zaterdag 31 december 2011

F.C.

Een megasupermaxfeitje in de Nederlandse literatuur afgelopen jaar: Geerten Gossaerts Experimenten vierde zijn eeuwfeest. De bundel bleek een geval van overvoltooiing: de twintig gedichten van het origineel werden er ultima manus zestig. Ondertussen raakten Gossaerts diverse niet-literaire interesses gebald onder zijn burgerlijkestandsnaam F.C. Gerretson. Hij leidde een publiek leven, van hoogleraar over CHU-kamerlid tot Telegraaf-medewerker. In gemeenschapskunst, voor ‘het grauw’, zag hij niets.
Gossaerts dichterschap heeft volgens mij alleen nog prominente steun van Hafid Bouazza die geen hinder ondervindt van ‘bezielde retoriek’ en een ritme dat niet uit spitzen maar paardenhoeven opklinkt. Terwijl autochtonen bekennen mondjesmaat poëzie te proeven (‘soms een gedicht, boek wegleggen’), adviseert Bouazza slempen, zodat het gedicht zich kan nestelen in de bloedbaan. Dit past bij de stamina van Gossaerts volkomen gekunstelde lyriek.

Helena in Ægypte

... Toen stond hij stil
En zag rondom zich, luisterde en snoof...
Maar geen vervolging tierde achter ons.
Rondom ons sloot de eenzaamheid. Alleen
Een rauwe bergbeek, buldrend in ’t ravijn,
Bekende nors de sombre heerschappij
Der stilte, ontzachwekkend als de dood.
En toen, in vreemde heete razernij,
Smeet met een plotsen ruk hij ruglings mij
Neêr in de ruigte en, over mij gebukt,
Zag ’k éenen oogwenk ’t bloeddoorlopen oog
En rooden, siddrende vertrokken mond
Eer hij mij met zijn uitgespreide hand
’t Gelaat bedekte en mijn weêrstrevend hoofd
Naar achtren over drukte in ’t vaarnen bed
En met het bot geweld van breede knie
Den opstand en het onbewust verweer
Geprangder dijen en gekromder kniên,
Mijn teêre borsten morzlende, bedwong...
Toen, plotsling willoos, roerloos uitgestrekt
En stil het raadloos wentelen des romps,
Doorvoer mij van de zolen tot den scheel
Eén lange smartelijke siddering
En ’k proefde ’t speeksel, schuimende op mijn mond,
Wrang, als het sap van de ònrijpe vrucht
Des wìlden wijngaards.

Geenszins ab ovo, zoals volgens de mythe Helena zelf, toont de [niet op deze blog zichtbaar te krijgen] halve witregel in het begin dat zij getuigt tegenover onzichtbare derden (rechters, oppergoden?). Dit spreken wordt versterkt door het herhaalde ‘Toen’. Na de eerste keer zegt Helena pas ‘ik’, als een diepe zucht voor ze weer iets voor het voetlicht brengt. De adem van de verontwaardiging reguleert de parenthetische stijl.
‘Helena in Ægypte’ doet verslag van een verkrachting. Geschreven rond 1905 zou Gossaert zich er, mede getuige de vijfvoetige jambe, nog niet ontworsteld hebben aan de Tachtigers. Wel geldt hij in de literatuurgeschiedenis als hun antipode. Experimenten was een poëticaal eindstation – dat dit gedicht pas mocht meedoen in de derde druk van 1919, zou verhulling wezen.
Helena, de veelbezongen aanleiding van de Trojaanse oorlog omdat ze geschaakt was door de appel voor een euro inruilende überconsument Paris, sprak Gossaert kennelijk aan. In het Vlaamse tijdschrift De Boomgaard stond een ‘Fragment’ waarin zij vanuit hetzelfde Egypte aan het verlangen is naar huis. Ook figureert Helena in ‘Euphorion’, dat haar een protestantse pers geeft:

Niet ijdel is het oudherkomstig woord
‘Dat meest ontvalt dien het meest bezit’
En beter is het niet tè schoon te zijn
En niet tè machtig en vooral – vooral
Niet tè gelukkig; want geluk is nauw
Der goden deel, doch menschen voegt het niet.

Dit lange gedicht had een sonnettendebuut moeten openen maar landde in de trechter van Experimenten. Daaraan ontsnapte Gossaerts bedoelde afsluiter, zijn vroegste (XXe Eeuw) publicatie ‘Palonidie’, officieel een gedicht dat uitlatingen herroept. Deze voert Helena vol lof op: ‘Ik dank u – meerder dan ik ooit kon prachen/ Hebt gij geschónken – wereld-liefde en -lust’. Gossaert-poëzie is toneelmatig, met veel apostrofs ook. Ze lijken breekijzers om buiten de fictie te raken. ‘Palonidie’ noemt dwaas degene die ‘zijn zinnen het meest op ’t spel der menschen zet’.
De godin draait mee in ongewenste omstandigheden. Ageert of gedoogt ze? Ambivalent in ‘Helena in Ægypte’ oogt de focalisatie. Het gedicht was ook te vroeg voor Gossaerts gestaltepoëzie met personages als scherm waarachter blootgeven doenlijk is. Maar toch, indien je de begin- en slotregel voor het metrum elkaar last, sluit de vijfvoetige jambe niet helemaal.
Vanuit de losse pols zullen er antidemocratische ideeën in te bespeuren zijn, die de maker hebben gepromoveerd tot meester in the gentle art of making enemies. Dan doemt echter Gerretson, met zijn Groot-Nederlandse opvattingen. In de jaren zestig kregen ze een steuntje van de Boerenpartij, die haar electoraat vond in steden. De opvattingen zouden nu populair moeten zijn, hoewel Dubravka Ugrešić vermoedelijk een punt heeft dat fervente verdedigers van eigen geschiedenis en cultuur niet veel afweten van hun stokpaard. Ze hebben de wereld ook niet bereisd, zegt ze, maar bekritiseren vanuit de draaicirkel van één plek alles daarbuiten. (Gossaert ontvluchtte het ouderlijk huis naar Mexico en als assistent van Colijn bestreek hij de hele aardbol.)
Het bekritiseren heeft wel een traditie geschapen. Stilaan is het kerstbetoog van de koningin onaf zonder een nijdige tweet van Wilders. Om dat te begrijpen helpt het essay ‘De koppige openbaarheid der opinie’ van Dirk Lauwaert, gebundeld in zijn boek Onrust. Hij vertrekt vanuit de historische kant van de mening die het geboorterecht van het vrije individu tekent. Men kon er zichzelf in plaats van een opgelegde waarheid mee verantwoorden, en voorarbeid verrichten voor een daad die suggesties gaf. Nu is de opinie, vooraf aan een dialoog, een fait acccompli. Ze serveert eigendunk en bedreigt de publieke sfeer die informatie vermarkt.
Ontspruit de kritiek op het niet-eigene nog uit ‘de arbeidersklasse’ of uit ‘de hardwerkende middenklasse’? Voor de overtuiging genegeerd te worden bestaat sowieso een gelijkluidende uitweg: opzouten! Toevallig ontdekte ik een verzamelelpee uit 1970, getiteld ’t Oproer kraait. Daarop zingt Jenny Arean, met koor, ‘Zo gaat-ie goed!’. Het lied huldigt volk dat niet meer met zich laat sollen na ‘de verlossing van de regentenknoet’. Wederom voer voor het cliché dat linkse thema’s zijn verschoven: regenten heten heden intellectuelen, multiculturalisten et cet. De oorspronkelijke titel van het lied was ‘Ça ira!’, uit 1789, toen de Bastille bestormd werd. Multiculturalisme op z’n Hollands is volgens Bouazza een lachertje omdat het cultuur zou begrenzen tot gastronomische en sartoriale gebruiken, ‘de karikatuur van interesse’, ‘de chimaera van de tolerantie’. Er is volgens hem geen spreekwoordelijke melting pot, waarbij de som groter is dan de delen.
Maar Gossaerts poëzie onttrekt zich aan elk geheel.

vrijdag 30 december 2011

Sluiertaal is erger dan een boerka (Henk en Ingrid)

In het woord ‘literatuur’ past de doelgroep ‘elite’ op een haartje na, maar in ‘lectuur’? Een old fashioned ‘cleuter’?
Zegt Martha Nussbaum: ‘Mensen houden van solidariteit binnen een peergroup omdat die een soort surrograatonkwetsbaarheid biedt, en het is dan ook niet verrassend dat wanneer mensen anderen stigmatiseren en vervolgen, ze dat in veel gevallen doen terwijl ze deel uitmaken van een op onderlinge solidariteit gebaseerde groep.’
Voorts moeten toegeven dat mijn reactie op Bye bye koeienvlaai, de actuele afscheidsgroet van het taalkundig genie, niet equivalent bleek (Tabee kipsaté).
De gourmande wil ineens melk en thee, brood en cracotte. Dan begint het rispen, ontwaart ze de emmer, werpt zich naar haar moeders andere schouder en spuugt de keukenvloer vol.
Wist Goede Tijden Slechte Tijden al: ‘Het ideaal komt langzaam dichterbij / Maar spat uiteen zodra je het wilt vangen / De nieuwe kansen maken je weer blij / Nooit komt er ooit een eind aan dat verlangen’.
Het nieuws verbaast niet dat er in Rusland een ministerie voor Noodsituaties is.

vrijdag 23 december 2011

Keerzijden

Hoopvolle ontwikkelingen? De veelbesproken promotie door Time van de activist tot persoon van het jaar zie ik vooral in contrast met de toekenning uit 2006 aan You. Die kreeg toen een compliment voor het grijpen van de teugels der mondiale media en voor het mede vormgeven van een digitale democratie waar niet de instituties maar individuen zouden spreken. Dank ging uit naar alle gratis burgerjournalistiek waarmee professionals op eigen terrein zouden zijn verslagen. Ik heb me nooit kunnen ontdoen van het gevoel dat die gelauwerde websurfer evengoed behersenprikkeld kon wezen. Mij, en ongetwijfeld anderen, stemt het vrolijker dat de schijnwerper zich nu richt op een diffuse massa die iets veranderen wil.
Tegelijk is toetsing aan de praktijk aangewezen. Toen ik gisteren als rijbewijsloze meneer de trein naar het vaderland moest hebben, was dat zinloos door een algemene staking. Die bleek op haar beurt vergeefs: de gewraakte pensioenhervorming werd binnen de dag aangenomen. Raar allemaal. Waar ik er op basis van ervaringen als EU-grensarbeider van uitga in de toekomst nergens ‘recht’ op te hebben, is bij het harde middel van de staking, dat ook de vorm had kunnen hebben van gratis reizen, de noodzaak van de conflictstof hopelijk gevoeld. Mogen stakers geen belastingbetalende, het bordje van het pensioen in de lucht houdende allochtonen het land uit hebben gewenst.
Helemaal mooi zou het zijn indien babyboomers, die werkelijk elke denkbare wind in de rug hebben gehad, enige afstand zouden willen nemen van hun ‘verworven rechten’. Mocht dit onnozel klinken, het is conform hun eis in de jaren zestig die terug in de actualiteit geraakt is. Dick Pels wijst in Het volk bestaat niet op het breed heersende gevoel van democratisch tekort, dat destijds heerste en zijn comeback maakte vanwege de de-ideologisering in paarse regeringen. Als de uitkomst niet zo triest was, zou het ironisch zijn dat de machtsomstoters van weleer ressorteren onder populistische bewegingen van heden (Henk te Velde suggereert in Van regentenmentaliteit tot populisme zelfs fijntjes dat Mulisch de voorloper is van Pim Fortuyn).
Vandaag bereikte mij een nieuwjaarswens per mail, ‘Beste persrelatie…’: zou dat letterlijk bedoeld zijn?
Door het vervagen van links-rechts-tegenstellingen, stelt Dick Pels, kon Fortuyn een nieuw antagonisme lanceren: buitenstaanders versus gevestigden. De invulling van die termen is zeer uiteenlopend geweest, maar zo bezien ontmoeten tegenpolen elkaar zonder verpinken. De Occupy-beweging acht zich toch even niet-vertegenwoordigd als de Teaparty? De vraag kan dan ook zijn of de zelfgeproclameerde 99% op enige manier te vergelijken valt met de 70% die in Nederland geen hogere opleiding had. Dat laatste refereert aan de ‘diplomademocratie’, waarbij volgens mij twee dingen relativering behoeven. Het huidige niveau van opleidingen problematiseert het ooit zo kwaliteitsgegarandeerde etiket ‘academisch’ en bij reële macht doorkruisen – niet aan kennis gebonden – netwerken alles en iedereen.
Pels heeft gelijk: populisme kan geen intermezzo heten en verdient geen neerbuigendheid zonder zelfonderzoek. Er zijn immers ontwikkelingen en op grond daarvan dienen zich nieuwe feiten aan, zoals in de voetballerij er ook een BRIC (Barcelona, Real, Inter, Chelsea) is gekomen. Zelfs indien de voorspelling uitkomt dat in 2012, volgens Wilders zelf het ‘jaar van de waarheid’, de PVV sneeft, dan zijn de kiemen van het populisme allang gezaaid in vele, zoniet alle partijen. Maar om dat hard te maken zouden partijprograms van de laatste veertig jaar synchroon en diachroon moeten worden bestudeerd. Ook vrees ik dat ‘links’, misschien nog zwaarder dan onder het moedeloos vaak gesignaleerde gemis van een richtinggevend Verhaal, gebukt gaat onder de angst populistisch te zijn.
Dit zou voor protestbewegingen betekenen dat ze er verstandig aan doen kennis te nemen van de meest platte kritieken. Zoals de Occupy-beweging al een verfrissende reality check heeft doorgemaakt, zo is het toch onthutsend om zich de reikwijdte voor te stellen van reacties als van een VVD’er die vond dat uitkeringstrekkers uit de kampen gepikt moesten worden, van Gingrich die het beter achtte dat de demonstranten zich eerst eens wasten, van jongeren die de beweging onsympathiek weinig concreet achtten terwijl er consumentenmacht valt te halen…
Is dat willekeurig over andere burgerprotesten uit smeren onversneden cynisme?
Ik weet niet of zulke uitingen kunnen worden ‘ingekapseld’. Maar het is al heel wat om niet in dezelfde val van de karikatuur te trappen. Een van de meest belangrijke teksten die ik in 2011 denk te hebben gelezen, is een interview met Leopold Lippens, burgemeester van Knokke en broer van de gewezen Fortis-topman. Uit zijn vermakelijke tirades tegen prinzipienreiters die hij bijvoorbeeld moeiteloos in ecologische groepen ontwaart, vallen argumenten te halen. Ze helpen bij het scherper krijgen van zijn wereldbeeld. Correctie, al zou hij de aanduiding zelf wellicht ontkennen: van zijn ideologie.
(Dat ook bij de verheffing van de activist ‘ideologie’ not done is, lijkt een vak apart. Maar de smetvrees blijft intrigeren. Recent waarschuwde zelfs een juryrapport tegen ‘dichterlijke ideologie’, alsof men bloot en los van het steeltje in het leven staat.)
Alles helpt tegen het idee van objectiviteit. Dat lijkt de kern van de murwe consensus, tegen de legitimiteit en feitelijke waarde van verzet, die zich na paarse regeringen allerhande van het denken én van media meester heeft gemaakt. Zelf luister ik nota bene barmhartig naar ons taalkundig genie, die nu spreekt over ‘Jeezuus’, meer nog dan over de Kitty die we altijd weer moeten begroeten, schijnbaar zonder ooit afscheid te nemen. Op elk moment van de dag kan subjectiviteit geraakt worden.
Dit lijkt me alvast vruchtbaarder dan zich met de ontelbaren mee verkneukelen over het wonder van verdrietuitbarstingen voor het oog van de camera bij het onderdrukte volk in Noord-Korea na de dood van dictator Kim Jong-il. Ik zie ook weinig verschil tussen deze collectieve hypnose en het etalagegedrag van publicisten die op de smetteloze Twitter nieuwsjes in hun branche reproduceren en elk gepost schrijfseltje bij hun followers aanbevelen. En mochten er eens een paar woorden meer bij zijn, over andere stukken bijvoorbeeld, dan blijkt de missie ‘lees’ hilarisch dubbelzinnig: ‘doe jij het maar, want mij ontbreekt het aan autonomie’.
Nu nog iets waars maar niet diepzinnigs en toch lekker van de bek.

woensdag 14 december 2011

Cruijff zegt dat het ’m in de details zit

Met grote ogen rondwandelend in Het is zo vandaag als altijd, een bundeling columns van Marjoleine de Vos, valt me op dat geregeld zinnen beginnen met de persoonsvorm, zonder onderwerp. Het weggelatene is steevast ‘ik’. Plots waan ik me in andere tijden. Mij is geleerd om brieven, kaarten en dies meer (blogposts?) nooit met ‘ik’ beginnen. Mijn moeder was zo streng in die leer dat ze zelfs in de slotzin nog formuleerde: ‘’k Wens je…’
Bestaat dat nog, een wereld van voorgeschreven verschil? Toen bevatten agenda’s een kopje Titulatuur en mij staat de ambivalente gewaarwording nog levendig bij dat mijn vader door een promotie op zijn werk van ‘weledelgestrenge’ was veranderd in ‘hoogedelgestrenge’. Nu heb ik niet voor niets een tijdje over poëzie geschreven onder de titel s.s.t.t., maar ik ontkom er niet aan gegrepen te zijn door De Vos’ ellips.
Weer eens wat anders dan de schaamte na de ontdekking zowel in de voorpublicatie voor een (gesubsidieerd!) tijdschrift als in de definitieve versie van een (gesubsidieerd!) boek een fameus Nijhoff-citaat te hebben verminkt. ‘Op deze plaats heeft een gedicht gestaan/ ’t Beviel me niet’, liet ik verbreiden. Maar het moest ‘Op deze plek…’ wezen.
Ik was zo arrogant geweest uit mijn hoofd te citeren. Uit luiheid te snel? Regulier zelfbedrog? Het is wel leuk om de door mijn fout ontstane opties te wegen. Die gelegenheid van de tekst grijp ik gewoontegetrouw gretig aan omdat ik niet geloof dat daarbuiten, door vergelijkend warenonderzoek van de vrije markt, betere resultaten te verkrijgen zijn; concurrentie kan evengoed opportunisme verlokken en in het slechtste geval vernietigingsdrang.
Natuurlijk is ‘plek’ de betere variant. Het woord heeft een andere connotatie gekregen, uit de relatiesfeer, maar een eerste oorblik leert al dat er een schonkig binnenrijm mee vermeden wordt. Bovendien ondersteunt de harde eind-‘k’ het gedicht thematisch door het resoluter te maken dan de wat behaagzieke ‘s’ zou doen die ik Nijhoff had toebedacht. Ook is ‘plek’ een synoniem voor het gedicht zelf, een veeg op papier, veeleer iets materieels dan spiritueels (waarvoor ‘plaats’ gepaster zou zijn, een ruimte om zich geborgen te weten).
Een andere, aan de ontluistering grenzende schaamte is dat ik nu zich bij de slachtoffers in Luik tevens een peuter heeft gevoegd, die gruwelen persoonlijker opvat. Dat is ook vreemd, omdat ongeveer het laatste van mijn levenshouding eruit bestaat zich het centrum van de wereld te wanen. Het gegeven zal appelleren aan een diepe angst die het ouderschap, naast hectoliters gelukzaligheid, met zich meebrengt. Me meer dan ooit voor anderen inspannend, ben ik egoïstischer dan in het kinderloze tijdperk.
Over angst gesproken, ik vrees dat het profiel van de Luikse moordenaar aanvullend bewijs geeft voor wat mijn vorige posting citeerde als ‘de privatisering van het normbesef’. Ze stoelt op een dubbele karakterontwikkeling die Bas van Stokkom heeft geduid in zijn studie Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing: het gevoel gedwarsboomd te worden én grotere agressiviteit als de diensten uitblijven waar men recht op meent hebben. In dat eisenpakket van tolerantie voor zichzelf en repressie van de ander schuilt een griezelig ‘micromoralisme’. Maar zou het ook iets zeggen dat we er met onze studieuze en/of kunstzinnige hoofden van uitgaan daar logischerwijs zelf aan te ontsnappen?
Nietzsche: ‘Aan onze sterkste aandrift, de tiran in ons, onderwerpt zich niet alleen onze rede, maar ook ons geweten.’
Veel plezier beleefde ik dan weer aan Superleuk, maar voortaan zonder mij van David Foster Wallace, een mooie vertaling door Iannis Goerlandt. Al vrij snel besefte ik dat hij woonachtig is in België en aan de slag had gemoeten voor een Noord-Nederlandse uitgeverij. Klinkt best onwezenlijk, maar zelf heb ik na mijn emigratie op mijn bureau een papiertje gelegd met een zin als ‘Ik ben begonnen te lopen’ (het papiertje is kwijt). Zo moest ik weten dat het boven de Moerdijk niet was ‘Ik ben beginnen lopen’. Dat had zo zijn nut, omdat dit – ondanks wrevels van purisme en imperialisme – de standaard in boekenland was, tot zeker in het begin van deze eeuw.
Ik lees nog te zelden proza om te kunnen inschatten wat de trend is. Een tijd terug vielen me vele belgicismen op in de vertaling van William Marx’ Het afscheid van de literatuur. In het Wallace-boekje lijkt de verhouding fifty-fifty, waardoor de vraag rijst of er een redactiebeleid was, alsmede een bewustzijn van subtiele betekenisverschillen. Bijvoorbeeld in:

‘… een van de boeken die ondergetekende ertoe hebben aangezet zelf te gaan schrijven (of het toch te proberen)’

