vrijdag 25 maart 2011

Van WC eend naar topkunst (1)

Weinig onderwerpen worden zo gegijzeld door animositeit als cultuurpolitiek. Bij haar aantreden als Vlaams minister van allerlei portefeuilles waaronder cultuur stond Joke Schauvliege geen grootse toneeltitel bij die ze bezocht had, waarna Erwin Mortier haar onbekwaamheid diagnosticeerde – de eerste beleidsdaad moest nog verricht. Nederland gonsde al van de verontwaardiging over bezuinigingen voor er een staatssecretaris voor cultuur was. Sinds Halbe Zijlstra die functie bekleedt zijn er manifestaties tegen ‘de kaalslag’.
Toen hij daarna zijn plannen op de televisie ontvouwde, wist theatermaker Erik Vos zich gekwetst door diens arrogantie. ‘Laat deze staatssecretaris van Cultuur Sophocles’ toneelstuk Antigone er maar eens op nalezen, of een voorstelling daarvan proberen bij te wonen.’ Had Vos zijn slotwoorden evengoed tot Schauvliege kunnen richten, de teneur was helder: hoge kunst verdraagt geen barbaren. Maar mogelijk is deze evenmin gediend bij mensen die termen als ‘diepgang’ en ‘zinnelijk genot’ uitstoten, en berust kennis van het veld veiliger bij ambtenaren.
Andersom valt op dat de maatschappij zich incompetent verklaart die kunst te begrijpen, en ermee gemoeide subsidies veroordeelt. Ze worden niet ervaren als ontwerpen voor bruggen waarover burgers en kunstenaars elkaar kunnen ontmoeten, maar als explosieven voor intellectuelen annex academici die op een eiland soortgenoten willen treffen. Even vicieus heten argumenten pro hun unieke kunstenaarschap die, en op dit aambeeld hamert Geert Wilders’ PVV, slechts toetsing binnen de eigen kring velen, conform de reclame Wij van WC eend adviseren WC eend. Bovendien vertrekken ze bij dit hovaardige complot tegen het volk vanuit een illusie als ‘kwaliteit’. Lollig dat die geloofskwestiebevinding een wetenschappelijk fundament heeft (Bourdieu, bepaalde typen postmodernisme).
Minder lollig dunkt me niet-aflatende kritiek op subsidiebeleid via het internet. In theorie is dat de juiste plek omdat iedereen daar zich kan uitspreken, ware het niet dat er vooral collateral damage aangericht wordt. Het bulkt er van de zogenaamd compromitterende feiten over tot achter de komma onthulde wereldvreemde linkse zakkenvullerij, inclusief namen van ongetalenteerd geachte gesubsidieerde kunstenaars ofwel van vermeend corrupte commissieleden. Zelden geeft het onderbouwde betogen of exploten van, ja, kennis. Van politici kun je nog volhouden dat ze als publieke figuren slachtpartijen mogen slikken, van privé-personen niet. Volgens mij volstaan beroepsprocedures om te protesteren – wie de openbaarheid misbruikt, mag uitgesloten worden van subsidies.
Dit laat onverlet dat het complottheoretische gamma van ‘belangenverstrengeling’ tot en met ‘nepotisme’ glinstert; het Nederlandse taalgebied is klein en de incrowd te Vlaanderen neigt naar het claustrofobische (en kan zowel terecht bij het letterenfonds als de minister). Eigenlijk zouden functionarissen computers moeten laten combineren uit een poule van specialisten, voor wie een burgerplicht geldt in voortdurende roulatie. Zij vormen teams met uiteenlopende achtergronden en leeftijden. Eén wetenschapper, een vertaler, één auteur die al subsidies heeft gehad, enz. Louter recensenten zouden niet voor de functie in aanmerking hoeven te komen, omdat zij in een literaire klimaat dat van representaties en overaanbod aaneenhangt al hun stem laten horen. Bij dit alles kan de wederzijdse onwetendheid van Nederland en Vlaanderen worden benut door uitruil, om bij gelijke competentie een bevooroordeeldheidspercentage te verlagen.
