zondag 10 april 2011

Van WC eend naar topkunst (3)

John F. Kennedy’s inaugurele uitsmijter luidde ‘ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country’. (Wie het vergat werd er vijftig jaar na dato aan herinnerd.) Met 1651 woorden zou deze ‘historische’ rede nu een extremistische recensie zijn. Machinaal leg ik weer een verband met het literaire klimaat. Daarop lijkt noch een economisch noch een autonoom-geprivilegieerd perspectief relevant. Het blijft balanceren op het slappe koord tussen realiteitsprognose en zelfoverschatting. Daarom zou ik Kennedy’s slotwoorden wel eens willen zien toegepast op de heikelste aller kunstkwesties.
Want waarom blijft het subsidiedebat uiteindelijk intern, doordat er van buitenaf naar de zede vooral wordt geroepen en de kandidaten zelf al geen consensus bereiken? Onlangs las ik binnen een halfuur diametrale visies van twee Nederlandse auteurs. De ene, die hooguit drie echte lezers van haar oeuvre ontwaarde maar ook besefte dat de verkoop moeilijk achteruit kon, was ‘ontzettend blij’ met een werkbeurs. De andere vond dit fenomeen, waar hij zelf geen aanspraak op hoefde te maken maar dat hij collega’s van harte gunde, slechts uitlokken tot grote kwantiteit.
Wat kan een betoelaagde auteur doen voor zijn land, en dan zo vanzelfsprekend dat niet smadelijk wordt?
H.C. ten Berge oppert in zijn nawoord bij Een verhaal over het lichaam (2010) van Robert Hass een verwantschap van die dichter met Mark Strand. Een voetnoot meldt dan: ‘Voor Nederlandse poëzievertalingen zie onder meer: H.C. ten Berge, Op een mat van gele veren. Poëzievertalingen 1968-2003 (2005) en Een lakse bries. Vijfentwintig gedichten van Mark Strand (1983). Frank Despriet publiceerde een complete vertaling van Strands Dark Harbour (1994).’
In deze opsomming is volgens mij woede nog niet bekoeld, doordat het laatste jaartal 1993 moet zijn – gelukkig staat het correct in Ten Berges genoemde anthologie. Een beetje volger van poëzie weet dat de Lage Landen in 2006 werden verblijd met een bloemlezing uit Strands werk, Gedichten eten, vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Volgens de achterflap van dat boek liet het de Nederlandse lezer voor het eerst kennismaken met deze dichter. En hoewel het gedetailleerde opsommingen bevatte, ontbrak elke referentie naar eerdere vertalingen.
Als ontdekker van Strands werk voor de Lage Landen voelt Ten Berge zich zo gekrenkt dat hij op zijn beurt Van den Akker en Jansma verzwijgt. Begrijpelijk, temeer daar Gedichten eten meer aandacht kreeg dan de vele vertaalexploraties van Ten Berge bij elkaar. Maar hij handelt hetzelfde als zijn antagonisten. Is dat ‘typisch Hollands’? De uitgevers hadden hun auteurs erop kunnen wijzen, dat bestaande inspanningen mogen gerespecteerd. Toegegeven, het gaat hier om concurrerende bedrijven, maar dat feit verdient hilariteit: de markt voor poëzie is miniem. Dat het prestige van dat genre nog groot is, bewijst de toe-eigening van Strand dan weer wel. Tevens onthullen de diverse boeken hun financiële basis.
Een verhaal over het lichaam kwam mede tot stand dankzij een werkbeurs. Voor Gedichten eten is een vertaal- en reisbeurs verstrekt. En een deel van de beloning voor zijn P.C. Hooft-prijs moest Ten Berge besteden aan een publicatie met promotionele en informerende waarde – een lofwaardige regel, met Op een mat van gele veren leidend tot een fraai staaltje hoogwaardige arbeid. Alle hier ten tonele gevoerde boeken werden kortom gemaakt met steun van de gemeenschap. Mag die weten waaraan ze heeft bijdragen en daarvan profiteren, ergens tussen extase en walging? Het vermelden van elkaars daden hoeft geen proeve te zijn van eng nationalisme maar berust op gedeelde verantwoordelijkheid.
Ten Berge somt in Op een mat van gele veren redenen op voor het vertalen. ‘Overwegingen van materiële aard zijn zelden of nooit in het geding. Wat dat aangaat is er zelfs sprake van een bijna masochistische activiteit die tegen beter weten in wordt volgehouden. Een drijfveer van algemene aard is de overtuiging dat het (tegen alle negatieve en destructieve krachten in) nog altijd de moeite waard is de cultuur te verdedigen en, waar mogelijk, uit te dragen, zelfs al is de reikwijdte beperkt.’ Afhankelijk van je standpunt is dit te bestempelen als retoriek of als tragiek.
Jansma werd ondertussen ampel geïnterviewd voor De kunst van het dichten, een vakboek. Daarin kon ze zonder tegenvraag een heel hypothetisch verhaal doen over hoe poëtica’s van de jaren tachtig Strand in Nederland zouden percipiëren – terwijl dat verhaal aan de hand van feiten verteld had kunnen worden. Waren interviewers Henk van der Waal en Erik Lindner niet op de hoogte van Ten Berges vertalingen? Door Nederlandse versies van hetzelfde Strand-gedicht te vergelijken had in een kwart eeuw taalontwikkeling het algemeen belang kunnen worden geconcretiseerd.
Ask what you can do for your country?! Hoe is het mogelijk dat Kennedy, blijkt uit een andere moderne klassieker, nog geen anderhalf jaar na zijn rede, dus ruim vijfentwintig jaar voor Fukuyama, het einde van de ideologie afkondigt? Bij een persconferentie zegt Kennedy althans dat de meeste problemen waarvoor men wordt gesteld zo technisch zijn dat ze, als voer voor deskundigen, voorbij een politiek standpunt gaan.
De schijn van onpartijdigheid die dit wekt, is bavianenkul, maar hoe actueel! Mij staat niet bij hoe vaak politici worden overruled door een werkelijkheid waarop ze, zeker nationaal, amper grip hebben. Tevens wordt de laatste jaren eenieder die, om het woord ideaal dan maar niet te bezigen, iets zinvols in stand tracht te houden, beticht van ‘politiek’, die de klagers uiteraard niet onder de leden hebben. Inzake de gedichten van Mark Strand is het alvast zo dat Henny Vrienten in Zwaan kleef aan, een boek dat zijn urgentie vond in de wens voorbij poëticale complexen te raken, de Amerikaan citeerde uit de recentste vertaling. De kasseien van de geschiedenis geasfalteerd, cultureel geheugenverlies geïnstalleerd.
Koop nu, betaal later? Geen politicus zal dat willen verdedigen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen