van een VVD’er die vond dat uitkeringstrekkers uit de kampen gepikt moesten worden, van Gingrich die het beter achtte dat de demonstranten zich eerst eens wasten, van jongeren die de beweging onsympathiek weinig concreet achtten terwijl er consumentenmacht valt te halen…
Is dat willekeurig over andere burgerprotesten uit smeren onversneden cynisme?
Ik weet niet of zulke uitingen kunnen worden ‘ingekapseld’. Maar het is al heel wat om niet in dezelfde val van de karikatuur te trappen. Een van de meest belangrijke teksten die ik in 2011 denk te hebben gelezen, is een interview met Leopold Lippens, burgemeester van Knokke en broer van de gewezen Fortis-topman. Uit zijn vermakelijke tirades tegen prinzipienreiters die hij bijvoorbeeld moeiteloos in ecologische groepen ontwaart, vallen argumenten te halen. Ze helpen bij het scherper krijgen van zijn wereldbeeld. Correctie, al zou hij de aanduiding zelf wellicht ontkennen: van zijn ideologie.
(Dat ook bij de verheffing van de activist ‘ideologie’ not done is, lijkt een vak apart. Maar de smetvrees blijft intrigeren. Recent waarschuwde zelfs een juryrapport tegen ‘dichterlijke ideologie’, alsof men bloot en los van het steeltje in het leven staat.)
Alles helpt tegen het idee van objectiviteit. Dat lijkt de kern van de murwe consensus, tegen de legitimiteit en feitelijke waarde van verzet, die zich na paarse regeringen allerhande van het denken én van media meester heeft gemaakt. Zelf luister ik nota bene barmhartig naar ons taalkundig genie, die nu spreekt over ‘Jeezuus’, meer nog dan over de Kitty die we altijd weer moeten begroeten, schijnbaar zonder ooit afscheid te nemen. Op elk moment van de dag kan subjectiviteit geraakt worden.
Dit lijkt me alvast vruchtbaarder dan zich met de ontelbaren mee verkneukelen over het wonder van verdrietuitbarstingen voor het oog van de camera bij het onderdrukte volk in Noord-Korea na de dood van dictator Kim Jong-il. Ik zie ook weinig verschil tussen deze collectieve hypnose en het etalagegedrag van publicisten die op de smetteloze Twitter nieuwsjes in hun branche reproduceren en elk gepost schrijfseltje bij hun followers aanbevelen. En mochten er eens een paar woorden meer bij zijn, over andere stukken bijvoorbeeld, dan blijkt de missie ‘lees’ hilarisch dubbelzinnig: ‘doe jij het maar, want mij ontbreekt het aan autonomie’.
Nu nog iets waars maar niet diepzinnigs en toch lekker van de bek.