Ondanks discutabele trekken van het internet als medium is het leerzaam kennis te nemen van reacties op stukken die een zeker kosmopolitisme bepleiten. Ik herinner me een kunstenares die verklaarde de dag na de geboorte van haar kind met het hele gezin trots alweer het vliegtuig naar New York te hebben genomen. Mijn triestheid vervloeide in verbazing over de comments. Ze wasemden afkeer: belastinggeld gaat op aan toestanden waaraan binnen de landsgrenzen amper lol wordt beleefd – en de betalers zijn slachtoffer. Wel hebben zij kennelijk alle tijd om luiwammesen van repliek te dienen. In België gloort dit sfeertje steeds scherper na elke kanttekening bij het separatisme van Bart De Wever. Het betoog van dienst ontvangt niet alleen een vloed aan verontwaardigd commentaar en blijkbaar bedreigingen, het zou ook accentueren dat Vlamingen altijd het onderspit delven.
Toch snap ik die reflex: amper bekomen van rooms-katholieke bemoeizucht wordt de massa nu gezalfd door seculiere paters. Deze keer is alles ‘oubollig’ en ‘eng’ in vergelijking met hun ‘open vizier’. Dit steekt helemaal indien een fils à papa of een kabinetsveteraan de nog te bekeren provincialen uitnodigt in hun comfortabele tempel, die immers volledig wordt bekostigd door hen.
Dat de zich slachtoffer wanende aanklagers economisch in een gunstige orde vertoeven, zeker in verhouding tot ‘de kunstenaar’, hoeft niet gezegd. Ze beleven het anders. En ook daarvoor valt begrip op te brengen: zoals er een benepen aantal, gedragsverwante Bekende Laaglanders is in televisieprogramma’s, zo regeert het Matteüseffect in de kritiek-, opinie- en voordrachtsbranche. Dat er onderwijl algemene desinteresse heerst voor heel wat kunstvormen, is wel degelijk iets om zich zorgen over te maken, temeer daar dit niet per definitie aan ‘de massa’ ligt. Het schijnt tot sommigen maar niet door te dringen dat het algemene misprijzen voor hun daden niet wijst op kritische prikkels die van hun kunst uitgaan.
Anderzijds is zwelgen in een flagrant gebrek aan Anklang evenmin goochem. Men zou zich juist aangespoord mogen voelen het kunstwerk scherper te positioneren. Dit moet misschien inhouden: meer elitair. Afstand tot de gemeenschap is geen probleem, wanneer het kunstwerk die afstand legitimeert in plaats van het onbegrepen genie. Maar aan bakkers vraagt niemand wat het nut is van brood bakken, dus waarom aan schrijvers wel waarom ze schrijven? Vanwege hun voorrecht, dunkt me, dingen te maken die rechtstreeks nut ontberen. En als tegenwicht voor collega-flapdrollen die bijdragen aan ‘het publieke debat’ door op opiniepagina, radio of televisie of – laat ik mezelf niet wegvegen – op een blog zelfs over de prijs van het brood meningen te plengen.
Het zou van realiteitsbesef getuigen indien auteurs zich niet zozeer defensief als wel bescheiden opstellen. De wereld draait heus door zonder hen. Dat nare zinnetje moet, met respect voor hun families, neergeschreven tegen mythes van ‘beschaving’ en ‘verdieping’ dat auteurs visionairs zijn met bovengemiddeld empathisch vermogen.

maandag 21 maart 2011

Lente (goe poeier)


Een gedicht dan maar? Voor een muziekfanaat als ik is de verleiding te groot geworden louter nog Marvin Gaye’s What’s goin’ on af te spelen, bij voorkeur in de liveversie van Donny Hathaway omdat die de frase ‘Don’t you punish me with brutality’ het meest pregnant vertolkt. Ditmaal is Libië het toneel waar in naam van de vrijheid geweld gebruikt wordt, waar burgers zowel slachtoffer als levend schild kunnen zijn – en waar de bestaande situatie evenmin om te lachen was. En altijd zweemt het allerhoogste eigenbelang: de olie, brandstof voor consumptie.
Voor of tegen wat met de poëzie van deze gelegenheid Odyssee Dawn heet? Langer nadenken helpt mij niet. Anderen erover horen? Mwah. Stof voor ergernis soms, zeker indien pacifisme in de hoek kan worden gezet als ‘naïef’, inclusief een decennium waaruit zijn gedateerdheid moet blijken.
Heeft zelfs in expliciet ideologische tijden overzichtelijkheid ooit bestaan? Er was eens een sprookje dat begon met de woorden ‘er was eens’. Toen kwam er een olifant met een lange snuit en toen hij daarmee bijna al die woorden weg had gespoten werd hij weggeroepen voor een vergadering.
Wellicht is het zich onthouden van een standpunt evengoed gratuit. Net als vergelijkingen trekken met enig toen waar ook op de wereld. Of gradaties aanbrengen in de ernst van het hier (dichtbij, Japan, Golf van Mexico).
Alle ballen maar op ietsje echtere poëzie, waar kogels in een handomdraai vogels worden. In het besef dat het ook in Libië is begonnen met dumping van raketten uit die gemechaniseerde dieren. Wat zouden ze er zelf van vinden?

Vogels horen de dingen die over hen worden gezegd.
Ze vliegen heen en weer en vangen transparante woorden.

Vogels houden van woorden die ze niet kunnen verstaan.
Over zulke woorden spreken ze met andere vogels.

De veren van vogels zijn gemaakt van die gesprekken.
Vogels houden van de dingen die over hen worden gezegd.

Ze willen niet weten wat transparante woorden betekenen.
Over hun veren weigeren ze een gesprek te voeren.

Ze houden van transparante dingen die ze niet kunnen zien.
Vogels vliegen heen en weer en vangen zichzelf.

Een prijs naar eigen idee voor wie weet wie de auteur van dit gedicht is en in welke bundel het stond. En waarop deze kennis berust.
Over de prijs en over de uitslag kan worden gecorrespondeerd. Ik zeg dat mede omdat de titel van het gedicht is ‘De noodzakelijkheid van een vogelboek’. Het op de valreep genoemde medium spreekt me des te meer aan door twee recente pleidooien voor toepassingen van het internet, met buitenstudeerkamerigheid weer eens als keurmerk.
In het ene pleidooi werd onder meer met Twitter gedweept, via welk een slachtoffer van een verkeersongeluk meteen handige tips kreeg. Het andere verklaarde Facebook heilig, via welk een netwerk van gelijkgestemden ontstond.
Heeft olie virtuele gedaantes aangenomen? Indien ik me goed begrijp, dan ben ik meer dan ooit geporteerd voor valse noten en nog meer ongevallen. Maar dan vanaf een overeen te komen punt van tweedracht dat het gedrag van vogels ook legitimeert.

vrijdag 18 maart 2011

Dinges



Jaloezie
Blijkens aantekeningen achter in zijn bundel, een genre waar ik sowieso knap zenuwachtig van kan worden, is een gedicht van een collega verspreid op bierviltjes (in een oplage van 500.000).

Verstomming
Over België wordt vaak gesproken in termen van in-zichzelf-gekeerdheid. Zo raken brede oratoren behalve zeldzaam per definitie bevlogen. Voor Holland zou deze verhouding precies andersom liggen.
Het Belgische televisiejournaal van de publieke omroep bracht een item over een landgenoot op de WK afstanden, 5000 meter. Achter in het klassement geëindigd was hij maar een halve seconde boven zijn persoonlijk record gebleven, wat toch knap was omdat hij nog niet zo lang aan schaatsen deed. Einde bericht. Zou het echt heel Hollands van mij zijn ook iets van het kampioenschap te willen weten en, bijvoorbeeld, wie er deze afstand het podium gehaald hadden? Ik vroeg me dat af voor opzoekwerk leerde dat de winnaar was: Bob de Jong uit Leimuiden.

