vrijdag 20 mei 2011

Family affairs


De oma van Ayaan Hirsi Ali kon door de geur van pasgevallen regen in de woestijn een route vinden. En zelf leerde de auteur noodgedwongen haar tanden te poetsen met een acaciatakje. Dit staat in Mijn vrijheid.

In een van de interviews na het winnen van de Librisprijs zei Yves Petry dat hij schrijft om zich voort te planten in de hersenen van anderen. Die ambitie relativeert zijn vaderschap: ‘Het is niet de zin van mijn leven, in elk geval. Dat is alleen het schrijverschap. Het vaderschap heeft me vooral een levenslange kwetsbaarheid gegeven. Ik ben kwetsbaar in een lichaam dat niet het mijne is. Maar ik vind het ouderschap niet nodig om een volwaardig mens te zijn. Al denk ik nu wel beter te begrijpen waar het in zoveel mensenlevens om draait. De kinderen als ultieme zingever. Alles wordt eraan opgeofferd.’

Naar verluidt was een moeder wegens de misselijkheid van haar kind een halte eerder uit de bus gestapt. Lopend in de frisse lucht, passeerde ze een café waar een schietpartij aan de gang was. Een afgedwaalde kogel verwondde haar.

Vergeet niet bij autopech goed zichtbaar op de vluchtstrook uw oedipale driehoek te zetten. W.g. uw vaderlijke vriend de wegenwacht.

In 1919 meldde de hyperintelligente Franz Kafka aan zijn vader: ‘Men kan (...) zeggen dat ik weinig heb gewerkt en niets heb verworven; dat er iets in de vele jaren met een middelmatig geheugen, met een niet buitengewoon slecht verstand is blijven hangen, is toch niet zo vreemd, maar in ieder geval is het totale resultaat aan kennis en vooral aan de fundering van de kennis uiterst droevig vergeleken met de totale som van tijd en geld in de loop van een uiterlijk zorgeloos, rustig leven, in het bijzonder ook vergeleken met bijna alle mensen die ik ken.’

Eén voorop, één achterop zie ik wachtend voor het stoplicht een man in keurig pak diagonaal door het drukke verkeer heen rennen, een huilend kind in zijn armen.

Aan het treurige bericht dat zanger-dominee Solomon Burke op Schiphol was gestorven, zat een olijk kantje: ‘Hij laat twintig kinderen en 91 kleinkinderen achter’. Nee, dan Fela Kuti, die trouwde in één plechtigheid met 27 vrouwen.

Zoveel jaren nadien frappeert me in de film Christiane F.: Wir Kinder vom Bahnhof Zoo de afwezigheid van ouders. Natuurlijk, het waren tijden dat iedereen leek te gaan scheiden, maar hier wordt de verhuisde vader van het in de drugs verzeilende meisje niet eens getoond. Ook de buitenwereld is afwezig, misschien conform de blikvernauwing bij junks; de film speelt in de roerigste jaren van de naoorlogse Duitse geschiedenis en refereert daar louter aan met boven een bed een kopietje van het opsporingsbevel voor Ulrike Meinhof. Wel is er zoiets als een leidend beginsel: David Bowies grandioos depressieve muziek uit zijn Berlijnse tijd. Groot is Christianes verontwaardiging wanneer een dealer haar weinig biedt voor een van haar exemplaren van Changesonebowie, terwijl dat nog verzegeld is (cadeau van de nieuwe vriend van haar moeder)!

Met toestemming van de artiest gaf Starbucks een speciale cd uit met covers van Sly & The Family Stone, voordat Sony deze, aangevuld, op de markt bracht als Different Strokes.

Weet Žižek: ‘Het christelijke motto “alle mensen zijn broeders” betekent ook “zij die niet mijn broeders zijn, zijn geen mensen”.’ Von Beethoven die aan deze materie zijn negende symfonie, waarop de maximale duur van een cd werd afgestemd, met een dusdanig pregnante doofheid wijdde dat de Europese Unie de centrale tekst ‘An die Freude’ tot volkslied koos, gaf bezoekers toch maar zestig koffiebonen per kop.

Lieve hart, nu is het zo’n beetje af en moet ik het loslaten? Niet dat ik het legenestsyndroom vrees, maar ik heb toch nog één studie besteld, voor de zekerheid.

Onderschat koffie niet als doopmiddel. Met name boterhammen met chocopasta worden zo extra begerenswaardig. Wie denkt dat dit een variant is op koekjes bij de thee, willen wij wijzen op de usance in de koffie ook boterhammen te dopen die om beboterde speculaas heen zijn gevouwen. Els Scheppers uit Hingene vond deze combinatie van het de delen overstijgende geheel zo lekker, dat ze voor het oog van de Vlaamse televisiekijker in het programma De bedenkers aan het uitvinden sloeg. Kennelijk wilde ze iets simpelers en inclusievers, en waarvan geen koffievlekken kunnen komen. Dit werd de speculoospasta die inmiddels door het notoire koekjesmerk Lotus wordt geproduceerd en die een verschuiving teweeg heeft gebracht in het segment van de chocopasta. In Scheppers’ basisrecept zat koffie, maar geen speculaaskruiden als kaneel, kruidnagel, kardemom en nootmuskaat. Taalpuristen komen er dus er eveneens mee aan hun trekken. En onze jongste? Met haar ene tand oefent ze voor gourmande door te sabbelen op korstloos brood, bij voorkeur tussen het eten van de borst door. Bismillah?

maandag 16 mei 2011

Schromeloos (2)