woensdag 14 december 2011

Cruijff zegt dat het ’m in de details zit

Met grote ogen rondwandelend in Het is zo vandaag als altijd, een bundeling columns van Marjoleine de Vos, valt me op dat geregeld zinnen beginnen met de persoonsvorm, zonder onderwerp. Het weggelatene is steevast ‘ik’. Plots waan ik me in andere tijden. Mij is geleerd om brieven, kaarten en dies meer (blogposts?) nooit met ‘ik’ beginnen. Mijn moeder was zo streng in die leer dat ze zelfs in de slotzin nog formuleerde: ‘’k Wens je…’
Bestaat dat nog, een wereld van voorgeschreven verschil? Toen bevatten agenda’s een kopje Titulatuur en mij staat de ambivalente gewaarwording nog levendig bij dat mijn vader door een promotie op zijn werk van ‘weledelgestrenge’ was veranderd in ‘hoogedelgestrenge’. Nu heb ik niet voor niets een tijdje over poëzie geschreven onder de titel s.s.t.t., maar ik ontkom er niet aan gegrepen te zijn door De Vos’ ellips.
Weer eens wat anders dan de schaamte na de ontdekking zowel in de voorpublicatie voor een (gesubsidieerd!) tijdschrift als in de definitieve versie van een (gesubsidieerd!) boek een fameus Nijhoff-citaat te hebben verminkt. ‘Op deze plaats heeft een gedicht gestaan/ ’t Beviel me niet’, liet ik verbreiden. Maar het moest ‘Op deze plek…’ wezen.
Ik was zo arrogant geweest uit mijn hoofd te citeren. Uit luiheid te snel? Regulier zelfbedrog? Het is wel leuk om de door mijn fout ontstane opties te wegen. Die gelegenheid van de tekst grijp ik gewoontegetrouw gretig aan omdat ik niet geloof dat daarbuiten, door vergelijkend warenonderzoek van de vrije markt, betere resultaten te verkrijgen zijn; concurrentie kan evengoed opportunisme verlokken en in het slechtste geval vernietigingsdrang.
Natuurlijk is ‘plek’ de betere variant. Het woord heeft een andere connotatie gekregen, uit de relatiesfeer, maar een eerste oorblik leert al dat er een schonkig binnenrijm mee vermeden wordt. Bovendien ondersteunt de harde eind-‘k’ het gedicht thematisch door het resoluter te maken dan de wat behaagzieke ‘s’ zou doen die ik Nijhoff had toebedacht. Ook is ‘plek’ een synoniem voor het gedicht zelf, een veeg op papier, veeleer iets materieels dan spiritueels (waarvoor ‘plaats’ gepaster zou zijn, een ruimte om zich geborgen te weten).
Een andere, aan de ontluistering grenzende schaamte is dat ik nu zich bij de slachtoffers in Luik tevens een peuter heeft gevoegd, die gruwelen persoonlijker opvat. Dat is ook vreemd, omdat ongeveer het laatste van mijn levenshouding eruit bestaat zich het centrum van de wereld te wanen. Het gegeven zal appelleren aan een diepe angst die het ouderschap, naast hectoliters gelukzaligheid, met zich meebrengt. Me meer dan ooit voor anderen inspannend, ben ik egoïstischer dan in het kinderloze tijdperk.
Over angst gesproken, ik vrees dat het profiel van de Luikse moordenaar aanvullend bewijs geeft voor wat mijn vorige posting citeerde als ‘de privatisering van het normbesef’. Ze stoelt op een dubbele karakterontwikkeling die Bas van Stokkom heeft geduid in zijn studie Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing: het gevoel gedwarsboomd te worden én grotere agressiviteit als de diensten uitblijven waar men recht op meent hebben. In dat eisenpakket van tolerantie voor zichzelf en repressie van de ander schuilt een griezelig ‘micromoralisme’. Maar zou het ook iets zeggen dat we er met onze studieuze en/of kunstzinnige hoofden van uitgaan daar logischerwijs zelf aan te ontsnappen?
Nietzsche: ‘Aan onze sterkste aandrift, de tiran in ons, onderwerpt zich niet alleen onze rede, maar ook ons geweten.’
Veel plezier beleefde ik dan weer aan Superleuk, maar voortaan zonder mij van David Foster Wallace, een mooie vertaling door Iannis Goerlandt. Al vrij snel besefte ik dat hij woonachtig is in België en aan de slag had gemoeten voor een Noord-Nederlandse uitgeverij. Klinkt best onwezenlijk, maar zelf heb ik na mijn emigratie op mijn bureau een papiertje gelegd met een zin als ‘Ik ben begonnen te lopen’ (het papiertje is kwijt). Zo moest ik weten dat het boven de Moerdijk niet was ‘Ik ben beginnen lopen’. Dat had zo zijn nut, omdat dit – ondanks wrevels van purisme en imperialisme – de standaard in boekenland was, tot zeker in het begin van deze eeuw.
Ik lees nog te zelden proza om te kunnen inschatten wat de trend is. Een tijd terug vielen me vele belgicismen op in de vertaling van William Marx’ Het afscheid van de literatuur. In het Wallace-boekje lijkt de verhouding fifty-fifty, waardoor de vraag rijst of er een redactiebeleid was, alsmede een bewustzijn van subtiele betekenisverschillen. Bijvoorbeeld in:

‘… een van de boeken die ondergetekende ertoe hebben aangezet zelf te gaan schrijven (of het toch te proberen)’

Hier denk ik vrij zeker te kunnen zijn dat de Noord-Nederlandse corrector geen onraad heeft geroken bij het woordje ‘toch’, terwijl het voor hem ‘ondanks alles’ betekent en dit een nogal vreemde zin oplevert. Gebruikt is dan ook de Zuidervariant van ‘toch’, waarmee bedoeld wordt ‘op zijn minst’.
Geen idee of het landsbelang hiermee is gediend, laat staan dat van Europa. Wel had ik een tijd terug bij, wederom, Marjoleine de Vos gelezen over de vanzelfsprekendheid waarmee zij een onbeheerd, nog brandend of knipperend fietslampje van een onbekende uitdoet – om de batterij te sparen. En inderdaad, ’s morgens in alle vroegte op het station zie ik in de stalling geregeld fietsen waarvan het achterlicht aan is. Maar net zo vaak moet ik me haasten om de trein te halen of vind ik het knopje van dienst niet.
Afgelopen week, op een avond, is het me gelukt. Heet dat nu ‘burgerzin’? Heel even voelde me op mijn plaats (plek?).

