vrijdag 28 oktober 2011

Sonnet (op een duizendste van een punt)

Nu ga je drie dagen gratis flirten. ‘Bonhomme,
il est temps que tu te réveilles.’ Wil je frontaal
worden aangereden of toch liever in de flank?
Onze Nietzsche kan stemmen noch remmen.
Ach, je weet hoe de goden zijn. Raap je zaad
bijeen en zijg niet langer. Wees vergenoegd
dat het paard een rijbewijs heeft. Dacht je dat
je ging worden gestraft? Waarom dacht je dat?
Stap beheerst opzij, je uitleentermijn verstrijkt.
Onze Nietzsche boft maar dat hij tegen Hovius
Matthias heelal zeggen mag. Ook van boven zie
je pips. Last van verkiezingskoorts? En muizen
hebben kleine pootjes en zeer lange staarten.

maandag 24 oktober 2011

Giroschaken

De jonge K. Schippers hield met een vriend wedstrijdjes langzaam fietsen. En haptonoom Ted Troost veroorzaakte, decennia later, geclaxonneer en file-achtige toestanden door met een in de auto naast hem chaufferende vriend op een tweebaansweg de aangegeven maximumsnelheid te volgen. Deze anekdotes verenigen het terugdrijven van dagelijkse haast. Het allermooiste voorbeeld daarvan ligt in iets waarvan ik niet weet of het nog bestaat. Dus laat het omzichtig gesignaleerd dat ‘in de twintigste eeuw’ van stortingen op de girorekening de ontvanger de met de hand geschreven opdracht per post kreeg. Dit verkeer werd gebruikt voor zogeheten giroschaken. Een klein bedrag volstond om bij de mededelingen iets te noteren als ‘d2-d4.’
Zo’n partij kon, los van de kredietwaardigheid der spelers, even duren. Ik heb me afgevraagd of de diffuus blijvende boodschap van Occupy- en Indignados-bewegingen niet simpelweg een roep tegen bankieren en politici is: ‘Rustig aan! Winnen hoeft niet!’ Daarmee zou het dogma van Groei op de pijnbank gelegd worden. Maar misschien ben ik te weinig onderlegd, niet snappende dat stilstand achteruitgang is. Er zijn in elk geval bezwaren gerezen dat aan de protesten geen welomschreven programma ten grondslag ligt. Aan die kritiek kleven vele facetten. De ideologische ongrijpbaarheid leidt bijvoorbeeld tot vergelijkingen met weleer. Dan stoelt zelfs de meest welwillende duiding op continuïteit. Alsof jongeren, hoe imponderabel en heterogeen ook, geen eigen merites hebben.
De weerkerende klacht luidt dat mei 1968 heel wat consequenter was en niet zo verwend als nu: ‘Een kleine minderheid bleef slapen op het plein. Sommigen haakten gedurende de avond alsnog af wegens de kou, maar voor de dappere overblijvers werd 's ochtend warme koffie geschonken onder een partytent van Gamma.’ Tja, was er in Parijs en omstreken destijds misschien een fijner temperatuurtje? Hoefden studenten toen ook niet te kamperen, laat staan binnen drie jaar zus en zoveel punten halen en een bijbaan hebben om de studie te bekostigen?