On-Hollands is Rob Riemens essaybundel Adel van de geest. Een vergeten ideaal alvast in de presentatie. De rechtenpagina vermeldt te verschijnen vertalingen, en op de achterflap wordt luid de lof van de auteur gezongen door zes internationale grootheden, in het Nederlands. Dus niks ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’, hier is iemand bezig ‘zijn kop boven het maaiveld uit te steken’.
Ongewoon is verder dat er van het boek in anderhalf jaar tijd twintigduizend exemplaren zijn verkocht. Dat dit bijzonder is voor het genre van het essay, vertelde Riemen zelf in de special van De Groene over ‘De aanval op de elite’. Hij weet het onder meer hieraan dat zijn werk, en zijn Nexus Instituut, tot nog toe overwegend zure reacties blijkt te hebben gekregen van laaglandse beroepslezers. Slik! Daarnaast proeft Riemen, die een reis naar Schiphol met genoegen aanvaardt, de laatste decennia een trivialisering bij intellectuelen. Zij gingen volgens hem door het postmodernisme alles even (on)belangrijk vinden. Niets zou ook meer te moeilijk mogen zijn. Intellectuelen hebben zichzelf opgeheven en Riemen denkt dat ze voelen dat zijn werk ook een aanklacht tegen hen is, bijgedragen als ze, onwillekeurig, hebben aan deplorabele politieke dwaalwegen in den lande.
Wow! Ik zou juist denken dat door ‘het’ postmodernisme terug hiërarchieën gekomen zijn en dat vele intellectuelen onophoudelijk hebben deelgenomen aan het publieke debat. Dat dit niet echt zoden aan de dijk zette, is wat anders. De context en het belang van massamedia waarin intellectuelen binnen formats acteren zijn, zeker sinds internet, sterk gewijzigd. Wel blijft die constellatie in Nederland provinciaal want randstedelijk bepaald, zodat de kosmopolitische drive van het Nexus Instituut – door Wilders explicieter geformuleerde – bevreemding kan wekken omdat het in Tilburg zit.
Mij dunkt Riemens werk in elk geval niet moeilijk. Ik heb ontzag voor zijn toegankelijkheid, die vanwege een gethematiseerde voetnotenafwijzing simultaan retorisch oogt. En wellicht ben ik te vatbaar voor the real deal , maar Riemens pleidooi voor een heraansluiting bij de honorabele humanistische traditie vind ik niet zozeer eurocentrisch als wel escapistisch.
In het genoemde Groene-nummer staat ook een fijne analyse van het populisme door Merijn Oudenampsen. Bij hem ligt nu eens niet de nadruk op de morele receptie van het fenomeen. Het populisme wordt bekeken op wat het produceert. En dan zegt het te spreken namens een hele grote, tot zwijgen gebrachte groep, waarvan het echter zelf deelnemers moet uitsluiten in een ‘frontendynamiek’. Oudenampsen stelt dan ook dat ‘de kloof tussen burger en politiek’ aldus, omgekeerd causaal, geschapen wordt. Populisme wordt zelfs een ontkenning van de volkswil wanneer het allerlei volstrekt verschillende protesten in één immense onvrede van negatieve identificaties samenbrengt. Dat is uiteindelijk een creatieve daad. Mag daar subsidie voor komen?!
De activiteiten van Riemen in zijn twee boeken berusten op deze narratieve manoeuvre. Het is alleen opportuun zich in een ideaal van beschaafdheid te schuiven, als denkbeeldige barbaren daartegen dreigen te revolteren. Een statement als ‘Cultuur vernietigen betekent de waarheid vernietigen’ is te kras voor mij, die nochtans van dezelfde generatie is als Riemen (en, holy shit, Wilders en Bin Laden!). Ik raak al in verwarring van een anekdote over Gerard van het Reve, vader van. Als 18-jarige ‘arbeider’ wachtte deze buiten een hotel, het deftigste van Enschede, op de 46-jarige, overtuigde socialist Herman Gorter, tevens ‘intellectueel’, terwijl die een kopje koffie dronk. Verwart mij dit omdat Van het Reve geen arbeider was, maar een intellectueel? Nee, omdat hij het, na Gorters aanbod in de we-vorm, zelf had voorgesteld. Of wellicht was het fijngevoeligheid dat Gorter niet aandrong; de pauze duurde tien minuten.
Mij interesseert dat Riemen de reacties op 9/11, na er wederom met een overigens zelden traceerbare grens tussen citaat en parafrase meer klassieke dan actuele auteurs bij te hebben aangehaald, toen reeds opvatte als een ‘verraad der intellectuelen’. Hij bespeurt bij hen louter een ‘vijandbeeld’. Dit gaat mutatis mutandis natuurlijk ook op voor Geert Wilders, die in de argumentatie zijn medestander wordt als deze intellectuelen vijandelijk raken omdat ze ‘het onderscheid tussen goed en kwaad ondergeschikt maken aan de dogma’s van hun politieke ideologie’. Deze karikatuur is schier overal te vinden, en kan niet genoeg bijgelicht worden door de werkelijkheid. Evenals Wilders is Riemen er kennelijk van overtuigd dat alleen anderen een ideologie hebben, en hij zelf niet.
Wel wordt het zo begrijpelijker waarom Riemen vindt dat cultuur belangeloos en tijdloos is. En waarom hij intellectuelen die ervoor uitkomen dat ze gepolitiseerd zijn conformistisch acht, en kameleontisch, en machts- en invloedsgeil et cet. Toch zou het voor hem misschien een eyeopener kunnen zijn eens op het internet te kijken naar meningen over hen. Mij lijkt het in elk geval heel wat pek en veren te besparen om te beweren voorbij de ideologieën te zijn. Ik zou Riemens visie wel eens willen vernemen op hartverwarmend activisme van jongeren die ideologie permanent vertalen in concrete protesten zoals het laten leeglopen van banden van Hummers in stadscentra. Mijn nieuwsgierigheid naar zijn oordeel komt ook voort uit onbegrip: in tegenstelling tot Riemen lijkt het me niet echt pleiten voor Thomas Mann dat hij gewoon doorwerkte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de zelfmoord van zoon Klaus.
Och, misschien had het ook wel iets dappers, maar adel van de geest ontdek ik er toch niet in. Zelfs bij verzaking zouden er varianten denkbaar geweest zijn. Grappig is dat juist Wildersbiograaf Fennema, met Eelke Heemskerk, in Nieuwe netwerken. De elite en de ondergang van NV Nederland de term ‘nieuwe geldadel’ hanteert, voor de niet-aangeboren en dus meritocratische elite die vaak in de massamedia opduikt. Deze categorie slaagde er maar niet in door te dringen tot politieke partijen, tot Fortuyn de poort openzette. Riemen had hen toch niet in het vizier toen hij op intellectuelen afgaf?