Hier denk ik vrij zeker te kunnen zijn dat de Noord-Nederlandse corrector geen onraad heeft geroken bij het woordje ‘toch’, terwijl het voor hem ‘ondanks alles’ betekent en dit een nogal vreemde zin oplevert. Gebruikt is dan ook de Zuidervariant van ‘toch’, waarmee bedoeld wordt ‘op zijn minst’.
Geen idee of het landsbelang hiermee is gediend, laat staan dat van Europa. Wel had ik een tijd terug bij, wederom, Marjoleine de Vos gelezen over de vanzelfsprekendheid waarmee zij een onbeheerd, nog brandend of knipperend fietslampje van een onbekende uitdoet – om de batterij te sparen. En inderdaad, ’s morgens in alle vroegte op het station zie ik in de stalling geregeld fietsen waarvan het achterlicht aan is. Maar net zo vaak moet ik me haasten om de trein te halen of vind ik het knopje van dienst niet.
Afgelopen week, op een avond, is het me gelukt. Heet dat nu ‘burgerzin’? Heel even voelde me op mijn plaats (plek?).

vrijdag 9 december 2011

Ja meneer de burgemeester (4)

Grappig dat Jan Pollet onlangs door andere zaken aan te snijden dan het door mij geponeerde (op welke reactie van mij hij evenmin reageerde), dusdanig interesse heeft gezaaid dat ik mijn reeksje over de invloed van technologie oppak. Pollet betoonde zich enthousiast over life-long learning door middel van internet, terwijl ik daar een neoliberale uitvinding in zag. Ook meende ik dat voor kennis googlen in de kaart speelt van ondernemingen die het zich financieel kunnen permitteren hoog in zoeklijsten te belanden.
Eigenlijk viel mij die deconfiture-reflex tegen van mezelf. Ik was liever enthousiast geweest zoals Pollet. Mij schoten beelden van het oude onderwijs te binnen, waar de sukkeltjes met een paar opdrachten achter in de klas werden weggestopt om de les niet te verstoren. De slimmeriken verveelden zich en zouden wel gebaat zijn geweest bij internettochten. Maar de zwakkeren waren louter geholpen door het kostbaarste artikel denkbaar: aandacht. En structuur en basiskennis, die iedereen echter nopen tot stampwerk voor er wat aangeleerd kan. In de wat invertebraal aandoende kennissetting die Pollet uit een rapport citeerde, overweegt echter informeel leren. Ook een handig instrument voor de snuggeren, terwijl de andere groep bij onduidelijkheden misschien niet zo snel vragen durft te stellen en sowieso aanslagen moet ondergaan op de concentratie, het een-na-kostbaarste artikel.
In een notendop verrijst hier evengoed de werking van ‘de vrije markt’, de survival of the fittest, het recht van de sterkste… Allerminst vrij, veeleer grotere verschillen teweegbrengend.
Ten slotte leek mij dat technologie onnodig veel vergt van energiebronnen, omdat zelfs als kul bedoelde kul opgeslagen wordt. En dat dan, misschien het grootste drama, in veelvoud. Is het als beginnetje een idee om Belasting op Pleonastisch Klimaatbederf te heffen op trending topics en op tweets met een link naar eigen of andermans tekst? Vooralsnog doemt als zondagsrecreatie wandelen in het Googlebos, waar oud papier is veranderd in nulletjes en eentjes.
Zo heb ik van talloze nieuwssites vernomen dat Gerrit Komrij op zijn blog een krantenstuk uit 1982 heeft hergepubliceerd. Daar kwamen dan comments op die werden gewist waarna daar weer discussie over ontstond vanwege een initieel Facebook-schrijven, enz. Ik wil niet klagen, maar de tragiek is dat ik zo’n type ben die dat allemaal leest. Mocht een van de betrokkenen toevallig aan de lijn zijn, dan zou ik hem of haar willen vragen die internetmanoeuvres eens aan zijn of haar moedertje uit te leggen. Wanneer u ze dan nog de gewoonste zaak van de wereld vindt, zou ik willen suggereren even Google Translate (Eng-Ned) los te laten op dit gratis advies: Get a life.
Ja, dit is uiteraard ook een mening, een heel banale.
Omdat misschien nog meer dan 99% van de zeven miljard aardbewoners niks aan dergelijk stroomverbruik heeft, aan hun grondstoffen het meest wordt verdiend door rijken elders terwijl vuiligheden van hun industrie worden gedumpt, is, terwijl door de klimaatverandering er hier al extra kosten te voorspellen zijn, op termijn een specifieke clash of civilizations denkbaar. Blijft de minderheid dan nog op winst?
Overigens lijken zowel Facebook als Twitter geweldige media die allerminst het effect van antireclame sorteren indien ze slim worden gebruikt: als het lekkerste van de artisjok, binnenin. Ook ken ik al twee blogs waarvan de makers anoniem over (o.a.) literatuur schrijven met een lenigheid waarvan ik dacht dat ze wegens elitair was afgeschaft. Nee, ik geef de URL’s niet, want zij zijn belangrijk en moeten doorgaan. Waar gaan we anders naartoe?
Naast de sedert lang voorspelde Strijd om het Water, kan er iets ontbranden om Stroom, ten gevolge van de dataopslag van, bijvoorbeeld, de homo twitterans. Het is simpel om hem te ridiculiseren, zeker als hij hogere belangen dient, maar wat wil een overtuigde twitteraan nu eigenlijk laten weten? Ik kwam op die vraag nadat me was verteld dat zware gevallen op Facebook, los van hun comments bij vrienden, algauw vijf keer per dag iets opiniëren en/of fotograferen voor hun wereld. Bekomen van de verbazing dat mensen zich kennelijk zo gewichtig kunnen vinden, snapte ik dat het geen zich belangrijk voelen kan betreffen, omdat vijf smelt onder een dagelijks aantal tweets dat één persoon de wereld in kan zenden. Communiceren op de rand van een autistisch universum? Contracties van gewenning?
Inmiddels zoek ik de ratio in het, reeds gesignaleerde, verlangen om gestoord te worden, een bres in de concentratie te slaan bij zichzelf maar ook bij followers. Een wijze om Nemesis in pole position te brengen, onder het motto ‘Kijk me aan als ik je wurg’. Of, er kan immers heuse kennis achter hyperlinks verscholen gaan, een experiment met de doelstelling: hoe ver kan ik gaan? Da’s een kunst op zich waar een fijn citaat van Paul Valéry bij kan, uit een notitie over een duikvlucht van een vogeltje: ‘De aandacht van de ander, dat is het doel, het wild. Hem zowel het gevaar als de geborgenheid laten voelen; hem daar brengen waar hij niet gaan wil, hem tot staan brengen kort voor de hindernis, precies op het gewenste punt.’
Nu kan ik de acquitstoot van mijn reeksje hernemen, inzake ongevraagde nieuwsmails. Ze zullen strafbaar zijn, maar wie zou tegen zulke wijd verbreide fenomenen een procedure starten? Toch kennen ze wel degelijk subscribe-mores: als je bezwaar hebt, kun je het laten weten.
Gabriël van den Brink sprak eens van de privatisering van het normbesef. Dan acteert Standard & Poor’s toch subtieler.
Uiteraard is de verleiding groot ach & wee te roepen en de cultuurcriticus uit te hangen. Moge de ervaring mij leren. Dan kan ik bekennen dat ik als digitaal groentje eens de subscribe-optie heb benut, waarna ik een lap van een mail kreeg vanwege mijn positie door de uitschrijving een barbaar en negationist te zijn. Anderzijds, sinds deze reeks is begonnen, blijf ik elke vrijdag van twee mails op twee adressen verschoond. Deze blog wordt derhalve gelezen, waarna, het grootste compliment denkbaar voor een literair auteur, een daad!
No more life-long yearning.

vrijdag 2 december 2011

Meeneemverhaal

Een op drie lijken voldoet niet aan veiligheidseisen ’, gewerd me bij het koppensnellen, maar dat had ik niet helemaal goed gelezen. Fort-da-toestanden van mij als elders woonachtige kaaskop? Natuurlijk is Hansje Brinker mijn oerlandgenoot. Ik herinner me dat sinds kort, dankzij iets van de mij onbekende Doug Dorph:

When the gloomy sea threatens, you’re there
with your trusty finger. The bicycle lies forlorn
on the gravel bicycle path in the shadow of the dike.
The family windmill is brittle and blue as a scene on a plate.

Da’s nog eens reclame! Ondertussen stijgt het zeeniveau, en maant zowel het bericht als het gedicht naar de lange termijn te kijken, vlak voor Durban. Maar in het eerste zag de staatssecretaris van Infrastructuur geen direct probleem (wel in de vogels rond Schiphol die hij, en het journaal leek ermee te openen om geëngageerde verenigingslevens op hun achterste poten te krijgen, wil laten vergassen). Hij heeft dan ook een coalitiepartner die tegen onverbiddelijke kritiek aan onverbiddelijke theorievorming doet. Is dat eveneens ‘typisch Hollands’?
Voor ik het wist was ik tastende naar een antwoord, in het besef dat er geen enkelvoudige natie bestaat, laat staan een identiteit, mede omdat ze door de technologie achterhaalde concepten lijken. Toch dunkt me door het aanhoudende gestechel binnen de Europese Unie de vraag relevant.
Dus wat behelst Holland zoal dat er een Dutch Boy als van Dorph uit te voorschijn vliegt?
Opgepast, een zin met komma’s. Onlangs reciteerde op de uitreiking door prinses Máxima van de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs 2011 aan Anton Corbijn, Bono, met op de achtergrond foto’s van het idool, Herman Broods ‘Get Lost’ als was het een gedicht in plaats van een liedje. Heel onwezenlijk en ook een beetje tragisch. Uitgerekend wanneer er een wereldster onversneden aandacht aan dit werk geeft, pakt het averechts uit (Brood had een hoes zullen ontwerpen voor U2).
Dat net-niet-bij-aanwezigheid-van-competentie spreekt zeker uit het misschien wel grootste Hollandse wereldnieuws: de bestuursperikelen bij de beursgenoteerde tobclub Ajax, die erin slaagt simultaan twee eminenties, Cruijff en Van Gaal, op te blazen. Och ja, dacht ik ineens, die veelbesproken vicewereldkampioenschapsmandaten passen Oranje. Winnen zullen ze nooit.
Dag vogels, dag bloemen, ik heb een mening.
Dan is er die complexe club zonder leden die, net als de N-VA, onverantwoord gedrag legitimeert met een kiezersaantal (herlees hierover Coen Simon, die ook ambivalente uitspraken van Wilders-advocaat Moszkowicz weegt). Daar zit iets hondsbrutaals in, wat niet hetzelfde is als cynisch, dat mij van achter de grens inmiddels als landsaardig begint toe te schijnen.
Maar wellicht ben ik te zeer uit mijn niche de wereld in aan het kijken, waar een immens belangrijke én precaire zaak als van de klimaatconferentie niet speelt, mogelijk wegens te druk door op elke relativering van de felste kritiek elegieën aan te heffen. Ze zijn me te gelijkaardig aan het taalkundig genie die me deze weken, waarin die zak van een Sinterklaas weer is aangekomen, bestookt met verzoeken om snoep. Wanneer ik dat weiger, zegt ze: ‘Dan ben ik jouw vriendin niet meer.’ Waarop ik zeg: ‘Grote mensen noemen dat chantage.’ Waarna zij weer: ‘Da’s nie eerlijk.’ Maar ja, even Hollands oogt de wens om niet ‘zuur en verongelijkt’ over te komen. Ook stof voor een inburgeringscursus, waartoe Silliman reeds in Tjanting twee motto’s gaf: ‘How the Dutch think to spell.’ + ‘How think to spell the Dutch?’
Het waren zowel grote als kleine geleerden die vaststelden dat betekenissen en gebruik van woorden fluctueren. Toch verbaast het me dat een gsm-maatschappij zich durft aan te prijzen met Freedom of speech. Dat komt doordat er één term de laatste jaren soeverein aan de top staat: ‘economie’. Dus wordt de Hollander nu wereldburger, verkokerd in de euro die niet van de bevolking blijkt maar van de banken, de korte termijn zonder de oplossing waarvan geen milieuprobleem schijnt te kunnen worden verholpen. Tot waar?
Op mijn initiële vraag werd overigens het beste antwoord me van zeer dichtbij ingefluisterd: Hollanders zijn mensen die het woord ‘banketstaaf’ weten te bedenken en het dan nog opeten ook.
De dagsluiting kan ’s morgens al aan de poëzie. Ik heb getracht iets te vertalen van Ida Börjel, helaas niet uit het Zweeds maar, zoals hier vaker is gebeurd, uit het Engels tussen de brontaal en hetgeen Hollands moet heten:

Een meeneemverhaal

Ik kan doen wat ik wil maar wat. Als iemand om hulp roept kan ik helpen. Daarna ga ik schaatsen op de vaart. Ik laat het gaan. Ik ben de Hollandse student en ik heb veel ervaring met schaatsen op ijs, ik heb hard gereden en ook tochten gemaakt. Ik kan zo snel gaan als ik wil en waar dan ook. Niemand zal me tegenhouden. Ik kan mezelf tegenhouden. Als de Engelsen een zeker punt bereiken dan kunnen ze zichzelf niet tegenhouden. Spaanse mensen houden niet op totdat het feest voorbij is. De Fransen houden alleen op om opnieuw te beginnen. De Portugezen houden niet op omdat ze niet begonnen zijn. De Luxemburgers blijven binnen de Luxemburgse grenzen. De Belgen houden op en beginnen met tussenpozen tussen de Belgische gordijnen. Ik kan beginnen en ophouden wanneer ik wil. Ik kan sterven of leven op de manier die ik wil. Ik kan gaan waar ik wil maar waar is dat. Hollandse mensen zijn aardige toegankelijke mensen die altijd een handje helpen. Wij zijn deugdelijke en nette mensen die nooit enige moeilijkheden veroorzaken zolang we kunnen doen wat we willen. De vraag is niet wat of wanneer maar hoe. Ik rijd snel, ik vertrouw mezelf maar het lijkt alsof er altijd iemand achter of voor mij is. In mijn taal zijn vele lege oppervlakken, krachtig en kwetsbaar boven het wak, waar men niet veel over alles kan zeggen. Ik schaats drie vier uur per dag. Soms voelt het alsof het ijs gaat breken. Ik ga een beetje verder

vrijdag 25 november 2011

Aretha & Robin

Wat? Leeft-ie nog? Ik vrees dat dit mijn eerste schamele reactie was op het bericht van Robin Gibbs ernstige ziekte. Ze zou wel eens kunnen berusten op een empirisch niet gestaafd idee over popsterren: dat zij na hun jeugd in een of ander niets oplossen en dat oud(er) worden niet van toepassing kan zijn op hun curriculum. Daarbij is dit specifieke geval slechts kort in mijn leven geweest. Ik was te jong toen de Bee Gees nog voor het zoveelste ‘antwoord op The Beatles’ doorgingen en prikte pas in bij hun grootste succesperiode, eind jaren zeventig.
Toen was hun muziek not done voor Ons Soort Mensen dat pubers zijn. Stom eigenlijk. Als het gaat om dansmuziek valt eenvoudig te horen dat de Bee Gees niet zwart zijn, maar ‘Nights on Broadway’ is een tamelijk geweldig nummer. En uitgerekend voor het schuifelen, waar het doel toch alle middelen heiligt, diende Art Garfunkels ‘Bright Eyes’, terwijl ‘Three Times a Lady’, van de even beslist in de ban gedane Commodores, in alle opzichten lekkerder was. En dan was er, terug naar de Bee Gees, het verketterde ‘How Deep Is Your Love’. Dit mag nog steeds niet helemaal mijn liedje zijn, het kan onmogelijk ontkend dat het razendknap in elkaar zit.
Maar moet ik nu mijn blogmeningen blijven ventileren?
Kort na de ramptijding over Robin Gibb werd me duidelijk dat hij voor de eerste verwerking van zijn leed bij zichzelf te rade had kunnen gaan. De vroege Bee Gees blijken de makers van ‘How Can You Mend A Broken Heart’… mijn favoriete nummer van Al Green (waar voor de soundtrack van Sex in the City haast schunnig professioneel doorheen gezongen zou worden door Joss Stone) is dus een cover! Of het nu lag aan rehabiliterende sentimenten dat ik het origineel meteen een acceptabele versie vond, mijn aandacht verschoof zowaar naar de tekst. En dan stelt de titel een vraag.
Voor een antwoord moest ik denken aan een ander liedje dat ik eveneens via een cover had ontmoet, ditmaal zonder zeker te zijn het origineel te kennen of domweg nog een versie. De auteurs heten in elk geval John Harris en Eugene Williams. Een paar jaar geleden heeft Cat Power een verdienstelijke poging gedaan hun liedje te vertolken, maar ze kon van d’r nooit niet tippen aan de uitvoering van George Jackson. De man is mij verder onbekend en dat wil ik, wellicht als compensatie voor een in de schoot geworpen heidenschap, graag zo houden.
De titel van het nummer is ‘Aretha, Sing One For Me’ en het eerste couplet gaat aldus:

Me and my baby we had a big fight
And we ended our romance the same night
In an angry mood she walked out the door
And said it’s all going to an Aretha Franklin Show


Dit vind ik groots: kunst biedt een referentiepunt, hier alvast van basale verduidelijking! Die ligt in de toekomst, waardoor meteen blijkt dat er geen postmodernistisch overbewustzijn regeert dat het heden onklaar maakt op basis van ideeën en verbasteringen ervan. Jacksons lief voorspelt iets op grond van de naakte praktijk die een herkenning oplevert uit kunst. Kees van Kooten zei ooit in een interview dankzij een gedicht ineens weer te weten wat hout was, en houthakken, maar dan vindt het effect in de wereld plaats na de kunst, terwijl het fenomeen dat George Jackson oprakelt die volgorde omdraait: door een concrete gebeurtenis is kunst vanzelfsprekend geworden om als sterveling begrip te verwerven van de wereld en de kans te vergroten zich er te handhaven.
Het refrein luidt:

Hey Aretha, sing one for me
Let her know I'm as miserable as a man could be
Will you sing a song that will touch her heart
And make her sorry that we are part


Zo is de aanspreking van een onbekende bij de voornaam adequaat. In kunstkringen valt dit soort openbaarlijkheid soms op uit een bakvisgedrag, waarbij aandoenlijke halftalenten zich het centrum van de wereld wanen ofwel denken het door quasi-vertrouwdheid te worden. Een onnodige strategie, die mogelijk is te benoemen als pacificerend annex accommoderend, terwijl het daar te laat voor lijkt. Ik suggereer niet dat kunstenaars heiligen zouden wezen, integendeel, maar dat ze juist deel horen te zijn van de samenleving. In het liedje blijkt de ervaring echter zo naturel gerealiseerd dat Aretha een bekende werd, familie. Grappig is dat George Jackson, alsof hij beducht raakt profaan te zijn geweest, later in het nummer een keertje het refrein inzet met ‘Miss Aretha’.
Zo’n verhaal dat ik nu eens zonder ironie geneigd ben ‘waargebeurd’ te noemen, plaatst een gedicht van Alfred Brendel naar mijn idee in perspectief. De vermaarde pianist fantaseerde er voor de gelegenheid een hilarische of absurdistische scène in bij elkaar over conceptuele kunst van Christo die al te werkelijk wordt. Alleen is het resultaat van die deconfiture paradoxaal, als het ware voor populistische ingewijden. Misschien niet puberaal, maar wel puberalistisch, kunstkunst, tongue in cheek.
Benjamin Verdonck, die als collega van Christo valt te beschouwen, stelde in een interview vast dat de maatschappij wordt geregeerd door het spektakel. Hij begreep daar vermoedelijk terecht uit dat kunst uitgehold is die daarin meegaat door bijvoorbeeld, vanuit de mythische positie aan de rand van de samenleving, tegen schenen te schoppen. Kan kunst dan beter ophouden te bestaan? Verdonck is, gelukkig, nog volop on the road, dus hij zal een alternatief hebben gevonden. Dat soort kunst spreekt hij aan als ‘het beklemtonen van haar weerloosheid door een kwetsbaar gebaar te stellen’.
Zou zoiets ook vanuit de werkelijkheid in de richting van kunst kunnen geschieden? Tsaar Paul I van Rusland die de import van boeken verbood? Gaf hij te kennen dat ze gevaarlijk waren, want iets konden betekenen? Why bother, zou Robin Gibb denken.

vrijdag 18 november 2011

Ja meneer de burgemeester (3)