Innemendheid
Oké, het is altijd wat met België, maar het gezondheidsstelsel loopt vergeleken bij de wachtlijstenlitanie in het Noorden geolied. Ik vind het zelfs instructief, doordat je voelt wat geneeskunde ook is: na elk consult moet je de arts contant betalen. Voor de gedeeltelijke schadeloosstelling hiervan zijn er ziekenfondsformulieren, waarop je een gele sticker (‘klever’) met je gegevens bevestigen moet. Helaas geen kwestie van knippen en plakken, de namenvellen zijn voorgestanst en aan de achterzijde voorzien van een gomlaag. Wel staat me een recent bezoek aan het ziekenfonds de schouderophalende irritatie bij dat men gigantische partijen geel stickerpapier besteld had, waarop de fabrikant louter vergeten bleek de gomlaag aan te brengen.

Vertrouwen
Is Berlusconi het niet aan zijn stand verplicht elke no-fly zone te onthalen als een enorm goed idee? En sinds wanneer treden conducteurs getweeën een coupé binnen, stellen ze zich ieder aan een uiteinde op en beginnen dan, de gezichten naar elkaar toe, de kaartjes te controleren?

Begrip
Kon het gekker? We aten vlees. Toen het op het bord lag, kreeg ik de aanvechting jus te maken, een handeling van minstens twee decennia her. En het smaakte inderdaad super tussen de geprakte aardappelen en de bloemkool. Ik vertelde ons taalkundig genie dat papa zijn eerste achttien jaren bijna dagelijks zulke kost had gekregen. ‘Kun je je dat nu indenken?’ Misschien was ze nog immer aan het recupereren van de mededeling op school dat haar term citodeetje voor een dvd niet bestond (dat gaat nog wat geven met bodyverwarmer), maar ze keek dermate glazig dat ze elk moment naar omi leek te kunnen emigreren.

Deceptie
Toen ik opgroeide kwam er een bakker, melkboer, groenteboer, schillenboer, scharenslijper en voddenman aan de deur. En, eens per jaar, een schrijver. Immer regende het als hij zijn in prut gebonden boeken uit zijn groeiende oeuvre trachtte te verkopen. De op A5-formaat gekopieerde tikmachinevellen hadden een rode kaft. In één titel stond een verhaal over een erfenis van 17 dieren, tussen drie broers die elk een zoveelste deel kregen, een som die louter opgelost kon worden door er één dier bij te doen. Na verdeling kon dat terug naar de eigenaar. Ik stond paf van die wiskunde, de schrijver moest wel een genie zijn. Later kwam ik het verhaal tegen bij Brechts meneer Keuner. Onlangs bij herlezing vreemd genoeg weer.

Ongeloof
De huidige posttarieven zijn niet van gisteren. Maar wie voor een zending binnen Europa een A4 doormidden vouwt voor een passende envelop betaalt nog altijd 3 euro meer dan hij die dat vel tot een derde van de hoogte vouwt – voor een ‘genormaliseerd formaat’.

Doorzicht
Tijdens de week van de garagepoort bericht een wijze vrouw mij, toch enigszins opgeleid en redelijk fanaat bezig met het vak: ‘Er zijn nu eenmaal mensen, fietsbellen en potloodpuntjes, nietwaar’. Ook na veel naspeuringen blijft de bron onbekend, net als de betekenis, maar mijn geloof is bij elke herlezing onvoorwaardelijk.