vrijdag 9 december 2011

Ja meneer de burgemeester (4)

Grappig dat Jan Pollet onlangs door andere zaken aan te snijden dan het door mij geponeerde (op welke reactie van mij hij evenmin reageerde), dusdanig interesse heeft gezaaid dat ik mijn reeksje over de invloed van technologie oppak. Pollet betoonde zich enthousiast over life-long learning door middel van internet, terwijl ik daar een neoliberale uitvinding in zag. Ook meende ik dat voor kennis googlen in de kaart speelt van ondernemingen die het zich financieel kunnen permitteren hoog in zoeklijsten te belanden.
Eigenlijk viel mij die deconfiture-reflex tegen van mezelf. Ik was liever enthousiast geweest zoals Pollet. Mij schoten beelden van het oude onderwijs te binnen, waar de sukkeltjes met een paar opdrachten achter in de klas werden weggestopt om de les niet te verstoren. De slimmeriken verveelden zich en zouden wel gebaat zijn geweest bij internettochten. Maar de zwakkeren waren louter geholpen door het kostbaarste artikel denkbaar: aandacht. En structuur en basiskennis, die iedereen echter nopen tot stampwerk voor er wat aangeleerd kan. In de wat invertebraal aandoende kennissetting die Pollet uit een rapport citeerde, overweegt echter informeel leren. Ook een handig instrument voor de snuggeren, terwijl de andere groep bij onduidelijkheden misschien niet zo snel vragen durft te stellen en sowieso aanslagen moet ondergaan op de concentratie, het een-na-kostbaarste artikel.
In een notendop verrijst hier evengoed de werking van ‘de vrije markt’, de survival of the fittest, het recht van de sterkste… Allerminst vrij, veeleer grotere verschillen teweegbrengend.
Ten slotte leek mij dat technologie onnodig veel vergt van energiebronnen, omdat zelfs als kul bedoelde kul opgeslagen wordt. En dat dan, misschien het grootste drama, in veelvoud. Is het als beginnetje een idee om Belasting op Pleonastisch Klimaatbederf te heffen op trending topics en op tweets met een link naar eigen of andermans tekst? Vooralsnog doemt als zondagsrecreatie wandelen in het Googlebos, waar oud papier is veranderd in nulletjes en eentjes.
Zo heb ik van talloze nieuwssites vernomen dat Gerrit Komrij op zijn blog een krantenstuk uit 1982 heeft hergepubliceerd. Daar kwamen dan comments op die werden gewist waarna daar weer discussie over ontstond vanwege een initieel Facebook-schrijven, enz. Ik wil niet klagen, maar de tragiek is dat ik zo’n type ben die dat allemaal leest. Mocht een van de betrokkenen toevallig aan de lijn zijn, dan zou ik hem of haar willen vragen die internetmanoeuvres eens aan zijn of haar moedertje uit te leggen. Wanneer u ze dan nog de gewoonste zaak van de wereld vindt, zou ik willen suggereren even Google Translate (Eng-Ned) los te laten op dit gratis advies: Get a life.
Ja, dit is uiteraard ook een mening, een heel banale.
Omdat misschien nog meer dan 99% van de zeven miljard aardbewoners niks aan dergelijk stroomverbruik heeft, aan hun grondstoffen het meest wordt verdiend door rijken elders terwijl vuiligheden van hun industrie worden gedumpt, is, terwijl door de klimaatverandering er hier al extra kosten te voorspellen zijn, op termijn een specifieke clash of civilizations denkbaar. Blijft de minderheid dan nog op winst?
Overigens lijken zowel Facebook als Twitter geweldige media die allerminst het effect van antireclame sorteren indien ze slim worden gebruikt: als het lekkerste van de artisjok, binnenin. Ook ken ik al twee blogs waarvan de makers anoniem over (o.a.) literatuur schrijven met een lenigheid waarvan ik dacht dat ze wegens elitair was afgeschaft. Nee, ik geef de URL’s niet, want zij zijn belangrijk en moeten doorgaan. Waar gaan we anders naartoe?
Naast de sedert lang voorspelde Strijd om het Water, kan er iets ontbranden om Stroom, ten gevolge van de dataopslag van, bijvoorbeeld, de homo twitterans. Het is simpel om hem te ridiculiseren, zeker als hij hogere belangen dient, maar wat wil een overtuigde twitteraan nu eigenlijk laten weten? Ik kwam op die vraag nadat me was verteld dat zware gevallen op Facebook, los van hun comments bij vrienden, algauw vijf keer per dag iets opiniëren en/of fotograferen voor hun wereld. Bekomen van de verbazing dat mensen zich kennelijk zo gewichtig kunnen vinden, snapte ik dat het geen zich belangrijk voelen kan betreffen, omdat vijf smelt onder een dagelijks aantal tweets dat één persoon de wereld in kan zenden. Communiceren op de rand van een autistisch universum? Contracties van gewenning?
Inmiddels zoek ik de ratio in het, reeds gesignaleerde, verlangen om gestoord te worden, een bres in de concentratie te slaan bij zichzelf maar ook bij followers. Een wijze om Nemesis in pole position te brengen, onder het motto ‘Kijk me aan als ik je wurg’. Of, er kan immers heuse kennis achter hyperlinks verscholen gaan, een experiment met de doelstelling: hoe ver kan ik gaan? Da’s een kunst op zich waar een fijn citaat van Paul Valéry bij kan, uit een notitie over een duikvlucht van een vogeltje: ‘De aandacht van de ander, dat is het doel, het wild. Hem zowel het gevaar als de geborgenheid laten voelen; hem daar brengen waar hij niet gaan wil, hem tot staan brengen kort voor de hindernis, precies op het gewenste punt.’
Nu kan ik de acquitstoot van mijn reeksje hernemen, inzake ongevraagde nieuwsmails. Ze zullen strafbaar zijn, maar wie zou tegen zulke wijd verbreide fenomenen een procedure starten? Toch kennen ze wel degelijk subscribe-mores: als je bezwaar hebt, kun je het laten weten.
Gabriël van den Brink sprak eens van de privatisering van het normbesef. Dan acteert Standard & Poor’s toch subtieler.
Uiteraard is de verleiding groot ach & wee te roepen en de cultuurcriticus uit te hangen. Moge de ervaring mij leren. Dan kan ik bekennen dat ik als digitaal groentje eens de subscribe-optie heb benut, waarna ik een lap van een mail kreeg vanwege mijn positie door de uitschrijving een barbaar en negationist te zijn. Anderzijds, sinds deze reeks is begonnen, blijf ik elke vrijdag van twee mails op twee adressen verschoond. Deze blog wordt derhalve gelezen, waarna, het grootste compliment denkbaar voor een literair auteur, een daad!
No more life-long yearning.

