zondag 24 april 2011

Brecht zegt (2)


In haar ijzingwekkend mooie herinneringen aan Robert Mapplethorpe vertelt Patti Smith over een visioen waarvan Jimi Hendrix haar bij een eenmalige ontmoeting deelgenoot gemaakt had. In Woodstock zouden zich muzikanten uit de hele wereld verzamelen en dan in een kring gaan zitten spelen. Tempo, toonsoort noch melodie deed ertoe – op termijn zou die ‘discordance’ moeten leiden tot een ‘abstract universal language’.
Alhoewel niet wordt vermeld of het Pinksteren is en evenmin, zoals naar verluidt vandaag, Pasen dat daarmee spreekwoordelijk slechts op een utopisch punt samenvalt, is het duidelijk dat Smith wel oren heeft naar Hendrix’ visioen. Ze was een Brechtadept. En de auteur zelve? Zijn Herr Keuner heeft zich in elk geval, op zijn manier, uitgelaten over nationalisme. Geen affiniteit heeft hij ermee, tot in een onbekende bezette stad een vijandige officier hem dwingt van het trottoir te gaan. Dan wordt hij verzengend boos op het land van de officier én wordt voor dat moment nationalist: ‘men moet de domheid immers uitroeien, omdat zij dom maakt wie haar ontmoet.’
In het verlengde hiervan dunkt me eveneens interessant, en een poginkje tot vertaling van een fragment hieronder duidt dat verder uit: de notie ‘volks’. In het onvoltooid gebleven Me-ti. Boek der Wendingen zegt Brecht dat het begrip kritiekloos en neerbuigend wordt gebruikt, door heldere uitdrukkingen te verrompelen om veronderstelde luiheid te behagen. Dat noemen we nu populisme. En het treft pijnlijk dat verderop in dit boek aanleidingen voor oproepen tot een grote orde worden gevonden in honger, koude en onzekerheid – slechts het laatste bestaat waarlijk in ons Westen.
Maar dan moet er misschien simultaan een grote hedendaagse zekerheid bij, waarvan Bertolt Brecht alleen al met zijn basaalste verwachtingen zou gruwen: dat het maakbaarheidsidee failliet is, voorbij, finito. Of, eh, ideologisch verworpen door geen ideologie? In een poging te stijgen tot helikopterperspectief valt mij op dat maakbaarheid praktisch met grote vanzelfsprekendheid voortgaat. Dat geldt reeds voor reclame-uitingen die de lifestylemens tot in detail blijven vormen, en daar doet ons voedsel, ook op kerkelijke feestdagen tot in het DNA op maat, evengoed aan mee.
Of leg ik die focus na afgelopen week van een angstig afstandje te hebben kennisgemaakt met de snackhybride de krokidel? De heer heet waarlijk verrezen te zijn, dus laat ik het woord vooral afgeven.

Volksliteratuur
Of een literair werk volks is of niet, is geen formele kwestie. Het is in geen geval zo dat men, om door het volk begrepen te worden, ongewone uitdrukkingen moet vermijden en slechts gangbare standpunten moet innemen. Het is niet in het belang van het volk om aan zijn gewoonten (hier leesgewoonten) hegemoniaal gezag te geven. Het volk begrijpt boude uitdrukkingen, billijkt nieuwe standpunten, overwint formele moeilijkheden indien zijn belangen meepraten. Het begrijpt Marx beter dan Hegel, het begrijpt Hegel indien het marxistisch is geschoold. Rilke is niet volks; om dat te zien hoeft men niet zijn ingewikkelde, formeel overdreven gedichten te lezen; ook elk van zijn gedichten die de toon van een volkslied hebben, zijn niet volks. Lukács laat dat zien aan de hand van een zeer pregnante strofe (‘Und wenn ihn Trauer überkam’); ze is formeel te begrijpen, veel begrijpelijker dan Majakovski’s strofen. Maar er zit geen greintje in van wat het volk het verstand zou noemen. Ze is formalistisch omdat er op een medelijdende cadans over beestachtigheden gesproken en het medelijden op de misdadiger wordt afgeschoven. Aldus wordt leed zo vertolkt, alsof iedereen het kan delen, wat niet het geval is. Er wordt, op papier, formeel, door een simpele vormkeuze, door een esthetische truc, de indruk gewekt dat het volk zoiets zouden kunnen zingen, dus bedoelen en voelen. Wanneer het volk aldus zou voelen en bedoelen, dan zou het verraad plegen aan zijn waarden. Bij de ‘ingewikkelde’, ‘gesublimeerde’ gedichten van dezelfde man zou men dezelfde vijandschap tot het volk kunnen bespeuren, in een andere vorm. Dat is de vlucht uit de banaliteit in het snobisme. Daar wordt iets gemaakt uit niets. Vanuit de inhoud is het niets, vanuit de vorm is het iets. Vanuit de inhoud is het oud, vanuit de vorm is het nieuw. Deze gedichten ‘laten het volk koud’, gedeeltelijk op begrijpelijke, gedeeltelijk op onbegrijpelijke wijze.
[eind jaren dertig]