Twijfel
De documentaire over 150 jaar Max Havelaar was van de omroep MAX. Het zou toch niet waar zijn? Magnifiek eigenlijk, en weer eens wat anders dan een verantwoorde banaan. Maar de naam lijkt te refereren aan de omroepleden, die ouder dan vijftig zijn. Wel zat ik nog in mijn maag met de uiteraard opgevoerde hertaling. Arrogant en fatalistisch, om jeugd incapabel te achten een voorbije eeuw te betreden. De hertaler die een spleetje tussen zijn voortanden had, zei echter dat Multatuli literatuur als middel had gezien. Daar had hij toch een punt. Dan is het alleen nog de vraag of het beter moorden is met een bot of met een scherp mes.

Onverbeterlijkheid
‘We tellen het grootste deel van ons hernieuwbaar energiegebruik (zoals daglicht, ventilatie dankzij de wind, warmte van de zon) niet mee omdat we er niet voor betalen. In onze bekrompen visie is energie een wereld van geld en macht. Voorlopig wel. Natuurlijk las u dat goed: atoomenergie levert slechts een schamele 2 procent van de eindenergie voor onze apparaten. Waarom dan al dat gedoe erover?’ Zoiets publiceren met mogelijkheid tot reageren, is bijna smeken om comments tegen de wetenschap. Maar dat het er ook vlak na de nog immer durende ramp in Japan zoveel zijn, en zo heftig, stelt teleur.