Laatst wou ik in een onbekende stad vragen naar de weg, maar ik moest eerst mijn oordopjes uitdoen, net als bijna iedere passant. Vreemd? Wellicht had de ontheemdheid pas toegeslagen wanneer mijn iPod thuis was blijven liggen. Op zo’n moment waan ik me een ‘kind van mijn tijd’. En vertrouw ik er bijvoorbeeld terug op dat het internet een gemeenschap kan stichten, vooral door het debat. Jongere auteurs lijken het medium naturel te gebruiken, in de andersglobalistische geest van Naomi Klein die het uitgelezen achtte voor gecoördineerde decentralisatie, terwijl opiniepagina’s gesproei ondergaan van de wijwaterkwast.
Al bij het construeren van zo’n antagonisme daagt het besef dat het niet klopt. De waarheid komt mij nader wanneer ik vaststel dat ik van nieuwe media ‘veel niet snap’. In mijn branche woedt op blogs soms weken achtereen één commotie, schijnbaar bij gebrek aan geheugen en kennis. Ze doen mij, voorbij de digitale aankondiging, snakken naar papieren tijdschriften. Zoals de jongste nY en Parmentier waarin, vaak door dezelfden, wordt gereflecteerd over de maatschappelijke mogelijkheden van kunst in het algemeen en poëzie in het bijzonder.
Daarvan leer ik en hort. Laatstgenoemd blad openbaart bijvoorbeeld dat er diverse reacties in dichtvorm zijn geweest op de gruwelijke zelfmoord van Kambiz Roustayi op de Dam. Frappant dunkt me dat ze goeddeels aan het oog van het publiek waren onttrokken doordat men vanuit Facebook opereerde. Waarom eigenlijk? Ik veronderstel dat men dat medium niet gebruikte voor een uitsluitingsanalogie.
Heel wat mensen die ik hoogacht en die me dierbaar zijn, bewegen zich over dit vermaarde sociale netwerk, dus het zal, los van verweggistanse clichés over steun aan de Arabische lente, zijn functie en charme hebben. Parafrases gaven mij echter de indruk dat ik me op Facebook niet senang zou weten. En nadat een authentiek fragment zo’n beetje in het gezicht gesmeten was, wist ik het zeker.
Het blijft me duister of ik me er te oud of te jong voor acht. Die dubbelheid strekt verder. Voor mijn weblog blijkt Facebook hyperlinkgewijs een bereidwillige donor. Dus mag ik slechts blij zijn indien men er met mijn stukjes, zoals Jan Pollet het uitdrukte, ons ding doet. Het is ook prettig dat ik me daarin onmogelijk kan mengen; eventuele lezers krijgen zo desgewenst optimaal de kans hun zeg te doen. Mij ontgaat althans Zizeks besliste mening: ‘Ik ben bereid mijn opvattingen op democratische wijze te verdedigen, maar ik ben niet bereid om anderen democratisch te laten beslissen wat mijn opvattingen zijn – hier behoud ik mij mijn filosofische arrogantie toe.’
Wel zou het me spijten indien iemand die niet hoort tot friends van een sociale netwerker en die het onderwerp dat ik had aangesneden interesseert, geen toegang had tot andere opinies. Maar dan raakt mijn onbegrip al richting ‘het publieke debat’. Slingert Facebook het niet terug naar een tijd, waarin Habermas uitlegde dat het essentieel is voor een democratie? Doen alle archipels van friends niet denken aan parochies, en aan de verzuiling waaraan het neoliberalisme en internet een halt hadden toegeroepen? Klein had het in datzelfde internetkader jaren geleden al over extreem narcisme gepaard aan intens verlangen naar contact. En Henri Beunders stelde onlangs dan weer dat juist manifestaties via blogs en reactieknoppen de angst voor de massa hebben vergroot.
Mocht het gemeenschapsgevoel vooralsnog van Twitter moeten komen, dan men kan beter eens bij zichzelf te rade gaan. Ook de praktijk dat mensen door hyperlinks op ideeën worden gebracht, is misschien toch wat banaal. Hen aanzetten tot reproductiegedrag en hen degraderen tot followers die niet zelf kunnen surfen, dunkt me het verbruik van in alle opzichten zeer kostbare kilowatts niet waard. Nog meer meningen wel (zoals media peilingen houden)? Dat aan de kaak stellen is de oubolligheid over zich afroepen.
Het opslagprobleem van in hun overlapping nutteloze computerdata wil ik niet wegwuiven, zeker niet wanneer Twitter wordt ingezet om eigen postings dubbel onder de aandacht te brengen. Tabee energiebronnen voor komende generaties! En in plaats van hulp aan derden (inclusief de auteur van wie de tekst of gedachte is gekopieerd) hoor ik onvermengd: Ik, ik, ik! Van nature ben ik al niet geneigd amen te zeggen, laat staan na dit Hekkinggeluid, dat uiteraard evengoed opklonk uit het mailbombardement van ‘Tijdschrift Raster’ waarmee deze reeks postings ontbrandde.
Uit liefde voor de literatuur? Het medium Twitter blijkt in ieder geval een beleidsinstrument van formaat. Natuurlijk wil het neoliberalisme dat elk zichzelf respecterend bedrijf zijn wijsheden ook over deze sociale netwerken uitstort. En zoals een beetje uitgever tegenwoordig vermeldt dat zijn boeken zijn van ‘papier dat het keurmerk van de Forest Stewardship mag dragen’, zo zullen Tweetideologen binnenkort wel zeggen dat ze pompen op groene stroom.
Zouden behalve enige politici overheden zelf eigenlijk het medium gebruiken? Dan zou pas werkelijk het onderscheid tussen boven- en onderwereld bekrachtigd worden. De detectie ervan in de literaire biotoop zette veel kwaad bloed, wellicht mede omdat ze impliceerde dat woord en daad van elkaar afweken. Sowieso bevordert het schier grimmig ontbreken van niet-virtuele data in het gemiddelde literaire weblog een onderwereldervaring die claustrofobie heet. Ik verbond het in de vorige posting met het neoliberalisme, maar er zijn meer parallellen.
In de basale literaire-weblogpraktijk gaat het bevoordelen van A gepaard met het negeren van B. Maar da’s het altijddurende verwijt aan de bovenwereld! Wat ik daarbij nooit gesnapt heb, is de situering in ‘de elite’. Straffen en belonen oogt juist middle class, geeft nimmer rust. Enerverende tijden voor de Grachtengordel 2.0?
Zo blijft alles een kwestie van codes kennen. Het taalkundig genie zegt inmiddels, als ik iets goed doe: ‘Twee duimen omhoog’. En bij dat woord sluit haar daad restloos aan. Ik weet nu waar ze die mosterd heeft gehaald. Dat gold niet na onze vroegste spraakverwarring, bij het onvolprezen boek Tom en Lea, op het moment dat de beer voor de spiegel zijn tong uitsteekt. Dat interpreteerde ik – op basis van ervaring en ongetwijfeld selectieve herinnering – als spot. Maar zij zei: ‘Ekke vies bah’.

zondag 13 november 2011

Ja meneer de burgemeester (2)

Onlangs maakte ganzenbord zijn debuut in zowel mijn leven als dat van het taalkundig genie. Toen ik haar, gesteund door een vage herinnering aan een passage uit een jeugdboek, maande een beurt over te slaan omdat ze in de put was beland, antwoordde ze verontwaardigd dat ze naast de put zat. Ze had haar gans op de rand van het vakje geposteerd.
Na een schaterlach, die zij niet begreep, bekroop me een opgelucht én onbehaaglijk gevoel dat ik ken vanaf het moment dat ze kon kruipen, wanneer ze een afstandsbediening pakte of een rekenmachientje. Ze hield het tegen haar oor en begon erin te praten, en onderbrak soms het gesprek om een knopje in te duwen. Uitzonderlijke peer pressure? Ze dacht een gsm te bedienen, zoals bijna alle bezoekers thuis en de verzorgsters op de crèche dat deden – maar die haar ouders niet bezaten. Ik heb die acties altijd bewonderd: mijn kleine dame die reeds ‘de codes kende’, op naar het multitasken! Vervolgens zat het onbehaaglijke in de veronderstelling dat papa zelf ‘niet mee kan komen’. Daar dacht hij dan over en schoof het terzijde.
Sinds Jan Pollet uit mijn vorige posting heeft opgemaakt dat ik welhaast wereldvreemd ben, herkauw ik het gevoel. Hij keurt mijn kennis van het internet, die even groot is als van de gsm. Nu ben ik vaker door de sensatie besprongen dat ik niet alleen de boot heb gemist maar dat hele vloten aan me voorbij zijn getrokken. Ditmaal prijs ik me er gelukkig mee.
Dit heeft voor de goede orde niets te maken met mijn ontzag voor ‘mensen die iets met hun handen kunnen’, ofschoon ik me aansluit bij Matthew B. Crawfords verbazing in Shop Class as Soulcraft. An Inquiry in the Value of Work, dat men het uurloon van consultant & co uit de kenniseconomie dan wel hoog kan vinden maar het grif betaalt – terwijl men de loodgieter die onder het aanrecht noodzakelijk en huishoudreddend vakmanschap verricht uit alle macht zwart poogt te vergoeden. Deze depreciatie is namelijk oud. Al in de schoolbanken geldt een ambachtelijke opleiding als minderwaardig aan een academische waar je ‘alle kanten mee opkunt’.
Nee, mijn triomfaal humeur steunt op berusting. Ze komt van een door papier gevormde lezer, die vergeleken bij zijn voorvaderen, laat staan bij kloostermonniken, een verwaarloosbare concentratieboog heeft. Maar daarom zou ik niet op mijn conto willen dat het ‘vroeger beter was’. Wel accepteer ik bij ‘LinkedIn’ eerst te denken aan een pornosite (currently holds this position) en wacht ik tot mijn pensioen met de studentencursus Zakelijk flirten, waarop je de ‘30 seconden pitch’ leert.
Volgens Jan Pollet (beter: zijn bron van dienst) zorgen burgers op het internet voor aanvullende informatie die langs officiële kanalen niet te verkrijgen valt. Dit onvermijdelijk licht paranoïde beeld van de wereld benadrukt het puin dat het neoliberalisme met zijn focus op the fittest achterlaat. Het internet leent zich uitstekend voor het kennelijk onwelgevallige. Een relatief onomstreden paragraaf in Dirk Barrez’ recente pamflet van Verontwaardiging naar Verandering zal zijn dat betrouwbare en autonome informatie cruciaal is voor een democratie, die dan met reden gesteund wordt door een vierde macht.
Als medeburgers zouden bloggers derhalve een ethische plicht kunnen opvatten. Pollet heeft het over ‘helpen’. En inderdaad, wanneer hij postings van mij vermeldde, voelde ik me altijd verguld, want even bevestigd in een bestaan. Deed hij echter met zijn citaat-linkmethode ook recht? Mij dunkt dat zijn bezwaar voor het eerst pogingen daartoe ondernam. Helaas zijn die zeldzaam op zijn blog, die onbedoeld evengoed steun verleent aan de ‘marktcensuur’ die Laurens van Krevelen vaak treffend maar, zoals te doen gebruikelijk wanneer het om zijn liefde Boeken gaat, wat oververhit in De Gids (2011/2) aan de kaak stelde ten faveure van UNESCO’s ‘bibliodiversiteit’.
Pollet heeft me inzicht gegeven in een kapitalistische logica. Hij verzorgt de boeiendste literaire nieuwssite van de Lage Landen, omdat hij volhardt te zoeken in het meest nabije en in de verste hoeken (wat mij vanuit mijn vooringenomenheid dan weer streelt). Zo was er toen De Papieren Man nog bestond in combinatie met De Contrabas een virtueel triumviraat dat een overzicht bood van actuele westerse taaltoestanden. Dat besef betekent ook, nog los van schotten die sociale netwerken vervolgens plaatsen, dat geen van die sites representatief is en elk aan uitsluiting doet. Ze zijn gatekeepers van de actualiteit.
Ik wil geen discussie aangaan over de wederkeer van de collage, die op het web danst met plagiaat: Pollet verantwoordt zijn bronnen altijd en vermijdt wetenschap 2.0. Maar doordat hij pertinent commentaar achterwege laat, verliest hij zijn onafhankelijkheid. Zijn intentie zou samenvallen met de daad, indien hij de inhoud van zijn hyperlinks nuanceerde. Nu volgt Pollet praktijken die Nick Davies voor papieren media bekritiseerde: klakkeloos overgenomen persberichten gaan fungeren als feit. De nieuwsblogger met zijn goede bedoelingen is een doorgeefluik voor zijn preferenties en een filter voor wat hem niet aanstaat alsmede, mind you, alles wat zich niet via het internet profileert. Vol enthousiasme dient hij voorbeeldig het neoliberalisme, ideologie van de ingezonden mededeling.
Zou Pollet geloofwaardiger zijn bij een naakt feedoverzicht, waarin surfers updates kunnen aanklikken en hij de vrijgekomen tijd benut om zijn kennis productief te maken voor een hele gemeenschap? Analyses en inzichten voorbij de mening, voorbij man en moment, ontbreken helaas niet alleen in reguliere media. Tegengesteld aan de wisdom of the crowds die de bedenkers ambieerden, vergroten Jan Pollets selecties vooralsnog de kloof tussen de burger en de burger. De idee dat al die hyperlinks bij elkaar completer informeren, zou hij sowieso moeten laten varen.
In Het ondiepe citeert Nicholas Carr onderzoek volgens welk juist de hyperlink censureert. Het onverwijld via een muisklik bereikbare wint aan prestige boven papieren informatie, waar men de stoel voor uit moet komen. Een bizarre paradox: grotere online beschikbaarheid leidt tot blikvernauwing en conformisme; wijdere perspectieven liggen onderwijl onzichtbaar te wezen in heuse boeken.
Nu ja, dit verhaal is nog niet uit. Maar eerst wil ik de Italiaanse meneer en Mexicaanse mevrouw bedanken die mijn gsm uit de trein hebben gevist. Hopelijk smaakte de chocola.