Zelf ben ik minstens tien jaar te laat geboren om over die geschiedenissen empirisch verantwoord mee te kunnen spreken. Zoals hier is doorgeschemerd, heeft me dat altijd wat gespeten. Van mij mogen systemen als geheel ter discussie worden gesteld, met van pretentie bulkende ideeën over hoe het beter kan. Toch blijft het me verbazen dat nog jongere mensen dan ik daar allerlei wijsheden over debiteren, ditmaal bij gelegenheid van de Occupy-manifestaties. Zo proefde men een ‘onappetijtelijk oud-Marxistisch sausje’ en ontwaarde ‘het aloude spook van “klein links”: wie niet zuiver in de leer is wordt buitengesloten, tot enkel een irrelevante club gelijkhebbers overblijft’. Worden hier niet veeleer hapklare brokken herkauwd uit de reproductiemachine?
En trekt het feit dat naast bankiers ook sporters en celebrity’s uit de amusementsbranche veel verdienen, de bodem weg onder de acties? Of bijt de kritiek op economische monstermachten zich echt in de staart omdat er evengoed een samenwerkingsverband nodig is om ze te bestrijden? Tenminste lijkt er een soortgelijke paradox actief in bankiers die pleitbezorgers zijn van deregulering, behalve als ze na tegenwind bij de overheid aankloppen.
Door tegen Groei en Graai te ageren verrijst er wel een tastbare tegenpartij: neoliberalisme. De Indignados verplaatsen zich bijvoorbeeld te voet, terwijl een basisvoorziening als de trein is geprivatiseerd. Niet het milieu maar rendement wordt dan het criterium, zodat niet elk traject is gedekt. Tegelijk raakten twee auto’s per gezin maatschappelijk aanvaardbaar, en schijnt een bedrijfswagen fiscaal aantrekkelijk.
Dat het me aanspreekt dat actievoerders de benenwagen gebruiken, komt allicht mede voort uit (werkelijk ervaren) geplogenheden van mijn generatie. Ik ben opgegroeid met punk, die op mij muzikaal onspannend overkwam maar als organisatievorm aantrekkelijk: do it yourself. Verklaart dit mijn terstond geïnstalleerde argwaan voor de Belgische G1000, waar mensen ook hun nek uitsteken om iets te veranderen? Deze groep presenteerde zich met een persconferentie, doet aan fundraising, heeft reclamespots en krijgt recettes van organisaties die men zo wel kan voorspellen – claustrofobisch België, dat zelfs Malcolm McLaren nooit in zo’n slagorde had gekregen! De Occupy-beweging groeide echter vanuit een blogbericht, en zag en ziet wel waar het schip strandt.
Het is bijna logisch dat in die strategie de bekendste initiatiefnemer van de G1000, David Van Reybrouck, een gebrek aan finaliteit ziet. De G1000 hanteert discussiepunten en kandidaten, waar Occupy’ers open podium houden. Het gevaar dat er uit te vergroten zotteklap vrijkomt, loopt men liever dan dat er visies worden gemist. Tevens is er verschil met de anonimiteit, ook door nicknames, van comments op het internet, waar sowieso niet elke opinie evenveel waard blijkt.
Wat is wijsheid? Over bestuursvormen wist de immer stoïcijns redenerende Immanuel Kant:

‘es sind nur drey derselben möglich, wo nämlich entweder nur Einer, oder Einige unter sich verbunden, oder Alle zusammen, welche die bürgerliche Gesellschaft ausmachen, die Herrschergewalt besitzen (Autokratie, Aristokratie und Demokratie, Fürstengewalt, Adelsgewalt und Volksgewalt). […] Unter den drey Staatsformen ist die der Demokratie, im eigentlichen Verstande des Worts, nothwendig ein Despotism, weil sie eine exekutive Gewalt gründet, da alle über und allenfalls auch wider Einen (der also nicht mit einstimmt), mithin Alle, die doch nicht Alle sind, beschließen; welches ein Widerspruch des allgemeinen Willens mit sich selbst und mit der Freyheit ist.’

Zelfs tegen apert onrecht koos Kant de weg der geleidelijkheid boven anarchie, ‘eine übereilte Reform’. Occupy’ers doen dat anders. Toch heten ze hypocriet omdat ze zelf uitsluiten. Ze zouden antisemitisch zijn, wegkijken van nobele landgenoten en neerzien op ‘arbeiders’. Maar los van mijn vermoeden dat er niemand geheel van minachting gevrijwaard is, worden de belangen van iedereen, inclusief ‘arbeiders’, door de demonstranten behartigd. Of hebben belastinggeld en pensioenen beperkte doelen? Zijn die mensen net als de Indignados mogelijk met reden verontwaardigd?
Na Heijne zou ook Grunberg ‘lifestyle’ in de acties te hebben gezien. Bevallen hotelkamers hun beter dan tenten? Wellicht is daar comfortabeler te giroschaken, literair bezien een graatmagere variant op Mandelstams concept van de flessenpost (dat volgens de literaire stadsmythe is overgegaan op Celan): onderwerp en gesprekspartner liggen vast, de codes daaromheen verwekken een eenduidig begrip en zelfs het ermee gemoeide geld kan worden weggestreept. Gesloten beurzen.