Het schrijven van gedichten in Californië
Hier gedichten schrijven, zelfs actuele, betekent: zich in de ivoren toren terugtrekken. Het is alsof men goudsmeedkunst bedrijft. Dat heeft iets buitenissigs, snaaks, geborneerds. Zulke lyriek is flessenpost. De slag om Smolensk gaat ook om de lyriek.
[april 1942]

Formalisme en nieuwe vormen
De leegloop in de literatuur van de laatkapitalistische epoche toont zich zoals bekend hierin, dat dichters met vertwijfelde transformaties van de oude burgerlijke inhoud onafgebroken proberen nieuwe horizonten te bereiken. Zo treedt een eigenaardige vorm van verval op, namelijk de scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk, omdat de vorm, die nieuw is, zich afzet tegen de inhoud, die oud is. Met andere woorden: louter nieuwe inhouden verdragen nieuwe vormen. Ze eisen die zelfs op. Indien men namelijk de nieuwe inhouden in oude vormen zou dwingen, dan was meteen de noodlottige scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk weer een feit, omdat ditmaal de vorm, die oud is, zich afzet tegen de inhoud, die nieuw zou zijn. Het leven dat zich overal bij ons, waar de maatschappij tot op haar grondvesten trilt, in nieuwe vormen afspeelt, kan door een literatuur met een oude vorm niet worden verbeeld of beïnvloed.
[jaren vijftig]