vrijdag 2 december 2011

Meeneemverhaal

Een op drie lijken voldoet niet aan veiligheidseisen ’, gewerd me bij het koppensnellen, maar dat had ik niet helemaal goed gelezen. Fort-da-toestanden van mij als elders woonachtige kaaskop? Natuurlijk is Hansje Brinker mijn oerlandgenoot. Ik herinner me dat sinds kort, dankzij iets van de mij onbekende Doug Dorph:

When the gloomy sea threatens, you’re there
with your trusty finger. The bicycle lies forlorn
on the gravel bicycle path in the shadow of the dike.
The family windmill is brittle and blue as a scene on a plate.

Da’s nog eens reclame! Ondertussen stijgt het zeeniveau, en maant zowel het bericht als het gedicht naar de lange termijn te kijken, vlak voor Durban. Maar in het eerste zag de staatssecretaris van Infrastructuur geen direct probleem (wel in de vogels rond Schiphol die hij, en het journaal leek ermee te openen om geëngageerde verenigingslevens op hun achterste poten te krijgen, wil laten vergassen). Hij heeft dan ook een coalitiepartner die tegen onverbiddelijke kritiek aan onverbiddelijke theorievorming doet. Is dat eveneens ‘typisch Hollands’?
Voor ik het wist was ik tastende naar een antwoord, in het besef dat er geen enkelvoudige natie bestaat, laat staan een identiteit, mede omdat ze door de technologie achterhaalde concepten lijken. Toch dunkt me door het aanhoudende gestechel binnen de Europese Unie de vraag relevant.
Dus wat behelst Holland zoal dat er een Dutch Boy als van Dorph uit te voorschijn vliegt?
Opgepast, een zin met komma’s. Onlangs reciteerde op de uitreiking door prinses Máxima van de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs 2011 aan Anton Corbijn, Bono, met op de achtergrond foto’s van het idool, Herman Broods ‘Get Lost’ als was het een gedicht in plaats van een liedje. Heel onwezenlijk en ook een beetje tragisch. Uitgerekend wanneer er een wereldster onversneden aandacht aan dit werk geeft, pakt het averechts uit (Brood had een hoes zullen ontwerpen voor U2).
Dat net-niet-bij-aanwezigheid-van-competentie spreekt zeker uit het misschien wel grootste Hollandse wereldnieuws: de bestuursperikelen bij de beursgenoteerde tobclub Ajax, die erin slaagt simultaan twee eminenties, Cruijff en Van Gaal, op te blazen. Och ja, dacht ik ineens, die veelbesproken vicewereldkampioenschapsmandaten passen Oranje. Winnen zullen ze nooit.
Dag vogels, dag bloemen, ik heb een mening.
Dan is er die complexe club zonder leden die, net als de N-VA, onverantwoord gedrag legitimeert met een kiezersaantal (herlees hierover Coen Simon, die ook ambivalente uitspraken van Wilders-advocaat Moszkowicz weegt). Daar zit iets hondsbrutaals in, wat niet hetzelfde is als cynisch, dat mij van achter de grens inmiddels als landsaardig begint toe te schijnen.