maandag 17 oktober 2011

Democratie

Bankiers en belastinggeld komen momenteel voor hun eigen bestwil beter niet in elkaars buurt. Het laatste lijkt een geïnstitutionaliseerde bonus voor de eerste, en dat zit niemand lekker. Behalve bankiers zelf? Zelfs echte bonussen appelleren minder aan prestaties dan aan wereldbeelden die de laatste weken, gelukkig, openlijk bakkeleien.
Vrij recent heeft Hans Wiegel zo’n man verdedigd die uitstekend werk had verricht, en daarom toch best volgens afspraak een beloning mocht? De vraag is waarom in zo’n gastvrij land die afspraak gemaakt is. Minder dan aan de rat in het experiment van Skinner herinnert mij de zo gemotiveerde mens aan het drama dat ons taalkundig genie graag ten beste geeft, als ze beweert dat ze recht heeft op een chocoladewafel omdat ze flink haar boterhammen heeft opgegeten.
Een ander precair puntje staat ter achterzijde van dat bonusbiljet: de gouden handdruk. Daar is een groot zogeheten afbreukrisico de ratio van. Indien het misloopt, zit men zonder inkomen. Een doorsnee sterveling valt dan in een werkloosheidsuitkering, maar die staat onder druk wegens vermeend misbruik na historische wasdom.
Tja, binnen twee van zulke vangnetten kan zich gedrag ontvouwen dat aan de voorspelbare kant is. Dat de CEO van een met belastinggeld geredde bank na vaste vergaderingen geen huurappartement of Thalys pakt, maar een hotelkamertje à 545 euro per nacht. Dat de concerncommunicatiedienst dit bedrag herroept tot 150. Dat dit voor collega-media voer voor stennis is in de metacultuur (die ik hier dan signaleer), en passant de teller op 185 zettend. Dat in een onthullinginterview een insider weet dat de CEO prototypisch handelde: ‘Hij beslist alles, samen met een meute van experts en consultants. Dat is typisch Frans. Dat loopt van Lodewijk XIV over Napoleon.’
Het kader rond de voorgaande nieuwsfeiten en redenaties is natuurlijk het neoliberalisme. Langjarige kritiek daarop wordt ‘lifestyle’ genoemd door uitgerekend Bas Heijne, wel heel erg vreemd. Maar laat ik me niet opwinden en prettig verrast zijn dat er nu jongeren opstaan en zich verenigen. Fijn ook dat zij, in tegenstelling tot vooralsnog breder ondersteunde fenomenen als de Teaparty, en in de Lage Landen de N-VA en PVV, eenheid niet regionaal zoeken maar letterlijk wereldverbeterend proberen te zijn.
Die ambitie valt te begrijpen uit de globale aard van problemen, zich uitstrekkend van bancaire systemen tot en met ecologie. Aldus aangerichte ellende grijpt overal in huishoudens in, op meerdere niveaus. De opstand daartegen moet zelf procentueel een groeimarkt aanspreken. Logisch, omdat de vrije markt indruist tegen een intuïtie van wat eerlijk kan uitpakken, waardoor deze ideologie met dermate zwaar geschut moet worden gelanceerd dat ze een weergaloos godsbewijs in herinnering roept, als verwoord door Richard Dawkins: ‘De meerderheid van de wereldbevolking gelooft niet in het christendom. Dat is precies wat Satan in de zin had. Dus God bestaat.’
Welke nuance je ook in de protesten kunt aanbrengen, ze wijzen niet de richting op van een comfortabele weg en blijken concreet. De indignados in Europa zijn verwant met de occupybeweging in Amerika, die zich op haar beurt wist geïnspireerd door de Arabische Lente.
Gelukkig mag universalisme lonken. Ook verheugt me dat, contrair aan neoliberale evidence-based policy van de stille diplomatie, woede expliciet de drijfveer is. Tot naburig genoegen trof ik als afzetpunt ‘het systeem’ aan, de term niet-ironisch ingezet, laat staan verworpen op basis van laptopwaarheden en non-events bij naar eigen getuigenis gepokte types, die misschien de staat van hun toch wat blasé of bangelijk ego weerspiegelen.
Goh, wat raak ik van die protestberichten in een goed humeur. Zelfs het idee dat Facebook in de verbreiding een cruciale rol heeft gespeeld, kan ik verdragen. Misschien is het een groter wonder dat er, behoudens in Rome, amper geweld aan die demonstraties kleeft. De samenstelling van deze a-hiërarchische gemeenschap is toch heterogeen en het gedachtegoed moet nog uitgekristalliseerd. Het middel van de ludieke actie zal menigeen doen terugdeinzen, maar bewijst op dit punt nut – zou de als grotegelijkhebber min of min uitgekotste Michael Moore, die in Capitalism. A Love Story bijvoorbeeld Wall Street met een geel politielint omgordde, alsnog een voorbeeld zijn?
Vanzelfsprekend heb ik bij die indrukken makkelijk praten. In een verwarmde studeerkamer, zelden geconfronteerd met financiële verleidingen. Slechts eenmaal, staat me bij, heb ik me een houding moeten geven tegenover overvloed. Dat was op een receptie na uitreiking der Vlaamse Cultuurprijzen waarvoor ik, Nederbelg, was ‘genomineerd’. Eerder die avond had ik bedacht dat voor het geld van de theatershow met al die uitreikingen vele sans-papiers een jaar verder hadden gekund, maar de aanblik, tussen alle fine fleuren door, van het eten en drinken deed me besluiten even geen gedachten te willen. Achteraf bezien pikte ik mee van eigen belastingcentjes, die voor een (werkbeurs)deel op hun beurt van de belastingbetaler komen.
O, besef van de eigen positie en het vak en de context waarin dat maatschappelijk meedraait, al dan niet tegen heug en meug! Een collega noemde Thomas Tranströmer een ‘een zo goed als onbekende dichter’. Gelukkig bestaat er ten aanzien van literatuur ook lef en visie.
Als finale een streven tot vertalen uit het Engels van iets wat ik een bloemlezing tegenkwam, en stamt uit de bundel The New World (1993) van Suzanne Gardinier:

Democratie

Niets doet pijn maar de voet is onverzettelijk
De voet sijpelt De voet is nooit genezen
De doorboorde en gezwollen voet blijft niet verborgen
De voet zal inbegrepen zijn bij alle kosten
De voet zal ontlasten De voet zal bewustzijn
en slaap organiseren tot erop wordt gelet
Opgelet De voet heeft iets te vertellen
maar geen snelle praatjes De voet is verzegeld
en bonst op de vloer met stemloze lettergrepen
in code De voet heeft een verslag
dat de voet niet kan doen De voet sleept zich
tegen huilen aan over de zilveren overvloed
van opgestapelde vis ter verbranding tegen amputatie
tegen het verhandelen van koper cacao en tin
tegen het besproeien van voorbijgangers met series
munitie tegen verplaatsing van daden
tegen het spuwen van gemopper van de beproefden
en verdwenen onder berichten van uitzetting
tegen vlechten van zwepen met verzilte handvatten
tegen kalkoen-met-cranberry-etentjes tegen
de scheepsruimen tegen geweld op daken
en op dennennaalden tegen gomorra’s en geweren
tegen huizen voor veilingen en terechtstellingen
De voet klopt het onherkenbare vuil af en wordt
moe maar neemt geen pauze De voet gaat door

vrijdag 14 oktober 2011

Vergelijkingsverval

Dat het bestaan van God/god nooit onomstotelijk valt te bewijzen of te weerleggen, heeft een bekend beeld gekregen: het lampje van de koelkast. Wanneer je de deur sluit, kun je immers niet zeker weten of het lampje uit is – daarvoor moet de deur open, maar dan floept het lampje aan.
Onlangs was ik, met enigszins verward en altijd luxueus ontzag piekerend over de indignados die onder andere meer politieke transparantie willen, ’s nachts in de keuken zonder enige verlichting en toen kwam er door de rubberen isolatieband tussen (de gesloten) koelkastdeur- en wand een gelige schijn.
Om zelfbedrog en aanpalend optimisme te vermijden heb ik de fabrikant gebeld. Lichtjes van koelkasten blijken sedert jaar en dag multifunctioneel. Er zitten sensoren in en bij een bepaalde temperatuur floept het licht aan en scheidt daardoor ook minieme warmte af, waarna de thermostaat in werking treedt, voor de ideale graad van met name het vriesvak, begreep ik.
De vergelijking met het godsbewijs, waarmee ik toch min of meer groot geworden ben, is passé! Dat lost de aanschouwelijke verklaring van een wereldbeeld op in een werkelijkheid met schijnbaar minder mogelijkheden, een piloot is grondpersoneel geworden. Tenzij de voorlichter van de fabriek dacht aan de telefoon: ‘Hé, een Hollander, die gaan we [sic] eens iets op de mouw spelden.’ Maar dat vermoeden valt niet te bewijzen.
Veronderstellend dat de wereld is veranderd, gaat het godsbeeld daar dan in mee? Is daar een idee over, of beperkt mijn ervaring zich toepasselijk tot informatie?

vrijdag 7 oktober 2011

Tranen

Ontevreden over het vorige stukje dat met Hella S. Haasse het eind van een auteurstype wilde onderzoeken, ploeg ik verder. Ze verklaarde in haar laatste interview een genegenheid voor de shredder te hebben opgevat, het ding dat alle documentatie vernietigde die haar privéleven aanging. In stilte is ze gecremeerd.
Logisch dat Haasse haar onbegrip uitte voor kanalen als Twitter, maar ze moet hebben beseft dat dit was gerekend voorbij de toestand in de wereld. Evengoed onder haar collega’s. En dan doel ik niet alleen op degenen die tweets rondsturen, maar vooral op een – door blogs en realityreeksen kwartiergemaakte – trend of paradigma waarin de autonomie van kunst aldus gebroken wordt dat het publiek persoonlijke grenzen van de kunstenaar dient te overschrijden. Mij sprong in dat kader een ontwikkeling in het oog, die mogelijk door drie evenementen heen kan worden gedetecteerd.

1. Voor A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw werd de ultieme ouderangst bewaarheid: hun zoon stierf, bij een ongeval. De vader kanaliseerde zijn rouw in Tonio. Als bewonderaar van een groot deel van dit oeuvre wou ik dat boek toch maar ongelezen laten. Ik vermeld dat er pontificaal bij, omdat het lastig leek eraan te ontsnappen. Op het omslag prijkte een fotografisch zelfportret van de overledene, er was een publiciteitscampagne van de uitgever (een jaar na het ongeval), van de auteur (één exclusief interview), en een tentoonstelling was ingericht. Over een boek dat ik niet kende ontstond in mij een mening die, eveneens tegen mijn zin, neerkwam op een soort ethische kortsluiting.
Plotseling meende ik bijvoorbeeld dat het niet klopt om voor Tonio andere dan literaire maatstaven te hanteren, in termen van wie ben ik om over zoiets smartelijks te oordelen? De auteur heeft naar verluidt de voortgang van zijn schrijverschap verbonden aan het drama. Hij maakte de, volstrekt legitieme, keuze om de openbaarheid te zoeken voor zijn leed. Wie het ‘onkies’ vindt dat delen daarvan kan leiden tot iets anders dan empathie, pleegt morele chantage.