maandag 9 mei 2011

Schromeloos (1)


Voor Rob Riemens pamflet De eeuwige terugkeer van het fascisme rest me één woord: onbegrijpelijk. De auteur is erudiet en durft verder te kijken dan de dag van vandaag, dicht zich hooggestemde idealen toe die in elk geval bol staan van de nobele intenties, wil voor dat alles bewijs geven – en levert een tekst die ik niet snap. Nochtans deel ik zijn zorgen en is het voor Riemen helder wat er niet deugt aan de maatschappij: oppervlakkigheid, hedonisme, materialisme, uiterlijke schijn… Daarmee hult hij zich in een kleed van de pastor, gesteund door een stijl waarin de eerste persoon meervoud domineert. Voordat echter de indruk ontstaat dat Riemen niet van deze tijd is, mag vastgesteld dat hij een goed onderhouden website heeft en dat zijn tekst opgemaakt is met extreem veel wit. Bij dat laatste is het wel de vraag of de lezer aldus eigen gedachten mag ontwikkelen of dat de opmaker er de tekst alsnog enig volume mee gaf: 62 pagina’s telt dit boek.
Het had groter kunnen uitvallen indien Riemen zijn gestelde parallellen tussen het fascisme van het interbellum en Wilders’ gedachtegoed had willen schragen. Maar ik ontwaar louter nevenschikkende suggestie. De PVV belandt in een serie diskwalificaties waarvan ‘diepe afkeer van de kunsten en van oefening in geestelijke waarden’ onbedoeld de pastoraliteit bekrachtigt. Slechts aan een in het PVV-verkiezingsprogram tussen haakjes geplaatst woord, ‘nationaal’ voor ‘socialisme’, wijdt Riemen een alinea met de conclusie: ‘de waarheid tussen haakjes plaatsen, schaamteloos feiten verdraaien, bij voortduring liegen’. Grote woorden voor een bedenkelijke grap, hoe dik er nog over gedaan mag worden.
De ene keer dat Riemen Wilders vermeldt, op pagina 59, is die een ‘prototype van hedendaags fascisme’. Omgekeerd zou Wilders zo mogelijk nog sneller klaar zijn. Voor Riemens’ Nexus Instituut kan hij het gejammer in mono over subsidie brengen, dat op het internet wordt meegebrald.
Als zulke bewijsvoering volstaat, dan zou ze een schoolvoorbeeld van ‘intellectueel oneerlijk’ zijn. Het valt me op dat tussen illustere filosofen die Riemen de revue laat passeren niet Tzvetan Todorov te begroeten valt. Diens Angst voor de barbaren had het betoog nuances kunnen bezorgen, bijvoorbeeld door culturele en antropologische kenmerken niet op één hoop te gooien met politieke keuzes.
De eeuwige terugkeer van het fascisme doet helaas wat het hekelt: zondebokken aanwijzen. Wederom vertroebelt de specifieke analogie meer dan dat ze verheldert. Flink sprekend en geen taboe uit de weg gaand toont het boek zich blind voor een soortgelijke aanpak en bejegening van het verafschuwde. Natuurlijk ziet Riemen het goed dat het populisme bestaande angsten en begeerten van ‘de massamaatschappij’ vertolkt, maar doet hij op zijn manier niet hetzelfde? Namelijk bij ‘de elite’ stemming kweken voor een paroxisme bij de ander waartegen pamfletten als deze moeten harnassen? Hoe legitiem is een moreel gelijk in een principieel niet-singulier wij-zij-schema?