Maar wellicht ben ik te zeer uit mijn niche de wereld in aan het kijken, waar een immens belangrijke én precaire zaak als van de klimaatconferentie niet speelt, mogelijk wegens te druk door op elke relativering van de felste kritiek elegieën aan te heffen. Ze zijn me te gelijkaardig aan het taalkundig genie die me deze weken, waarin die zak van een Sinterklaas weer is aangekomen, bestookt met verzoeken om snoep. Wanneer ik dat weiger, zegt ze: ‘Dan ben ik jouw vriendin niet meer.’ Waarop ik zeg: ‘Grote mensen noemen dat chantage.’ Waarna zij weer: ‘Da’s nie eerlijk.’ Maar ja, even Hollands oogt de wens om niet ‘zuur en verongelijkt’ over te komen. Ook stof voor een inburgeringscursus, waartoe Silliman reeds in Tjanting twee motto’s gaf: ‘How the Dutch think to spell.’ + ‘How think to spell the Dutch?’
Het waren zowel grote als kleine geleerden die vaststelden dat betekenissen en gebruik van woorden fluctueren. Toch verbaast het me dat een gsm-maatschappij zich durft aan te prijzen met Freedom of speech. Dat komt doordat er één term de laatste jaren soeverein aan de top staat: ‘economie’. Dus wordt de Hollander nu wereldburger, verkokerd in de euro die niet van de bevolking blijkt maar van de banken, de korte termijn zonder de oplossing waarvan geen milieuprobleem schijnt te kunnen worden verholpen. Tot waar?
Op mijn initiële vraag werd overigens het beste antwoord me van zeer dichtbij ingefluisterd: Hollanders zijn mensen die het woord ‘banketstaaf’ weten te bedenken en het dan nog opeten ook.
De dagsluiting kan ’s morgens al aan de poëzie. Ik heb getracht iets te vertalen van Ida Börjel, helaas niet uit het Zweeds maar, zoals hier vaker is gebeurd, uit het Engels tussen de brontaal en hetgeen Hollands moet heten:

Een meeneemverhaal

Ik kan doen wat ik wil maar wat. Als iemand om hulp roept kan ik helpen. Daarna ga ik schaatsen op de vaart. Ik laat het gaan. Ik ben de Hollandse student en ik heb veel ervaring met schaatsen op ijs, ik heb hard gereden en ook tochten gemaakt. Ik kan zo snel gaan als ik wil en waar dan ook. Niemand zal me tegenhouden. Ik kan mezelf tegenhouden. Als de Engelsen een zeker punt bereiken dan kunnen ze zichzelf niet tegenhouden. Spaanse mensen houden niet op totdat het feest voorbij is. De Fransen houden alleen op om opnieuw te beginnen. De Portugezen houden niet op omdat ze niet begonnen zijn. De Luxemburgers blijven binnen de Luxemburgse grenzen. De Belgen houden op en beginnen met tussenpozen tussen de Belgische gordijnen. Ik kan beginnen en ophouden wanneer ik wil. Ik kan sterven of leven op de manier die ik wil. Ik kan gaan waar ik wil maar waar is dat. Hollandse mensen zijn aardige toegankelijke mensen die altijd een handje helpen. Wij zijn deugdelijke en nette mensen die nooit enige moeilijkheden veroorzaken zolang we kunnen doen wat we willen. De vraag is niet wat of wanneer maar hoe. Ik rijd snel, ik vertrouw mezelf maar het lijkt alsof er altijd iemand achter of voor mij is. In mijn taal zijn vele lege oppervlakken, krachtig en kwetsbaar boven het wak, waar men niet veel over alles kan zeggen. Ik schaats drie vier uur per dag. Soms voelt het alsof het ijs gaat breken. Ik ga een beetje verder