vrijdag 15 april 2011

Absoluut ultieme supertoptelevisie


Onlangs at ik een sinaasappel van kraakbeen. Elk partje dat ik naar binnen werkte, leek meer sap te ontberen. Natuurlijk kon dat niet, maar dat een vrucht die er geweldig vers uitzag zo smaakte was al een onbegrijpelijke ervaring.
Een echt beeld, uit het leven gegrepen! Dit ga ik toch niet in een boek gebruiken, bijvoorbeeld over koffie? Laat ik deze sinaasappel uitknijpen boven, eh, toepassen op een recent fenomeen dat geen mens onberoerd zou hebben gelaten.
Nederlanders zal het weinig zeggen, maar in België heeft de televisiereeks De Ronde onlangs een complete kritische journalistiek op de banken gekregen. De gulle publiciteit richtte zich in eerste instantie op de logistiek, omdat de reeks integraal was gefilmd tijdens de vorige editie van de Ronde van Vlaanderen – door de begeesterde schetsen van het draaiboek schemerde het heldschap van de regisseur. Ook werden talloze acteurs die aan De Ronde meewerkten over hun huidige projecten geïnterviewd, met een naturel zijsprongetje naar de fameuze reeks die zijn weerga niet bleek te kennen in de geschiedenis van de Belgische televisie.
Het is dat het zo’n beladen term is geworden, anders zou je zonder verpinken kunnen beweren dat de Vlaamse pers zich ‘gelijkgeschakeld’ betoonde. Nu repte men vrij snel over ‘hypen’, waar vervolgens ook over geschreven werd, hetgeen dan weer, als de wortel uit een kwadraat, stof blijkt voor analyse.
Een serieuze factor bij deze teksten was de producent van de reeks, Woestijnvis, die weggezet werd als een mediamagnaat avant la lettre. Als immigrant is het lastig de weg te vinden in die complotsfeer. Wel viel me op dat zich hier de omgekeerde waardering aftekende van die van Joop van den Ende. Nadat die vanwege zijn musicalbarbarij bakken dedain over zich kreeg kreeg, mecenaseert hij nu dingen waar operalievend Nederland niet aan kan tippen. Woestijnvis had bij mijn weten in den beginne juist een goede naam, als kwaliteitsleverancier.
Van De Ronde is de helaas genoegzaam bekende representatie van ‘de West-Vlaming’ (Da meen dje nie) eveneens te vertalen voor Nederland. Hier lijkt althans de vergelijking met de perceptie van ‘de Limburger’ op zijn plaats, overigens niet alleen vanwege het dialect en de ritselreputatie, maar ook omdat enkele geborenen van die provincie momenteel in de landelijke politiek nogal wat in de pap te brokkelen hebben. Een andere karikatuur die De Ronde uitserveerde was een schier nazistisch nationalisme bij een Vlaamsgezind personage.
In de kritiek klonk er immense lof voor de wijze waarop de reeks maatschappelijke thema’s in de dampkring van het debat had gebracht. Zo handelde er een verhaallijn over euthanasie waarbij het, in het licht van wat er decennialang stilzwijgend dagelijks in de westerse wereld gebeurt, louter vijf afleveringen lang het punt was wat nu precies het punt was. Misschien dat een broer van de overledene in het scenario fungeerde als priester?
Curieus dunkt me dat Woestijnvis zo een zeker kosmopolitisme wenst uit te stralen, maar dat de herkenning daarvan iets uitgesproken knus heeft. Totaal verrast was ik ook weer niet door deze paradox, omdat het productiehuis eveneens tekende voor misschien wel de hoogste eigenhaardheid: De allerslimste mens . Scoringsdrift voor open doel kan doen terugdeinzen.
Een andere paradox, die mij werkelijk rillingen geeft, is dat mijn indrukken, voor zover ze interessant of relevant zijn, misbruikt kunnen worden in ideeënstelsels die nou niet direct de mijne zijn.
Dit laat onverlet dat ik me bij De Ronde geen moment heb verveeld. Voor mij was dit nog eens verstrooiing, al was het door het veelbesproken lage tempo dat mij, als wanbegrijper van spanningen binnen relaties en familieverhoudingen in het algemeen, een beetje bij de les hield. Ook leek me de reeks inderdaad ‘technisch knap’. En dus domweg amusant, met als hoogtepunt de afpersing in een bordeel door types die Zizek lezen (een scène waarop ik wellicht gewoon jaloers ben, arbeidend aan een boek over koffie dat woord en daad met elkaar wil verbinden). Over een langere spanne van afleveringen bijzonder, vermoedelijk door de knappe acteursprestaties, dunkt me de intermenselijke ontwikkeling tussen een neutraal personage en ‘de West-Vlaming’ die heel subtiel Dieter De Leus heette.
Behalve de bekroning ervan dan. Zoals de hele slotaflevering, waarover de regisseur zelfs na afloop publiciteit wist te krijgen omdat hij er Fabio Cancellera in tot een cameo had weten te verleiden, bij mij alle twijfel wist weg te nemen. De vele verhalendraden moesten er namelijk in worden afgewikkeld.
Onder een Mantovani-achtige begeleiding geschiedde zoal dit:

- De (gescheiden) nationalist blijkt een pistool te hebben waarmee zijn kind en een logeetje van de buren op een onbewaakt moment schieten
- Niet de kinderen zijn daarvan de klos, maar de zorgzame opa die er een hartaanval van krijgt
- Diens dochter annex alleenstaande moeder is regisseuse en heeft onverwacht de hele Ronde van Vlaanderen mogen coveren en meldt die prestatie aan haar in coma liggende vader, waarna deze teken van leven geeft
- De aanrichters van een ongeluk met vluchtmisdrijf komen in een ziekenhuis oog in oog met de (om onnaspeurlijke redenen: alcoholistische) vader van het slachtoffer, krijgen zelfs koffiegeld van hem, en ontdekken spoedig wie hij is
- De zus van het slachtoffer is rondemiss en wordt gebeld met het goede nieuws dat het levensgevaar geweken is op het moment dat ze de prijs moet uitreiken aan Cancellara
- De ware veroorzaker van het ongeluk, een gescheiden vader, wordt in de arrestatieauto gebeld door zijn dochtertje met de vraag wanneer hij haar op komt halen

Is de verzamelnaam voor zulke plotwendingen niet: kitsch?

Naschriftje
In één week ging ter zuiderzijde Woestijnvis samen met Sanoma en Corelio, en ter noorderzijde John de Mols Talpa met SBS en, opnieuw, Sanoma. Komen de Finnen? Een fictiereeks over het langeafstandslopen binnen handbereik?

zondag 10 april 2011

Van WC eend naar topkunst (3)

John F. Kennedy’s inaugurele uitsmijter luidde ‘ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country’. (Wie het vergat werd er vijftig jaar na dato aan herinnerd.) Met 1651 woorden zou deze ‘historische’ rede nu een extremistische recensie zijn. Machinaal leg ik weer een verband met het literaire klimaat. Daarop lijkt noch een economisch noch een autonoom-geprivilegieerd perspectief relevant. Het blijft balanceren op het slappe koord tussen realiteitsprognose en zelfoverschatting. Daarom zou ik Kennedy’s slotwoorden wel eens willen zien toegepast op de heikelste aller kunstkwesties.
Want waarom blijft het subsidiedebat uiteindelijk intern, doordat er van buitenaf naar de zede vooral wordt geroepen en de kandidaten zelf al geen consensus bereiken? Onlangs las ik binnen een halfuur diametrale visies van twee Nederlandse auteurs. De ene, die hooguit drie echte lezers van haar oeuvre ontwaarde maar ook besefte dat de verkoop moeilijk achteruit kon, was ‘ontzettend blij’ met een werkbeurs. De andere vond dit fenomeen, waar hij zelf geen aanspraak op hoefde te maken maar dat hij collega’s van harte gunde, slechts uitlokken tot grote kwantiteit.
Wat kan een betoelaagde auteur doen voor zijn land, en dan zo vanzelfsprekend dat niet smadelijk wordt?
H.C. ten Berge oppert in zijn nawoord bij Een verhaal over het lichaam (2010) van Robert Hass een verwantschap van die dichter met Mark Strand. Een voetnoot meldt dan: ‘Voor Nederlandse poëzievertalingen zie onder meer: H.C. ten Berge, Op een mat van gele veren. Poëzievertalingen 1968-2003 (2005) en Een lakse bries. Vijfentwintig gedichten van Mark Strand (1983). Frank Despriet publiceerde een complete vertaling van Strands Dark Harbour (1994).’
In deze opsomming is volgens mij woede nog niet bekoeld, doordat het laatste jaartal 1993 moet zijn – gelukkig staat het correct in Ten Berges genoemde anthologie. Een beetje volger van poëzie weet dat de Lage Landen in 2006 werden verblijd met een bloemlezing uit Strands werk, Gedichten eten, vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Volgens de achterflap van dat boek liet het de Nederlandse lezer voor het eerst kennismaken met deze dichter. En hoewel het gedetailleerde opsommingen bevatte, ontbrak elke referentie naar eerdere vertalingen.
Als ontdekker van Strands werk voor de Lage Landen voelt Ten Berge zich zo gekrenkt dat hij op zijn beurt Van den Akker en Jansma verzwijgt. Begrijpelijk, temeer daar Gedichten eten meer aandacht kreeg dan de vele vertaalexploraties van Ten Berge bij elkaar. Maar hij handelt hetzelfde als zijn antagonisten. Is dat ‘typisch Hollands’? De uitgevers hadden hun auteurs erop kunnen wijzen, dat bestaande inspanningen mogen gerespecteerd. Toegegeven, het gaat hier om concurrerende bedrijven, maar dat feit verdient hilariteit: de markt voor poëzie is miniem. Dat het prestige van dat genre nog groot is, bewijst de toe-eigening van Strand dan weer wel. Tevens onthullen de diverse boeken hun financiële basis.