In de absoluutheid en het superlativisme van het taalgebruik toont Riemen zich eveneens verwant. ‘Beschaafd’ en haar onvermijdelijke partner ‘barbaars’ dunken me krachteloze epitheta die ook bij specialisten van het woord blijken te zijn doorgedrongen. Los van de stigmatiserende werking hebben ze een even beperkte houdbaarheidsdatum als veelbesproken Wilders-uitdrukkingen. Ook kan Riemen wel in honderd varianten ‘niet waar’ en ‘blijf van mijn traditie af’ roepen, wanneer de PVV-leider zich voor zijn beschaving op joods-christelijkheid beroept fungeren als getuigen a decharge: Bach, Michelangelo, Shakespeare, Socrates, Voltaire, Galileo…
De naam van Voltaire valt vaker als het om de vrije meningsuiting gaat, maar Todorov zei al dat het Verlichtingsicoon leefde zonder internet en andere massacommunicatiemiddelen, waarmee daden en uitingen verstrekkender gevolgen kunnen krijgen dan voorzien. De kans mag groot zijn dat de genoemde mannen (!) zich zouden omdraaien als ze wisten voor welk gedachtegoed ze worden ingezet, Riemen had dat beter mogen uitduiden dan met gehamer op het aambeeld van hoffelijkheid en dialoog.
Het rijtje erflaters haalde ik uit de Wilders-biografie van Meindert Fennema. Ik las dat boek mede uit nieuwsgierigheid of concretisering van benarde levensomstandigheden milder zou stemmen jegens mijns inziens dubieuze opvattingen. Maar hoewel medelijden zich aan me opdrong, overheerste een benauwdheid voor de werklust en ambitie die Wilders aan de dag blijkt te leggen. Dat maakt het veiligheidskordon dat hem omgeeft niet minder tragisch (Bin Laden blijkt jaren op twee kamers te hebben geleefd). Des te bevreemdender de bedreigingen die Riemen van de PVV kreeg bij een lezing.
Het zal beroepsdeformatie zijn dat Wilders’ taalgebruik mij wel blijft fascineren. In zijn eerste officiële opiniestuk, als VVD’er in 1994, voert hij een arbeidsvoorzieningsorganisatie op die haar hand ‘schromeloos’ overspeelt. Fennema merkt dat aan als een fout, maar mij grijpt het aan. Net als de naam van de campagne die de pas als eenmansfractie opererende Wilders per bus voert tegen de Europese grondwet: ‘tourNEE’. Opmerkelijk is Fennema’s visie op de verwerping van die grondwet bij het referendum in 2005, als opstand van het platteland tegen de stad, ‘van de verliezers tegen de winnaars van de globalisering’.
Zo’n verheldering is simultaan schematisch, waardoor ze zelf in argumentatiepatronen onder te brengen valt. Bij dreigend gedebiteerde parallellen met de Tweede Wereldoorlog is dat het meest zichtbaar. In God op zijn plaats heeft Ian Buruma opgemerkt dat dan ofwel gelijkaardige trekken van antisemitisme in de actualiteit worden gezien wanneer immigranten iets overkomt (gaskamers nabij) ofwel dat slappe regeringshoudingen doen herinneren aan München 1938 (oorlog nabij).
Curieus is dat Riemen én Wilders bij de laatste topos lijken te behoren. De een wil de ogen openen voor de reële dreiging en acceptatie van rechtsextremisme, de ander wil waarschuwen voor nakend islamgeweld. Maar even bien étonnés de se trouver ensemble, met even complementaire redenen, ben ik zelf in mijn negatieve eindoordeel over De eeuwige terugkeer van het fascisme.
Houdt het nooit op met die parallellen? Hoe schijnheilig kan een blogstukje als dit worden, met zijn wat-je-zegt-ben-je-zelf-redeneringen volgens een goedkope, quasi-kritische expeditie naar vooronderstellingen, terwijl er diametrale verschillen in uitgangpunt zijn? Bestaat er een perspectief waarmee ik Riemen meer recht kan doen?