vrijdag 11 maart 2011

Of-ie wors lus


Jean Améry maakte ooit gewag van een dubbelzinnige gewaarwording: ‘het gevoel aan de ander uitgeleverd te zijn en ons naar hem te moeten richten en het gevoel de ander nodig te hebben en de wil dat hij zich daarnaar richt’. Speelde zoiets bij het meisje dat niet meer mocht werken in de HEMA te Genk omdat het een hoofddoek droeg? Het was een Vlaamse van een uitzendbureau, en de Hollandse HEMA-bazen entten zich op de Belgische zede. In zo’n spiraal van projecties lijkt alles mogelijk, inclusief bevrijde Noord-Nederlandsheid achter de feiten.
Heb ik de 1001e mening over deze zaak met de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam? Mij intrigeert dat, ook na de opheffing van de ideologieën, het wij-zijdenken er weer uit opdoemt. Zou dat vermeden kunnen worden? Paul Scheffer heeft erop gewezen dat alleen al de notie ‘wij’ een taboe is, vanwege haar verleden in die vermaledijde ideologieën. Maar er valt niet aan te ontkomen, wanneer je nuchter in plaats van ijdel in de spiegel kijkt, zoals in het Beatles-liedje Nowhere man: ‘Isn’t he a bit like you and me?’ Ook kosmopolieten die zich, door opleiding of luxebiotoop, voorbij het wij-zijdenken achten, vormen schier onvermijdelijk een groep. Zeggen zij wanneer ze hun zelfverklaarde redelijkheid in stelling brengen zelfs niet evengoed Eigen volk eerst?
Het zijn rare tijden en dat zijn het. Mij dunkt dat vooral Nederland door de regeringskeuze kampt met een complexe actualiteit, waarin de leidraad foetsie is die door vermeende historische parallellen heropgepikt wenst. België lijkt een vrijblijvender radicalisme te geven, en door de zenuwen vanwege de vertrouwde maar erg lang durende impasse apprecieert het een rituele oorwassing net even wat meer misschien.
Als vader-in-opleiding bekruipt me de indruk dat het wij-zijdenken de opvoeding min of meer reguleert, doordat gaande de jaren telkens één aspect doorweegt. Voor de allerkleinsten is het wij-gevoel cruciaal (geborgenheid), even later schijnen ze op de gevaren van een zij gewezen te moeten (grenzen). Vervolgens creëren pubers desnoods een zij, waartegen ze zich kunnen afzetten, en daarna verleggen adolescenten het accent naar identificatie – en moet ik denken aan een prachtcitaat van Jacq Vogelaar: ‘Is buiten schot niet tevens buiten bereik van andere dan vijandige toenaderingen?’
Ook de werkkring heeft natuurlijk wij-zijtrekjes, zeker wanneer de concurrent bepalend is voor de strategie. Wanneer de belangrijkste aandacht echter aan de klant geschonken wordt, overweegt het scheppen van een wij-gevoel, al was het voor de buitenwereld. Een concern als Starbucks is daar handig in, maar politici behoren er uiteraard ook pap van te lusten. Na alle decentralisatie in West-Europa en de neoliberale bejegening van allochtonen, neemt de focus op wijken, buurten, straten toe. Daar kan een wij in de kleinst mogelijke, veilige gemeenschap op touw worden gezet.
In dezelfde periode nam het internet bezit van huishoudens. Dit medium biedt mogelijkheden te over voor identificatie; communities laten zelfs parallelle identiteiten toe, te voorzien van nicknames. Wellicht ben ik er overgevoelig voor, maar de identificatiedrang kan er even hysterisch zijn als, met het arrogantste woord mij bekend, burgerlijk. Non-stop constructies van een zij door verbale lynchpartijen op het randje van paranoia zullen allicht ook een wij veroorzaken, zij het labiel en zonder veel referenties aan de werkelijkheid.
Een specifiek project hierbij is Facebook. Ik heb vaker beweerd dat dit me voorkomt als een parochiale bouwtrant, waarbij uitverkorenen delen in de blijde boodschap van een ego, maar mogelijk is het leuk er een oudtestamentisch heerschap bij aan te halen: ‘De schrik voor mij stuur ik voor jullie uit, ik zal paniek zaaien onder elk volk waarmee jullie in aanraking komen, zodat al je vijanden op de vlucht slaan’. Dit citaat leende ik uit Rüdiger Safranski’s Hoeveel globalisering verdraagt de mens? Hij zei dat de God van dienst, voor zover Hij zich voor hoeder van de eenheid uitgaf, zelf het probleem was waarvoor Hij de oplossing meende te zijn, door zich af te scheiden van de goden van de andere stammen en volken.
Juist vandaag, nu in de niet-virtuele wereld een aardbeving, een tsunami en een brand in een kerncentrale kwesties van wij of zij ridicuul maken, bruuskeert Facebook; bij de revoluties in Noord-Afrika mag het algemene belangen gediend hebben, zijn narcisme overheerst. Ik zwijg nog over het door internet en mediatisering uitgegumde verschil tussen publiek en privé. Het verandert het wij in een zo dictatoriale categorie dat een verlangen naar onwetendheid zich opdringt.
Misschien kan het proces van gemeenschapsvorming authentiek gestalte krijgen door sport. Goed voor lichaam en voor geest, heet het, en het laatste artikel krijgt een extra dimensie als het in teamsport fungeert. Wel heeft het te maken met toestanden die het wij zo weerbarstig in de verf zetten dat er middelen van het zij nodig zijn om geen negatief saldo voor het totaal te boeken. Verhoudingsgewijs goedmoedige supporters hebben plaatsgemaakt voor zogeheten harde kernen.
Eveneens in de plaats waar de HEMA haar oorsprong vond. Daar serveert niet de oudste, wel de meest gerenommeerde voetbalclub een geprononceerd wij. Over de aanvallende speelstijl met vleugelspitsen waarbij de tegenstander moet worden vastgezet op de eigen helft oreert een Verlosser uit Barcelona soms zelfs evangelies. Ook de spelers hebben te gehoorzamen. Toen een van mijn helden, Winston Bogarde, verhaal wou halen bij etterbakkige fans van Sparta, werd hij berispt door de voorzitter: ‘Een Ajacied doet nooit zijn jasje uit.’ De supporters ventileren een in principe aanpalende identiteit. Ze noemen zich ‘joden’ en daarop spelen collega’s van rivaliserende clubs in. Dat zorgt ook weer voor tegenreacties; in laatste instantie bepaalt het zij de identiteit.
De laatste tijd kampt het sterrenelftal met interne twisten. Met name de voor veel euro’s aangekochte centrumspits gehoorzaamt niet, wat al onwaarschijnlijke motieven toebedeeld kreeg. De tekst waarmee de harde kern hem uitsloot was echter ronduit fabuleus: ‘El Hamdaoui is geen jood’. Eerdaags een spelersruil met KRC Genk?