2. Na het overlijden van Hugo Claus wierp Erwin Mortier zich op als verdediger op alle fronten. Zo serveerde hij live op televisie Danneels af na diens vermeende kritiek op Claus’ keuze voor euthanasie, wegens Alzheimer. Daarna mepte hij de kardinaal nogmaals in een interview, wegens vermeende censuur. Achteraf verklaarde Mortier zijn engagement met Claus nader uit het feit dat zijn eigen moeder Alzheimer had.
Die ziekte is een maatschappelijk probleem dat velen treft. Op goed moment kwam er in de krant een foto door Lieve Blancquaert van Mortier met de moeder (die tot op de dag van vandaag leeft). Daarna het bericht dat haar ziekte hem noopte tot het schrijven van een boek.
Op 3 september 2011 verscheen een nieuw magazine bij De Morgen, geopend door een gedreven interview met Mortier door Yves Desmet, die volgens mij als eerste Godenslaap op één lijn heeft gesteld met Het verdriet van België, één van de grootste werken uit de Zuid-Nederlandse geschiedenis. Mortier weidde gedetailleerd uit over wat ‘na Hugo’ met zijn moeder en hem was gebeurd. Diezelfde week zou het boek op de markt komen. Ook dat heb ik niet doorgenomen, als alle andere boeken na Mortiers debuut, om de simpele reden dat stijl een prominente leesfactor is (mensen die zeggen na een paar regels al agressief te worden van mijn teksten geloof ik onmiddellijk).
Het gesprek bleek het startschot voor vele andere interviews, feitelijk over twee mensen in het ondermaanse van wie er echter eentje zogezegd focaliseert. Voor mij werd de toestand helemaal dubbelzinnig, toen Mortier verklaarde dat dit Gestameld liedboek wel moest worden geschreven, omdat het zijn andere teksten in de weg zat. ‘De inkt kan weer vloeien’.

3. De kinderboekenauteur Roel Verniers was ongeneeslijk ziek. Een verschrikking, met twee jonge kindjes. Blijkbaar was hij meteen na de diagnose over zijn leven gaan berichten op Facebook, waarna De Morgen hem had gevraagd dat voor de krant in columnvorm te doen. Van de resultaten begrijp ik dat ze de auteur hebben geholpen om, al was het door, tja, deadlines, de ontwrichting net iets draaglijker te maken.
Onlangs is er een einde gekomen aan die teksten. Toch had De Morgen nog iets van Verniers voor het publiek in petto. Het reeds genoemde magazine gaf een reportage van zijn laatste dag, in een sauna, waarop naast de uitgemergelde hoofdpersoon, niet meer tot spreken in staat, wat journalisten en de echtgenote te zien waren. In het begeleidende artikel werden mails en sms-en rond het overlijden geciteerd.
Nathalie Sarraute beschreef ooit de kinderlijke huiver voor een negeren dat in het extreme belandt: ‘ik ben dood... ze weten van niets, ik ben dood...’
Expliciet vermeldde het magazine dat de publicatie als geheel had plaatsgehad op verzoek van Verniers. Zijn verbeelding had hem dus tot subject en object gemaakt. Misschien werkt het zo, dat gehechtheid aan leven en dierbaren en het besef van een nabij eind kan leiden tot zulk… narcisme? Wie heeft er echter voldoening gehad aan deze publicatie? Is postuum plezier een criterium? Of zouden echtgenote en kinderen trots zijn dat hun geliefde papa, na aankondiging op de voorpagina van de zaterdagkrant, enz.?