zondag 1 mei 2011

Brecht zegt (3)


‘Wij hebben een vrijblijvende literatuur, die niet alleen alles in het werk stelt om zelf geen konsekwenties te hebben, maar ook alle moeite doet om haar lezers te neutraliseren, namelijk alle dingen en situaties uit te beelden zonder hun konsekwenties.’ Een waarheid als een koe, zij het vermoedelijk rijp voor spot, alleen al vanwege de spelling. Ik kwam haar tegen in Teatereksperiment en politiek waarvoor Wim Notenboom en Jacq Firmin Vogelaar Brecht-teksten hadden verzameld en vertaald. We schrijven 1971, uitgeverij is de SUN en het is mij duister wat voor buitenkantelijkheidjes meer ik kan vermelden om lachers op mijn hand te krijgen. De brede bladspiegel, waardoor de tekst bijna van de pagina valt en de inhoud van de band ondersteunt, als zijnde overvol?
Mij heeft Teatereksperiment en politiek nogal aangegrepen.
Het is eenvoudig meer uiterlijkheden op te sommen die het juist tot een prettig boek maken: noten, editieverantwoording, ampele bibliografische verwijzingen… Waar beleef je nog zo’n verbeten geheel dat zich verontschuldigt voor herhaling door zijn fragmentarisme? Ik bedoel, niet als zelfgenoegzaam excuus voor luiheid en tijdgebrek? Teatereksperiment en politiek openbaarde me eveneens hoeveel kennis we ongeveer hebben door de hyperironische firma Van Horen Zeggen.
Deze Brecht-band heeft ‘het karakter van een reader, waarin “vergelijkend terugbladeren” mogelijk is.’ Mij stemmen zulke uitgaven van ver voor mijn lezend bestaan nostalgisch. Ze wekken de indruk een utopie te kunnen aanraken, initieel vanwege de kans lezers teksten te laten verteren in plaats van ze te slikken.
Dat zou geheel in de geest van Brecht wezen. Zijn episch theater (tegenover het aristotelisch theater zoals we dat nog kennen) stoelt op kritische betrokkenheid van de toeschouwer. Het dwingt tot beslissingen, werkt in de nadruk op het veranderlijke confronterend, al was het omdat evolutionaire ontwikkelingen niet als onherroepelijk gelden. Bij Brecht is er gelegenheid voor ingrijpen, de toeschouwer wordt deelnemer.
Misschien is dat ook wat me heeft bedroefd aan Utopisch alfabet. Honderd toekomstvisies, waarmee onlangs een nieuwe uitgeverij zich presenteerde: de toeschouwer werd kennelijk geacht het op een koffietafeltje te leggen. Je hoeft geen cultuursomberaar te zijn om te zien dat de enige consequentie in brechtiaanse zin de rel of de hype is geworden. De heus gebonden verzamelbundel toonde op het omslag inktspikkels, met de titel in een quasi-monnikachtig handschrift. Er moest gereageerd op de classic van Thomas More (die heeft ervaren wat consequenties behelzen). Maar precies aan de buitenkant stremden verdere gelijkenissen.
Op eenzame hoogte staat de bijdrage van de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens die via Pieter Gillis naar More toe wil. Eerder had zijn collega Aboutaleb die weg bewandeld om het postideologisch socialisme te expliciteren maar met grotere souplesse. Janssens gebruikt nota bene de briefvorm om te bekennen dat hij van boeken houdt, belang hecht aan onderwijs, tolerantie en meer trefwoorden waar je je geen buil aan kunt vallen. Wel frappeerde het volgende: ‘De toekomst is wat we er zélf van maken, en dat moeten we blijvend voor ogen houden. Maar steeds in het besef dat wat we realiseren altijd minder is dan wat we ons er in de ideale wereld bij hadden voorgesteld.’