zondag 6 maart 2011

Brecht zegt (1)


Volgens Hannah Arendt kwam de ironie van de Dreigroschenoper niet helemaal aan. Eerbare zakenlieden zagen in het stuk, dat hen als gangsters opvoerde, diep inzicht over henzelf en het reilen en zeilen in de wereld. Gepeupel ervoer een sanctionering van het gangsterdom, terwijl de elite juichte dat hypocrisie superieur werd ontmaskerd. Met ‘Erst kommt das Fressen, dan kommt die Moral’ als correcte samenvatting lag de weg naar het populisme open, suggereert Arendt. Van het épater le bourgeois werd haars inziens de elite de klos.
Klinkt vertrouwd! Wel stamt Arendts opvatting uit de jaren vijftig en Bertolt Brechts gememoreerde totaaltheater uit 1928.
De draaischijf is verandering op basis van gemeenschappelijkheid. Recent wist ik me toch gesterkt door een carnavalsdag op de school van ons taalkundig genie: iedereen was vrolijk uitgedost en in elkaar geïnteresseerd. Behalve één meester die zijn kloffie had aangehouden en alleen stond met zijn wereldwijze theorie. Juist inzake haalbaarheid had hij wat kunnen opsteken van een kind dat, vernam ik, een zeerover was nadat het inzag onmogelijk gekleed te kunnen gaan als iPhone.
Veel is beweerd over carnaval, maar met het principe van de omgekeerde wereld toegepast op verandering raakt Arendts object nabij. Wat wou Brecht anders? Op het legendarische Parijse schrijverscongres in 1935 pleitte hij zelfs niet te ageren tegen nazistische barbarij zonder ‘de eigendomsverhoudingen’ intact te laten.
Nu heeft Brecht teksten gezweet. Maar voor Hollanders is al lang geselecteerd in de Dagboeken, zodat snel blijkt dat hij collega’s niet moest die schreven uit zelfverklaarde wereldvreemdheid. In een naar verluidt secure arbeiderische coiffure en outfit stortte Brecht zich in het leven, omdat hij ‘weinig bekwaamheden voor de literatuur’ zou bezitten (dikwijls klaagt hij over zijn onkunde met werkwoorden en hij wil ‘moderne jamben’ leren). Maar heeft de techniek ook gevolgen voor het veranderingseffect?
Brecht vindt dat mensen, lezers, slaven zijn zolang ze vreugdeloos moeten arbeiden. Hun brein wordt dan het enige middel waarmee ze kunnen ontsnappen. Daar moet de auteur toe willen doordringen. Maar ‘zowel het standpunt van de schrijver als zijn pogingen die ook aan de lezer op te dringen, zijn doorzichtig als glas. Er zijn geen geheimen, en waar geen geheimen zijn, is geen waarheid.’ Ook koesterde het publiek liever de illusie dan de door de auteur geambieerde verfremdung, en namen uitgerekend de nazi’s hem wel serieus, door zijn Duitse nationaliteit in te trekken vanwege regels als:

Met tsjingboemsasa en tot wederziens!
En vrouw en hond en paap!
En tussen hen in de dode soldaat
Als een bezopen aap.
(vert. Martin Mooij)