Vooralsnog blijft mijn onbegrip. Een karakterkwestie? ‘Ik heb geleerd niet alle toespelingen dadelijk te begrijpen,’ schreef Haasse in Een nieuwer testament. Dat geeft een pantser en in de tussentijd kan de aanval van de ontdekking dan wel de afweer van de legitimatie plaatsvinden. Mij bekruipt de indruk dat in dezen snel opduikende begrippenparen als exhibitionisme-voyeurisme veel te psychologiserend zijn.
Pas sinds de Renaissance schijnt het fenomeen privacy te bestaan. Indien de schijnbare omkeerbaarheid daarvan inderdaad verbreiding vindt tot voorbij de sociale media, een tweede format naast het opinisme, is dat dan wraak op de openbaarheid voor persoonlijke rampspoed? En zou tussen de vele curieuze vormen van nostalgie bij de gemeenschap een verlangen post kunnen vatten om het individuele te begrenzen? Of is dat zoiets als de strijd aanbinden tegen een invasie van landgenoten?

zondag 2 oktober 2011

McVerdulleme, Venantius

Et voilà, om met Paul van Ostaijen te spreken. Of moet ik hem, nu zijn ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ de reclame van een hamburgerketen structureert, McOstaijen noemen?
In de plots zonovergoten herfst vanuit het enge perspectief van mijn ambacht terugblikkend op een honingpotloze maand, voelt de slotdag van september aan als ‘het einde van een tijdperk’. Hella S. Haasse neemt, behalve een diasteem en een getuigenschap van Nederlands kolonialisme, een type auteursintentie, publieke houding en dies meer mee in het graf. Wat dit precies behelst, zou ik eigenlijk niet weten. Het contrasteert in elk geval met andere wapenfeiten waarmee Noord-Nederlandse literatuur in september het nieuws haalde.
Eerst was er de alom besproken auteurstrip naar China. Bij die complexe en gevoelige materie – die ooit in termen van fellowtravelling kon worden afgeserveerd – viel mij verwantschap op met de keer daarvoor dat auteurs in the picture waren gekomen, bij de demonstraties tegen de voorgenomen bezuinigingen op kunstsubsidies. Het lijkt wel of deze beroepsgroep tegen geen enkele kritiek kan en van daaruit een oprecht pleonastische wereldhouding ontplooit: ‘Laat ons met rust, achterlijke domkoppen’. Ten bewijze werd ditmaal de figuur van de dominee uit het stof gehaald. Maar wat is er Hollandser dan ageren tegen het geheven vingertje uit eigen land?
Van de thuisweters verbaasde mij Marc Reugebrink met een opiniestuk voor het Belgische dagblad De Standaard. Hij rekende zowel de China-auteurs als hun critici tot de cultuurindustrie. Koopwaar! Bestaat vanuit dat op zich niet te loochenen marionettenframe een land als China nog? Zijn politiek, zijn traditie, zijn klimaat zelfs? En wordt een kritiek als die van Reugebrink dan niet opgeslokt door de muil van the economy?
Een opiniestuk dunkt me het cultuurindustriële summum, waarbij vergeleken het optreden in een actualiteitenprogramma op de televisie het gladde neefje is. En vergis ik me wanneer negen van de tien collega-auteurs een stuk als dat van Reugebrink nooit op die opiniepagina zouden krijgen? En dat zijn bijdrage de schijnwerpers weer richt op de toekenning aan hem van een met veel media-aandacht omgeven private prijs, waarvan de betreffende krant een der sponsoren was? En dat het bekroonde boek, met zijn karikatuur van expliciet ideologisch gefundeerde en tot daden aanzettende betrokkenheid uit de jaren zeventig, welluidend de lof zong van de communis opinio anno nu?
Doordat ik suggereer dat het opiniestuk zijn eigen stelling ondermijnt, bedien ik me van het heerlijk valse wat-je-zegt-ben-je-zelfargument. Maar wanneer ik een McReugebrink ontwaar, word ik een McKregting.