Een verhaal over het lichaam kwam mede tot stand dankzij een werkbeurs. Voor Gedichten eten is een vertaal- en reisbeurs verstrekt. En een deel van de beloning voor zijn P.C. Hooft-prijs moest Ten Berge besteden aan een publicatie met promotionele en informerende waarde – een lofwaardige regel, met Op een mat van gele veren leidend tot een fraai staaltje hoogwaardige arbeid. Alle hier ten tonele gevoerde boeken werden kortom gemaakt met steun van de gemeenschap. Mag die weten waaraan ze heeft bijdragen en daarvan profiteren, ergens tussen extase en walging? Het vermelden van elkaars daden hoeft geen proeve te zijn van eng nationalisme maar berust op gedeelde verantwoordelijkheid.
Ten Berge somt in Op een mat van gele veren redenen op voor het vertalen. ‘Overwegingen van materiële aard zijn zelden of nooit in het geding. Wat dat aangaat is er zelfs sprake van een bijna masochistische activiteit die tegen beter weten in wordt volgehouden. Een drijfveer van algemene aard is de overtuiging dat het (tegen alle negatieve en destructieve krachten in) nog altijd de moeite waard is de cultuur te verdedigen en, waar mogelijk, uit te dragen, zelfs al is de reikwijdte beperkt.’ Afhankelijk van je standpunt is dit te bestempelen als retoriek of als tragiek.
Jansma werd ondertussen ampel geïnterviewd voor De kunst van het dichten, een vakboek. Daarin kon ze zonder tegenvraag een heel hypothetisch verhaal doen over hoe poëtica’s van de jaren tachtig Strand in Nederland zouden percipiëren – terwijl dat verhaal aan de hand van feiten verteld had kunnen worden. Waren interviewers Henk van der Waal en Erik Lindner niet op de hoogte van Ten Berges vertalingen? Door Nederlandse versies van hetzelfde Strand-gedicht te vergelijken had in een kwart eeuw taalontwikkeling het algemeen belang kunnen worden geconcretiseerd.
Ask what you can do for your country?! Hoe is het mogelijk dat Kennedy, blijkt uit een andere moderne klassieker, nog geen anderhalf jaar na zijn rede, dus ruim vijfentwintig jaar voor Fukuyama, het einde van de ideologie afkondigt? Bij een persconferentie zegt Kennedy althans dat de meeste problemen waarvoor men wordt gesteld zo technisch zijn dat ze, als voer voor deskundigen, voorbij een politiek standpunt gaan.
De schijn van onpartijdigheid die dit wekt, is bavianenkul, maar hoe actueel! Mij staat niet bij hoe vaak politici worden overruled door een werkelijkheid waarop ze, zeker nationaal, amper grip hebben. Tevens wordt de laatste jaren eenieder die, om het woord ideaal dan maar niet te bezigen, iets zinvols in stand tracht te houden, beticht van ‘politiek’, die de klagers uiteraard niet onder de leden hebben. Inzake de gedichten van Mark Strand is het alvast zo dat Henny Vrienten in Zwaan kleef aan, een boek dat zijn urgentie vond in de wens voorbij poëticale complexen te raken, de Amerikaan citeerde uit de recentste vertaling. De kasseien van de geschiedenis geasfalteerd, cultureel geheugenverlies geïnstalleerd.
Koop nu, betaal later? Geen politicus zal dat willen verdedigen.