zondag 6 november 2011

Ja meneer de burgemeester (1)

Vandaag, op het Offerfeest, is het een jaar geleden dat op mijn privé-adres een mail binnenviel van ‘Tijdschrift Raster’. Uit zijn rijke archief, zo werd kond gedaan, zouden werkdagelijks aangevulde grepen komen. Week na week, tenzij door expliciet aangekondigde vakanties, is zo’n mail binnen blijven vallen, meestal op vrijdag, en later ook op mijn werkadres.
Ik ben op een gegeven moment gaan piekeren waarom zoiets wordt ondernomen. Natuurlijk, het is een vorm van reclame voor een nieuw blad dat zijn boot handig dacht aangehaakt te hebben. Maar omdat het slechts oude stukken uit Raster opwarmde welks zoektochten, wat je er ook van zeggen mag, zich juist op het onbekende richtte, kregen de ongevraagde mails per week iets pijnlijkers. Toen bovendien uit het nulnummer bleek dat er geen enkele ontdekking voor het Nederlandse taalgebied in was gedaan en het redactioneel serieus meedong naar een prijs voor fletsheid, werd de teneur ronduit zelfvernederend.
Wie een stap terugzet en de context beziet, kan de reclame interpreteren als agressie jegens bestaande concurrenten als nY, Parmentier en Kluger Hans die wel een eigen blik op internationale literatuur hebben. Of als annexatie van een niche, zoals meteen na het bericht dat Tomas Tranströmer de Nobelprijs had gewonnen niet alleen de vertaalverdiensten van Raster terzake werden uitgemeten maar ook het voorlezen van een Tranströmer-gedicht bij de presentatie van het nulnummer. Toch lijken mij zulke ramkoersen weinig aannemelijk; in de redactie zitten enige getalenteerde mensen.
Omdat waarom-vragen schijnen uit te moeten monden in wie-vragen, wordt het perspectief wellicht beter verder verbreed naar de huidige technologische geplogenheden. Is het dan nog uitzonderlijk dat, om memorabele sketches van Koot en Bie van stal te halen, wethouder Hekking zich voor de burgemeester dringt? De meeste literaire sites van naam hebben zich de copy-and-paste-techniek eigen gemaakt, wel dan overigens van een permanent lopend aanbod. Hooguit kleeft er nog wat mening aan het (desnoods vertaalde) nieuws. Daarnaast lijkt het volstrekt gangbaar om die gereproduceerde verbreiding van andermans teksten en avonturen via belendende kanalen als Facebook en Twitter te onderstrepen. Is die energieslurpende karigheid dan structureel aan nieuwe media?
Ja, beweert Nicholas Carr in zijn sombere, maar in grote lijnen geloofwaardige boek Het ondiepe. Hoe onze hersenen omgaan met internet. Genoemd lichaamsdeel is in staat tot plasticiteit, waarmee het zich aanpast aan druk vanuit omgeving, fysiologische veranderingen en ervaringen. Wel kan die evolutionaire vaardigheid geen weg terug inslaan, plasticiteit is niet elastisch. Ook zijn we het voorwerp van determinisme omdat we louter slimmer raken in het verwerken van internetdata in termen van het web zelf; artikelen als inductieve analyse, kritisch denken en reflectie worden schaarser. Maar er moest wat gebeuren, er wordt, naar verluidt tegen de onzichtbaarheid, meer gesms’t dan gebeld – een vorm van informatie met eigen codes. Ook is de tijd die we aan internet besteden bovenop het tv-kijken gekomen, dus zijn schermen, soms van diverse bronnen tegelijk, dé communicatiepartner.
Het ondiepe signaleert bijvoorbeeld het fenomeen ‘ontbundeling’, dat ons in staat stelt exact onze keuze uit een enorm geheel te maken in plaats van een pakket moeten slikken. Wel heeft dat consumptiepatroon mentale vereisten om het effectief te laten functioneren: men moet erg snel informatie kunnen verwerken. En dan raakt het – naar het simplificerende neigende – overzichtelijke, het samenvattende op de voorgrond, een soort Hekkingen in het genre. Carr past vervolgens het fenomeen groupiness op literatuur toe, dat lezen verbindt met “erbij horen”, het sociale belang laat overwegen, waardoor onmiddellijke toegankelijkheid, in een soort chicken talk, aanbevelenswaard is.
Bijkomend fysiologisch feit is dat de informatieoverload ons werkgeheugen beproeft op zijn grenzen, zodat relevantie lastiger te onderscheiden valt van ruis. Slikken zonder kauwen is praktischer. Sterker, Carr citeert een psycholoog volgens wie we ons abonneren op alerts en feeds uit een illusie van urgentie, omdat we gestoord willen worden. Die verslaving kreeg een passende naam in Google’s zoekservice Caffeine. Het blijkt echter niet mogelijk ons geheugen te outsourcen, opdat het internet, zoals een goeroe het wou, een ‘buitenboordbrein’ wordt. Gelukkig hebben (hadden?) onze hersenen een onbeperkte capaciteit, die niet in bytes uit te drukken is.
Wijzigen zulke ontwikkelingen ook de ervaring zelf? Onlangs belandde ik al zappend in een interview met een succesvolle entrepreneuse in de textiel, die niet hield van laaglands gezeur over werktijden. Het arbeidsethos in China beviel haar beter. Daar had ze naar eigen zeggen fabrieken bezocht waar van 6 tot 24 uur gewerkt werd. Dit intrigeerde mij nogal. Zouden die arbeiders haar kledingmerk ooit aanschaffen? Amin Maalouf stelt in De ontregeling van de wereld dat elke macht een tegenmacht nodig heeft om anderen en zichzelf tegen excessen te beschermen (waarbij hij refereert aan het gevaar dat kinderen lopen met een aangeboren ongevoeligheid voor pijn, niet alleen omdat ze steeds zich ongemerkt zeer ernstig kunnen verwonden, maar ook vanwege een euforisch gevoel van onkwetsbaarheid). Deze these legt hij op de postideologie. Nadat het op zich allerminst vlekkeloze communisme ogenschijnlijk ineen is gestort, is het kapitalisme zijn kritische tegenstander verloren waardoor het gedwongen was zich ‘socialer, minder elitair op te stellen, meer aandacht te hebben voor de arbeiders en hun vertegenwoordigers; dat was een noodzakelijk tegenwicht, zowel in ethisch als in politiek opzicht, en uiteindelijk ook voor een doeltreffend en verstandig beheer van de markteconomie.’
De entrepreneuse legde uit dat haar klanten niet zozeer haar kleding kochten, als wel zich er een levensstijl mee aanmaten, waarover ze via Facebook en Twitter moesten berichten. Op die kanalen werden dus ervaringen gedeeld door wat met recht een doelgroep mag heten! Zelf zag ik niet echt verschil met een programma waarop ik even daarvoor was gestuit en waarover ik al veel had gelezen, Oh Oh Cherso. Best sympathieke lui eigenlijk, met weinig speling tussen woord en daad, maar dusdanig gespitst op belevenissen dat ze platsloegen door het geweld van de vertolking. Da’s ook een paradox, als ik me mag beroepen op enige belezenheid en stilistische ervaring: dat het ondoenlijk lijkt een wezenlijke ervaring in taal te vatten – mijn dochters die in bad minutenlang spelen met het dopje van de shampoofles.
Is er een alternatief?

(Naschrift
Omdat het me niet lukt een reactie op mijn eigen blog te plaatsen:) Jan Pollet weerlegt een alinea uit deze posting, maar ik vrees dat hij daarmee mijn indrukken in technolocis bevestigt. Daarover in een volgende aflevering.

vrijdag 28 oktober 2011

Sonnet (op een duizendste van een punt)

Nu ga je drie dagen gratis flirten. ‘Bonhomme,
il est temps que tu te réveilles.’ Wil je frontaal
worden aangereden of toch liever in de flank?
Onze Nietzsche kan stemmen noch remmen.
Ach, je weet hoe de goden zijn. Raap je zaad
bijeen en zijg niet langer. Wees vergenoegd
dat het paard een rijbewijs heeft. Dacht je dat
je ging worden gestraft? Waarom dacht je dat?
Stap beheerst opzij, je uitleentermijn verstrijkt.
Onze Nietzsche boft maar dat hij tegen Hovius
Matthias heelal zeggen mag. Ook van boven zie
je pips. Last van verkiezingskoorts? En muizen
hebben kleine pootjes en zeer lange staarten.