Bij merknamen kan meteen nog een septembernovum vermeld: dat Henk Pröpper de baas wordt van De Bezige Bij. Als geen andere heeft die uitgeverij het afgelopen decennium auteurs in de markt gezet. Het bood zo een schoolvoorbeeld van het Matteüseffect dat het literaire bedrijf regeert maar hier overuren maakte: groeiende inkomsten lieten het toe grotere budgetten vrij te maken voor reclame, waarna met een beter geëffende weg naar de lezer de betreffende auteur een nog sterker merk werd.
Dit bedrijfsresultaat, geboekt onder leiding van Pröppers voorganger Robbert Ammerlaan, verdient zonder meer ontzag. Commercieel steekt De Bezige Bij boven alle uitgevers uit en op de korte termijn kan er geoogst worden. Toch mag dit feit naar mijn gevoel ook worden voorzien van een alternatief referentiekader dat, zoals Reugebrink het vermoedelijk wil, de eigen positie soms relativeert.
Ten eerste bulkt de gehanteerde methode voor het succes nou niet direct van de trouw aan de traditie en poëtica van De Bezige Bij. Er liep door het fonds een avant-gardistische lijn die inmiddels weggegumd is (spijtig, onlangs nog een geweldige BB-bundel ontdekt: Antwerpen van Leyn Leynse). Enige gezichtsbepalende auteurs zijn dan ook niet meer in huis. Tevens had De Bezige Bij een reputatie in het ontdekken van jong talent, wat behalve een oog voor kwaliteit een bereidheid tot het nemen van risico vergt. Nu trekt het huis auteurs aan die met paar boeken bij collega’s hun publiekswaarde hebben bewezen (waarbij ik betwijfel of de investering in de tekstredactie even grondig is als die in de reclame).
Als vele concernhuizen in diverse kunstdisciplines met hun frequente labelherschikkingen is De Bezige Bij helaas niet meer onmisbaar. Gelukkig zitten er buiten Amsterdam knappe kleine bedrijven wier fondsen erg intrigeren en die de voor, door en rond merknamen toch wat uitgemolken recepturen aanvullen – de lange termijn wordt door hen gediend. Wel heeft de voorspoed van De Bezige Bij ook tot kapitaalvernietiging geleid. De kloof tussen het succes voor weinigen en het ‘mislukken’ van de meerderheid wordt dieper. Lang is dit effect genegeerd omdat losers toch geen recht van spreken schijnen te hebben. Maar afgelopen zomer bekenden in een lang artikel in de Volkskrant voormalige A-auteurs dat verschil nu ook ondervonden te hebben.
Ideeën over de wereld veranderen immer, net als hun uitvoering. Toch stelde de motivatie voor de aanstelling van Pröpper als directeur mij niet gerust: geen woord over zijn ontegenzeglijke eruditie, wel over zijn ‘kolossaal netwerk’. Dat onderstreept dat De Bezige Bij in hem, de baas van het onlangs samengevoegde Fonds voor de Letteren en het Productiefonds, een soortement levende institutie wil aantrekken. En da’s niet voor het eerst. Er hebben al diverse Ammerlaan-opvolgers een tijdje in het huis rondgelopen, allen van buiten de uitgeversbranche gerekruteerd.
Wel spannend natuurlijk en hopelijk ‘inspirerend’. Bovenal zou ik bijna gelovig worden voor het algemeen belang. Want Pröpper is feilloos op de hoogte van brandende dossiers inzake het letterenbeleid en moet op zijn beurt opgevolgd worden – een wisseling van de wacht die veel delicater is, in deze tijden, met dit cultuurvijandige kabinet. Moge Henk Pröpper dus niet alleen in zijn nieuwe functie veel succes boeken, maar moge zijn opvolger dat ook hebben, mede in het belang van een andere Henk, en diens Ingrid.
Of heb ik nu een zonnesteek opgelopen en ontsnapt mij slechts gezwatel? In De tuinen van Bomarzo waarschuwde Hella Haasse ervoor dat ‘bigotte, onwetende en bangelijke zielen altijd uitwassen vermoeden bij onafhankelijk-denkenden, en dat altijd eerzuchtige en autoritaire elementen zich op de juiste tijd en de juiste plaats van dergelijke negatieve stemmingen weten te bedienen’.