In de epische context daarentegen is zelfs muziek geen psychologiserende begeleiding of lyrische illustratie. Net zo goed door banale popteksten die sociaalhistorische betekenissen van gedrag blootleggen, met de optie in die processen te interfereren. Op diverse plaatsen heeft Brecht het over gestiek, die niet toelicht maar houdingen in hun maatschappelijke context laat zien. In Me-ti. Boek der Wendingen situeert hij de dan gebruikte taal op de grens van natuurlijk en gestileerd, als werktuig dat het gesprek met anderen immer via zichzelf laat lopen. Zo wordt het enerzijds lastiger zich in te leven, anderzijds maakt het de handeling afhankelijk van de omstandigheden, wat een begin is van kritiek. Of zoals het genoemde, onvoltooide boek andersom geredeneerd stelde: ‘De meeste verklaringen zijn eigenlijk rechtvaardigingen.’
Walter Benjamin zag als doel van het gestische theater de handeling te onderbreken in plaats van haar te ondersteunen. Zoiets geeft een vertragend effect dat het bewustzijn prikkelt om elementen van de werkelijkheid als proefmodel te behandelen. Zijns inziens stond dit haaks op het naturalisme, waarin ‘het milieu’ louter afbeeldend is en het toneel als geheel volkomen illusionistisch (wat een fatalisme uitlokt, net als de catharsis: na het meevoelen van onmacht kan men weer aan het werk).
Door de term catharsis moet ook zijn tegenhanger worden opgevoerd: het evengoed dus door muziek aangerichte verfremdungseffekt. Doordat een verteller nevengebeurtenissen oprakelt, spelaanwijzingen geeft en doordat de acteur afstand bewaart tot zijn personage, moet de toeschouwer partijkiezen. Naar hedendaags gevoel, geplaagd door een ambivalentie van ‘weg met de bemoeizuchtige overheid’ en ‘mij deren technologische inbreuken op de privacy niet’, ligt de boodschap er dik op. Een vooroordeel? Zelfs bij Brechts tot aan de RAF omstreden leerstuk Die Maßnahme is er een virtuoos analyticus als Roman Jakobson aan te pas moeten komen om, bijvoorbeeld door een schijnbaar esthetische spiegelbeeldsymmetrie, filters in het wij (‘das Thema des Kollisionen und ihrer Überwindung’) te detecteren.
Brecht ducht hoe dan ook identificatie, zoals in het aristotelisme – en empathie die nu tot het summum behoort? Catharsis berust op inleving, met handelingen die vrees en medelijden oproepen. Maar Me-ti wist: ‘Belangrijker dan te benadrukken hoe verkeerd is het is onrecht te doen, is het te benadrukken hoe verkeerd het is onrecht te dulden. Om onrecht te doen hebben slechts weinigen de gelegenheid, om onrecht te dulden velen. Medelijden met anderen dat geen medelijden met zichzelf is, moet men als minder betrouwbaar beschouwen dan het medelijden met zichzelf dat tegelijk ook medelijden met de anderen is.’
Mij intrigeert Brechts opvatting dat gevoelens een klassebasis hebben. Ze zouden allerminst algemeen menselijk en tijdloos wezen. Er was de afgelopen week heisa om het argumentum ad nazium , maar toen Brecht omina zag moest het ergste nog gebeuren. Door een verband met het theatrale appel van de nazi’s op Duitsers, toont hij aan dat inleving ronduit gevaarlijk kan zijn. Maar dan ziet men belangen en wetmatigheid, te ontdekken indien men niet blindelings volgt en, ach god zo gaat het nu eenmaal, alle kritiek laat varen, ook jegens zichzelf. Proost!
Zegt Brecht: ‘van alle alkoholiese eksessen is niets zo gevaarlijk als de stille dronk’.