Die ambivalentie zit al vervat in de naam van Brechts fameuze (anti)personage Herr Keuner. Enerzijds is deze een ‘keiner’, anderzijds dient hij via de Griekse term ‘koinos’ het algemeen belang. Dit verzacht uit de lebmaag der receptie misschien zowel het zuur van de Leer als van salonsocialisme. In de laatste jaren klonk nog: ‘Principes worden in leven gehouden door ze te schenden.'
Desalniettemin beoogde Brecht zelfs voor poëzie een breder verband. In september 1920, hij is dan 22 jaar, verzucht hij dat er geen taal is die iedereen verstaat. ‘Beïnvloeding gaat langs een andere weg: ze overmeestert (hypnose)’. Dezelfde maand verwijst hij naar Rodins Burgers van Calais waarin een offer voor de gemeenschap wordt uitgedrukt. Het beeldhouwwerk, zegt Brecht, had van de maker op dusdanig lage sokkel mogen staan dat de levende burgers niet kleiner geweest zouden zijn. Zodat het offer vanuit hun midden plaatsgrijpt. ‘Op zo’n manier dienen de gedichten tussen de mensen te staan.’
Ik kwam deze passage ook tegen in een zalig Duits syllabusboekje met Brechts verspreide teksten over poëzie die, vermoedelijk vanwege het heikele onderwerp, ietwat stroefjes zijn geformuleerd. Gewapend met een woordenboek heb ik geprobeerd er enige te vertalen.


Over lyriek en de staat

Destructieve en anarchistische lyriek weerspiegelt zeker een destructieve en anarchistische maatschappelijke orde, wordt daardoor ‘aangestoken’, getuigt ervan – maar tegelijk vernietigt ze vaak deze destructieve maatschappelijke orde, die er immers van afhankelijk is om zich als constructief te presenteren, en de roep om ‘geen heerschappij’ kan in zoverre het bestaande ondersteunen dat hij de roep om iets beters overstemt, hoewel dat in elk geval een slechte dienst is, en de heersers nemen hem met genoegen aan.
Niet alle menselijke productiviteit wordt in de immers altijd beperkte productie opgenomen. De niet onmiddellijk binnenkomende elementen vallen niet ergens zo ongeveer ernaast, maar ze spreken tegen, zijn niet louter betekenisloos maar hinderlijk. Aldus kan alleen een erg ruim uitgemeten strijdperk rekening met hen houden, en voor het productieve zijn erg goede oren nodig. Het is een hele kunst om ze tegen vernietiging te beschermen, dus tegen dat ze vernietigen en tegen dat ze vernietigd worden.
De staat benadeelt de staatsvriendelijke literatuur, indien hij de staatsgevaarlijke literatuur onderdrukt, hij kortwiekt haar, maakt haar tandeloos, ontdoet haar van feiten.
[jaren dertig]


Uit: Realistische kritiek

Het is helemaal verkeerd om kritiek als iets doods, onproductiefs, zogezegd langbaardigs te beschouwen. Deze opvatting van kritiek wenst de heer Hitler te verbreiden. In werkelijkheid is de kritische houding de enig productieve, menswaardige. Ze betekent samenwerking, verdergaan, leven. Echt kunstgenot zonder een kritische houding is onmogelijk.

Tegenwoordig, nu ons naakte bestaan lang en breed tot een vraag voor de politiek is geworden, kan er al helemaal geen lyriek bestaan, als het maken en lezen van lyriek afhangt van criteria die ver afliggen van het verstand. Onze gevoelens (instinct, emotie) slibben volkomen dicht, ze zijn in een voortdurende strijd verwikkeld met onze naakte belangen.

De kritiek verhindert het genot geenszins, tenzij ze bestaat ze uit humeurige bedilzucht. Zonder de gave van het kritisch genieten kan het proletariaat al helemaal niet de nalatenschap van de burgerlijke cultuur aanvaarden. Historisch besef, waarzonder men niet kan genieten, drijft kritiek aan, zo zal duidelijk zijn. Daar moet de vroegere perfectie van een ding gevoeld worden die, ondertussen in een mindere veranderd, nergens meer in deze perfectie te aanschouwen is, voortaan ongenietbaar in de dodelijke betekenis van het woord geworden is.
[eind jaren dertig]