vrijdag 1 april 2011

Van WC eend naar topkunst (2)

Pleit ik subsidiegewijs werkelijk voor meer elitaire literatuur? Ja. Omdat alle aandacht naar het kunstwerk moet uitgaan, gemaakt met maximale pretentie. Ik besef dat dit begrip negatief geconnoteerd is.
Tweemaal had ik door een juryschap het voorrecht overzicht te krijgen van een jaarproductie. De sensatie drong zich op: waarom zoveel van hetzelfde? Het was niet slecht – maar bijna alles bleef gemiddeld. Auteursintenties lagen ook niet daar waar ik ze graag hebben wil. Maar net als voor Žižek blijft het alternatief voor mij nog abstract: ‘De uiteindelijke waarheid van de terugtrekking in de privé-sfeer is de publieke bekentenis van intieme geheimen in een tv-show. Tegenover dit soort privacy moeten we benadrukken dat het uitvinden van een nieuwe collectiviteit vandaag de dag de enige manier is om uit de ketenen van “vervreemde” verdinglijking te breken.’
Laat letterenfondsen dan maar investeren in afgewogen beoordelingen. En daarbij niet langer zoveel mogelijk auteurs van zoveel mogelijk gezindten iets geven, wat berust op gekwadrateerde inheemsheid. Op defensiviteit ook, waarbij de waarheidservaring verder weg ligt dan een onberedeneerde ‘diversiteit’. Wat voor verdunde toestanden levert dat postmulticulturalisme nu immers op? De Canadese dichteres Erín Moure ondervond bij het vertalen wat literatuur behelst: ‘to invite others to join it, not as foreign but as different, as glad bearers of a difference which strenghtens, in the paradoxical way that difference does have of bringing strength. To me, part of nurturing poetry in a national literature is welcoming a voice from another language into our own, and letting it change our own language.’ Die eetmetafoor herken ik. Alle lekkernijen die mijn kinderen nu als vanzelfsprekend eten, kon ik pas als gediplomeerd academicus proeven. Mijn enthousiasme voor die verrijking en progressie lijkt me niet automatisch verblind of schamper.
Multiculturalisme heette naïef omdat het verschillen wel propageerde, maar er in de praktijk onverschillig tegenover zou staan en de gevolgen niet wilde onderkennen. Daarom reguleerde het postmulticulturalisme verschillen tot economische grootheden en verwijst ‘diversiteit’ niet naar alles, maar naar de selectie eruit die bruikbaar is. Met een zo dominant neoliberalistisch verhaal, opgedist door alomtegenwoordige media die op hun beurt verschillen marketen, is het vanuit subsidieoogpunt zinloos nog zelfbevestigingen te onderschrijven. Dan sponsor je staatskunst.
Niet dat er kritiese toestanden vol eigen ervaring betreffende ‘relevantie’ een wederkeer behoeven, maar de staat zou het lef mogen hebben om, juist om niets uit te sluiten, tegengeluiden te bevorderen die dermate structureel zijn dat ze zich niet laten absorberen. Die verandering herbergen. Indien de indruk rijst dat ik het oude avant-gardistische criterium van vernieuwing naar voren schuif, dan klopt dat niet helemaal. De door mij beoogde literatuur zal nadruk op haar taalgebruik leggen, maar niet ter ‘ontregeling’. Ze wil de ideologische premissen van het bestaande oprakelen en dus ook redenaties die leiden tot etiketten als ‘gedateerd’. Want die verstikken alles wat niet tot efficiency valt te reduceren, inclusief zij die hun leven en lijden weigeren te exposeren. Ik prefereer een stelsel met een ander eigenbelang. Door alternatieven kan de staat zich perfectioneren. Er is ruimte voor tests, en aldus draait het alom gevraagde rendement richting vooruitgang.
Nu zetten de letterenfondsen door hun wens niet ‘politiek’ te zijn op bizar veel auteurs in en geven hun daarmee veeleer een kans op falen. Want hoe moeten uitgevers de talloze hieruit voortkomende teksten adequaat begeleiden en promoten, hoe kunnen media in hun met tanende plaatsruimte samenhangende simplificaties aan al die schrijvers aandacht geven en wat moeten boekhandels met overdoses onbekendheden? Het huidige subsidiebeleid heeft in Nederland ook iets pervers: in projectbeurzen wordt een eenmalig bedrag uitgekeerd, zodat auteurs overhaast hun boeken voltooien ten behoeve van een nieuwe aanvraag. Evenmin hoeven stimuleringsregelingen van mij steun te bieden aan de strategie van soms toch al surreëel door gemeenschapsgeld gedekte uitgevers om debuten op de markt te plempen. Statistisch is er kans dat daar wat bijzonders tussen zit, maar vooral dat 95% dat niet is.
Het dunkt me nobel om subsidies gelijk te verdelen, maar kunst is niet democratisch. Het begrip ‘kwaliteit’ verdient nieuwe operationalisering, van verinheemsing naar een voorstel tot verandering. Daarbij zal de lezer zijn rol van consument kunnen afleggen; gesubsidieerde literatuur is een aanvulling en correctie. De markt laat zich kennen door een onophoudelijk gespui van superlatieven en werkt derhalve tot in zijn poriën competitief. Bijna elke prijs maakt ‘nominaties’ bekend waaruit, steevast paginagroot bediscussieerd, een ‘winnaar’ moet komen. Moge de lat dan maar eens waarlijk hoog komen te liggen, in het besef dat het al heel mooi is voor de Lage Landen indien er van één eeuw drie titels overblijven. Het mooiste zou uit wereldse overwegingen zijn dat auteurs al dan niet parttime werken buiten hun schrijfpraktijk, maar anders zou een uitkering passen, ook tegenover de obsceen verbreide illusie van volledige werkgelegenheid.
Zo’n 25 echte topauteurs (nee, daar reken ik mezelf niet toe) zouden ondersteuning hoeven krijgen. Op dit punt wordt de afstand tot de gemeenschap alsnog verkleind, doordat een werkbeurs moreel verplicht, ook jegens collega’s. Mij is het altijd een raadsel gebleven waarom auteurs zo op hun eigen hachje gericht zijn dat ze de context waarin ze arbeiden versmaden – en daarmee het restantje van de mensheid in het gezicht spugen. Is men te druk met competitie, wat al helemaal niet te verenigen valt met de voorstelstatus die literatuur ten hoogste kan bereiken?
Een verplichting mag eruit bestaan mee te doen aan educatie voor alle geledingen van het onderwijs. Zo brengen gesubsidieerde auteurs ten minste één direct nut. In het verlengde kan eventueel resterend geld besteed aan de professionalisering van een platform voor literaire kritiek waarin veel is geïnvesteerd. Dit ter demonstratie van het eveneens onloochenbare gegeven dat door scrupuleuze aandacht voor een boek werelden zich kunnen openen.