maandag 24 oktober 2011

Giroschaken

De jonge K. Schippers hield met een vriend wedstrijdjes langzaam fietsen. En haptonoom Ted Troost veroorzaakte, decennia later, geclaxonneer en file-achtige toestanden door met een in de auto naast hem chaufferende vriend op een tweebaansweg de aangegeven maximumsnelheid te volgen. Deze anekdotes verenigen het terugdrijven van dagelijkse haast. Het allermooiste voorbeeld daarvan ligt in iets waarvan ik niet weet of het nog bestaat. Dus laat het omzichtig gesignaleerd dat ‘in de twintigste eeuw’ van stortingen op de girorekening de ontvanger de met de hand geschreven opdracht per post kreeg. Dit verkeer werd gebruikt voor zogeheten giroschaken. Een klein bedrag volstond om bij de mededelingen iets te noteren als ‘d2-d4.’
Zo’n partij kon, los van de kredietwaardigheid der spelers, even duren. Ik heb me afgevraagd of de diffuus blijvende boodschap van Occupy- en Indignados-bewegingen niet simpelweg een roep tegen bankieren en politici is: ‘Rustig aan! Winnen hoeft niet!’ Daarmee zou het dogma van Groei op de pijnbank gelegd worden. Maar misschien ben ik te weinig onderlegd, niet snappende dat stilstand achteruitgang is. Er zijn in elk geval bezwaren gerezen dat aan de protesten geen welomschreven programma ten grondslag ligt. Aan die kritiek kleven vele facetten. De ideologische ongrijpbaarheid leidt bijvoorbeeld tot vergelijkingen met weleer. Dan stoelt zelfs de meest welwillende duiding op continuïteit. Alsof jongeren, hoe imponderabel en heterogeen ook, geen eigen merites hebben.
De weerkerende klacht luidt dat mei 1968 heel wat consequenter was en niet zo verwend als nu: ‘Een kleine minderheid bleef slapen op het plein. Sommigen haakten gedurende de avond alsnog af wegens de kou, maar voor de dappere overblijvers werd 's ochtend warme koffie geschonken onder een partytent van Gamma.’ Tja, was er in Parijs en omstreken destijds misschien een fijner temperatuurtje? Hoefden studenten toen ook niet te kamperen, laat staan binnen drie jaar zus en zoveel punten halen en een bijbaan hebben om de studie te bekostigen?
Zelf ben ik minstens tien jaar te laat geboren om over die geschiedenissen empirisch verantwoord mee te kunnen spreken. Zoals hier is doorgeschemerd, heeft me dat altijd wat gespeten. Van mij mogen systemen als geheel ter discussie worden gesteld, met van pretentie bulkende ideeën over hoe het beter kan. Toch blijft het me verbazen dat nog jongere mensen dan ik daar allerlei wijsheden over debiteren, ditmaal bij gelegenheid van de Occupy-manifestaties. Zo proefde men een ‘onappetijtelijk oud-Marxistisch sausje’ en ontwaarde ‘het aloude spook van “klein links”: wie niet zuiver in de leer is wordt buitengesloten, tot enkel een irrelevante club gelijkhebbers overblijft’. Worden hier niet veeleer hapklare brokken herkauwd uit de reproductiemachine?
En trekt het feit dat naast bankiers ook sporters en celebrity’s uit de amusementsbranche veel verdienen, de bodem weg onder de acties? Of bijt de kritiek op economische monstermachten zich echt in de staart omdat er evengoed een samenwerkingsverband nodig is om ze te bestrijden? Tenminste lijkt er een soortgelijke paradox actief in bankiers die pleitbezorgers zijn van deregulering, behalve als ze na tegenwind bij de overheid aankloppen.
Door tegen Groei en Graai te ageren verrijst er wel een tastbare tegenpartij: neoliberalisme. De Indignados verplaatsen zich bijvoorbeeld te voet, terwijl een basisvoorziening als de trein is geprivatiseerd. Niet het milieu maar rendement wordt dan het criterium, zodat niet elk traject is gedekt. Tegelijk raakten twee auto’s per gezin maatschappelijk aanvaardbaar, en schijnt een bedrijfswagen fiscaal aantrekkelijk.
Dat het me aanspreekt dat actievoerders de benenwagen gebruiken, komt allicht mede voort uit (werkelijk ervaren) geplogenheden van mijn generatie. Ik ben opgegroeid met punk, die op mij muzikaal onspannend overkwam maar als organisatievorm aantrekkelijk: do it yourself. Verklaart dit mijn terstond geïnstalleerde argwaan voor de Belgische G1000, waar mensen ook hun nek uitsteken om iets te veranderen? Deze groep presenteerde zich met een persconferentie, doet aan fundraising, heeft reclamespots en krijgt recettes van organisaties die men zo wel kan voorspellen – claustrofobisch België, dat zelfs Malcolm McLaren nooit in zo’n slagorde had gekregen! De Occupy-beweging groeide echter vanuit een blogbericht, en zag en ziet wel waar het schip strandt.
Het is bijna logisch dat in die strategie de bekendste initiatiefnemer van de G1000, David Van Reybrouck, een gebrek aan finaliteit ziet. De G1000 hanteert discussiepunten en kandidaten, waar Occupy’ers open podium houden. Het gevaar dat er uit te vergroten zotteklap vrijkomt, loopt men liever dan dat er visies worden gemist. Tevens is er verschil met de anonimiteit, ook door nicknames, van comments op het internet, waar sowieso niet elke opinie evenveel waard blijkt.
Wat is wijsheid? Over bestuursvormen wist de immer stoïcijns redenerende Immanuel Kant:

‘es sind nur drey derselben möglich, wo nämlich entweder nur Einer, oder Einige unter sich verbunden, oder Alle zusammen, welche die bürgerliche Gesellschaft ausmachen, die Herrschergewalt besitzen (Autokratie, Aristokratie und Demokratie, Fürstengewalt, Adelsgewalt und Volksgewalt). […] Unter den drey Staatsformen ist die der Demokratie, im eigentlichen Verstande des Worts, nothwendig ein Despotism, weil sie eine exekutive Gewalt gründet, da alle über und allenfalls auch wider Einen (der also nicht mit einstimmt), mithin Alle, die doch nicht Alle sind, beschließen; welches ein Widerspruch des allgemeinen Willens mit sich selbst und mit der Freyheit ist.’

Zelfs tegen apert onrecht koos Kant de weg der geleidelijkheid boven anarchie, ‘eine übereilte Reform’. Occupy’ers doen dat anders. Toch heten ze hypocriet omdat ze zelf uitsluiten. Ze zouden antisemitisch zijn, wegkijken van nobele landgenoten en neerzien op ‘arbeiders’. Maar los van mijn vermoeden dat er niemand geheel van minachting gevrijwaard is, worden de belangen van iedereen, inclusief ‘arbeiders’, door de demonstranten behartigd. Of hebben belastinggeld en pensioenen beperkte doelen? Zijn die mensen net als de Indignados mogelijk met reden verontwaardigd?
Na Heijne zou ook Grunberg ‘lifestyle’ in de acties te hebben gezien. Bevallen hotelkamers hun beter dan tenten? Wellicht is daar comfortabeler te giroschaken, literair bezien een graatmagere variant op Mandelstams concept van de flessenpost (dat volgens de literaire stadsmythe is overgegaan op Celan): onderwerp en gesprekspartner liggen vast, de codes daaromheen verwekken een eenduidig begrip en zelfs het ermee gemoeide geld kan worden weggestreept. Gesloten beurzen.

maandag 17 oktober 2011

Democratie

Bankiers en belastinggeld komen momenteel voor hun eigen bestwil beter niet in elkaars buurt. Het laatste lijkt een geïnstitutionaliseerde bonus voor de eerste, en dat zit niemand lekker. Behalve bankiers zelf? Zelfs echte bonussen appelleren minder aan prestaties dan aan wereldbeelden die de laatste weken, gelukkig, openlijk bakkeleien.
Vrij recent heeft Hans Wiegel zo’n man verdedigd die uitstekend werk had verricht, en daarom toch best volgens afspraak een beloning mocht? De vraag is waarom in zo’n gastvrij land die afspraak gemaakt is. Minder dan aan de rat in het experiment van Skinner herinnert mij de zo gemotiveerde mens aan het drama dat ons taalkundig genie graag ten beste geeft, als ze beweert dat ze recht heeft op een chocoladewafel omdat ze flink haar boterhammen heeft opgegeten.
Een ander precair puntje staat ter achterzijde van dat bonusbiljet: de gouden handdruk. Daar is een groot zogeheten afbreukrisico de ratio van. Indien het misloopt, zit men zonder inkomen. Een doorsnee sterveling valt dan in een werkloosheidsuitkering, maar die staat onder druk wegens vermeend misbruik na historische wasdom.
Tja, binnen twee van zulke vangnetten kan zich gedrag ontvouwen dat aan de voorspelbare kant is. Dat de CEO van een met belastinggeld geredde bank na vaste vergaderingen geen huurappartement of Thalys pakt, maar een hotelkamertje à 545 euro per nacht. Dat de concerncommunicatiedienst dit bedrag herroept tot 150. Dat dit voor collega-media voer voor stennis is in de metacultuur (die ik hier dan signaleer), en passant de teller op 185 zettend. Dat in een onthullinginterview een insider weet dat de CEO prototypisch handelde: ‘Hij beslist alles, samen met een meute van experts en consultants. Dat is typisch Frans. Dat loopt van Lodewijk XIV over Napoleon.’
Het kader rond de voorgaande nieuwsfeiten en redenaties is natuurlijk het neoliberalisme. Langjarige kritiek daarop wordt ‘lifestyle’ genoemd door uitgerekend Bas Heijne, wel heel erg vreemd. Maar laat ik me niet opwinden en prettig verrast zijn dat er nu jongeren opstaan en zich verenigen. Fijn ook dat zij, in tegenstelling tot vooralsnog breder ondersteunde fenomenen als de Teaparty, en in de Lage Landen de N-VA en PVV, eenheid niet regionaal zoeken maar letterlijk wereldverbeterend proberen te zijn.
Die ambitie valt te begrijpen uit de globale aard van problemen, zich uitstrekkend van bancaire systemen tot en met ecologie. Aldus aangerichte ellende grijpt overal in huishoudens in, op meerdere niveaus. De opstand daartegen moet zelf procentueel een groeimarkt aanspreken. Logisch, omdat de vrije markt indruist tegen een intuïtie van wat eerlijk kan uitpakken, waardoor deze ideologie met dermate zwaar geschut moet worden gelanceerd dat ze een weergaloos godsbewijs in herinnering roept, als verwoord door Richard Dawkins: ‘De meerderheid van de wereldbevolking gelooft niet in het christendom. Dat is precies wat Satan in de zin had. Dus God bestaat.’
Welke nuance je ook in de protesten kunt aanbrengen, ze wijzen niet de richting op van een comfortabele weg en blijken concreet. De indignados in Europa zijn verwant met de occupybeweging in Amerika, die zich op haar beurt wist geïnspireerd door de Arabische Lente.
Gelukkig mag universalisme lonken. Ook verheugt me dat, contrair aan neoliberale evidence-based policy van de stille diplomatie, woede expliciet de drijfveer is. Tot naburig genoegen trof ik als afzetpunt ‘het systeem’ aan, de term niet-ironisch ingezet, laat staan verworpen op basis van laptopwaarheden en non-events bij naar eigen getuigenis gepokte types, die misschien de staat van hun toch wat blasé of bangelijk ego weerspiegelen.
Goh, wat raak ik van die protestberichten in een goed humeur. Zelfs het idee dat Facebook in de verbreiding een cruciale rol heeft gespeeld, kan ik verdragen. Misschien is het een groter wonder dat er, behoudens in Rome, amper geweld aan die demonstraties kleeft. De samenstelling van deze a-hiërarchische gemeenschap is toch heterogeen en het gedachtegoed moet nog uitgekristalliseerd. Het middel van de ludieke actie zal menigeen doen terugdeinzen, maar bewijst op dit punt nut – zou de als grotegelijkhebber min of min uitgekotste Michael Moore, die in Capitalism. A Love Story bijvoorbeeld Wall Street met een geel politielint omgordde, alsnog een voorbeeld zijn?
Vanzelfsprekend heb ik bij die indrukken makkelijk praten. In een verwarmde studeerkamer, zelden geconfronteerd met financiële verleidingen. Slechts eenmaal, staat me bij, heb ik me een houding moeten geven tegenover overvloed. Dat was op een receptie na uitreiking der Vlaamse Cultuurprijzen waarvoor ik, Nederbelg, was ‘genomineerd’. Eerder die avond had ik bedacht dat voor het geld van de theatershow met al die uitreikingen vele sans-papiers een jaar verder hadden gekund, maar de aanblik, tussen alle fine fleuren door, van het eten en drinken deed me besluiten even geen gedachten te willen. Achteraf bezien pikte ik mee van eigen belastingcentjes, die voor een (werkbeurs)deel op hun beurt van de belastingbetaler komen.
O, besef van de eigen positie en het vak en de context waarin dat maatschappelijk meedraait, al dan niet tegen heug en meug! Een collega noemde Thomas Tranströmer een ‘een zo goed als onbekende dichter’. Gelukkig bestaat er ten aanzien van literatuur ook lef en visie.
Als finale een streven tot vertalen uit het Engels van iets wat ik een bloemlezing tegenkwam, en stamt uit de bundel The New World (1993) van Suzanne Gardinier:

Democratie

Niets doet pijn maar de voet is onverzettelijk
De voet sijpelt De voet is nooit genezen
De doorboorde en gezwollen voet blijft niet verborgen
De voet zal inbegrepen zijn bij alle kosten
De voet zal ontlasten De voet zal bewustzijn
en slaap organiseren tot erop wordt gelet
Opgelet De voet heeft iets te vertellen
maar geen snelle praatjes De voet is verzegeld
en bonst op de vloer met stemloze lettergrepen
in code De voet heeft een verslag
dat de voet niet kan doen De voet sleept zich
tegen huilen aan over de zilveren overvloed
van opgestapelde vis ter verbranding tegen amputatie
tegen het verhandelen van koper cacao en tin
tegen het besproeien van voorbijgangers met series
munitie tegen verplaatsing van daden
tegen het spuwen van gemopper van de beproefden
en verdwenen onder berichten van uitzetting
tegen vlechten van zwepen met verzilte handvatten
tegen kalkoen-met-cranberry-etentjes tegen
de scheepsruimen tegen geweld op daken
en op dennennaalden tegen gomorra’s en geweren
tegen huizen voor veilingen en terechtstellingen
De voet klopt het onherkenbare vuil af en wordt
moe maar neemt geen pauze De voet gaat door

vrijdag 14 oktober 2011

Vergelijkingsverval

Dat het bestaan van God/god nooit onomstotelijk valt te bewijzen of te weerleggen, heeft een bekend beeld gekregen: het lampje van de koelkast. Wanneer je de deur sluit, kun je immers niet zeker weten of het lampje uit is – daarvoor moet de deur open, maar dan floept het lampje aan.
Onlangs was ik, met enigszins verward en altijd luxueus ontzag piekerend over de indignados die onder andere meer politieke transparantie willen, ’s nachts in de keuken zonder enige verlichting en toen kwam er door de rubberen isolatieband tussen (de gesloten) koelkastdeur- en wand een gelige schijn.
Om zelfbedrog en aanpalend optimisme te vermijden heb ik de fabrikant gebeld. Lichtjes van koelkasten blijken sedert jaar en dag multifunctioneel. Er zitten sensoren in en bij een bepaalde temperatuur floept het licht aan en scheidt daardoor ook minieme warmte af, waarna de thermostaat in werking treedt, voor de ideale graad van met name het vriesvak, begreep ik.
De vergelijking met het godsbewijs, waarmee ik toch min of meer groot geworden ben, is passé! Dat lost de aanschouwelijke verklaring van een wereldbeeld op in een werkelijkheid met schijnbaar minder mogelijkheden, een piloot is grondpersoneel geworden. Tenzij de voorlichter van de fabriek dacht aan de telefoon: ‘Hé, een Hollander, die gaan we [sic] eens iets op de mouw spelden.’ Maar dat vermoeden valt niet te bewijzen.
Veronderstellend dat de wereld is veranderd, gaat het godsbeeld daar dan in mee? Is daar een idee over, of beperkt mijn ervaring zich toepasselijk tot informatie?

vrijdag 7 oktober 2011

Tranen

Ontevreden over het vorige stukje dat met Hella S. Haasse het eind van een auteurstype wilde onderzoeken, ploeg ik verder. Ze verklaarde in haar laatste interview een genegenheid voor de shredder te hebben opgevat, het ding dat alle documentatie vernietigde die haar privéleven aanging. In stilte is ze gecremeerd.
Logisch dat Haasse haar onbegrip uitte voor kanalen als Twitter, maar ze moet hebben beseft dat dit was gerekend voorbij de toestand in de wereld. Evengoed onder haar collega’s. En dan doel ik niet alleen op degenen die tweets rondsturen, maar vooral op een – door blogs en realityreeksen kwartiergemaakte – trend of paradigma waarin de autonomie van kunst aldus gebroken wordt dat het publiek persoonlijke grenzen van de kunstenaar dient te overschrijden. Mij sprong in dat kader een ontwikkeling in het oog, die mogelijk door drie evenementen heen kan worden gedetecteerd.

1. Voor A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw werd de ultieme ouderangst bewaarheid: hun zoon stierf, bij een ongeval. De vader kanaliseerde zijn rouw in Tonio. Als bewonderaar van een groot deel van dit oeuvre wou ik dat boek toch maar ongelezen laten. Ik vermeld dat er pontificaal bij, omdat het lastig leek eraan te ontsnappen. Op het omslag prijkte een fotografisch zelfportret van de overledene, er was een publiciteitscampagne van de uitgever (een jaar na het ongeval), van de auteur (één exclusief interview), en een tentoonstelling was ingericht. Over een boek dat ik niet kende ontstond in mij een mening die, eveneens tegen mijn zin, neerkwam op een soort ethische kortsluiting.
Plotseling meende ik bijvoorbeeld dat het niet klopt om voor Tonio andere dan literaire maatstaven te hanteren, in termen van wie ben ik om over zoiets smartelijks te oordelen? De auteur heeft naar verluidt de voortgang van zijn schrijverschap verbonden aan het drama. Hij maakte de, volstrekt legitieme, keuze om de openbaarheid te zoeken voor zijn leed. Wie het ‘onkies’ vindt dat delen daarvan kan leiden tot iets anders dan empathie, pleegt morele chantage.

2. Na het overlijden van Hugo Claus wierp Erwin Mortier zich op als verdediger op alle fronten. Zo serveerde hij live op televisie Danneels af na diens vermeende kritiek op Claus’ keuze voor euthanasie, wegens Alzheimer. Daarna mepte hij de kardinaal nogmaals in een interview, wegens vermeende censuur. Achteraf verklaarde Mortier zijn engagement met Claus nader uit het feit dat zijn eigen moeder Alzheimer had.
Die ziekte is een maatschappelijk probleem dat velen treft. Op goed moment kwam er in de krant een foto door Lieve Blancquaert van Mortier met de moeder (die tot op de dag van vandaag leeft). Daarna het bericht dat haar ziekte hem noopte tot het schrijven van een boek.
Op 3 september 2011 verscheen een nieuw magazine bij De Morgen, geopend door een gedreven interview met Mortier door Yves Desmet, die volgens mij als eerste Godenslaap op één lijn heeft gesteld met Het verdriet van België, één van de grootste werken uit de Zuid-Nederlandse geschiedenis. Mortier weidde gedetailleerd uit over wat ‘na Hugo’ met zijn moeder en hem was gebeurd. Diezelfde week zou het boek op de markt komen. Ook dat heb ik niet doorgenomen, als alle andere boeken na Mortiers debuut, om de simpele reden dat stijl een prominente leesfactor is (mensen die zeggen na een paar regels al agressief te worden van mijn teksten geloof ik onmiddellijk).
Het gesprek bleek het startschot voor vele andere interviews, feitelijk over twee mensen in het ondermaanse van wie er echter eentje zogezegd focaliseert. Voor mij werd de toestand helemaal dubbelzinnig, toen Mortier verklaarde dat dit Gestameld liedboek wel moest worden geschreven, omdat het zijn andere teksten in de weg zat. ‘De inkt kan weer vloeien’.

3. De kinderboekenauteur Roel Verniers was ongeneeslijk ziek. Een verschrikking, met twee jonge kindjes. Blijkbaar was hij meteen na de diagnose over zijn leven gaan berichten op Facebook, waarna De Morgen hem had gevraagd dat voor de krant in columnvorm te doen. Van de resultaten begrijp ik dat ze de auteur hebben geholpen om, al was het door, tja, deadlines, de ontwrichting net iets draaglijker te maken.
Onlangs is er een einde gekomen aan die teksten. Toch had De Morgen nog iets van Verniers voor het publiek in petto. Het reeds genoemde magazine gaf een reportage van zijn laatste dag, in een sauna, waarop naast de uitgemergelde hoofdpersoon, niet meer tot spreken in staat, wat journalisten en de echtgenote te zien waren. In het begeleidende artikel werden mails en sms-en rond het overlijden geciteerd.
Nathalie Sarraute beschreef ooit de kinderlijke huiver voor een negeren dat in het extreme belandt: ‘ik ben dood... ze weten van niets, ik ben dood...’
Expliciet vermeldde het magazine dat de publicatie als geheel had plaatsgehad op verzoek van Verniers. Zijn verbeelding had hem dus tot subject en object gemaakt. Misschien werkt het zo, dat gehechtheid aan leven en dierbaren en het besef van een nabij eind kan leiden tot zulk… narcisme? Wie heeft er echter voldoening gehad aan deze publicatie? Is postuum plezier een criterium? Of zouden echtgenote en kinderen trots zijn dat hun geliefde papa, na aankondiging op de voorpagina van de zaterdagkrant, enz.?

Vooralsnog blijft mijn onbegrip. Een karakterkwestie? ‘Ik heb geleerd niet alle toespelingen dadelijk te begrijpen,’ schreef Haasse in Een nieuwer testament. Dat geeft een pantser en in de tussentijd kan de aanval van de ontdekking dan wel de afweer van de legitimatie plaatsvinden. Mij bekruipt de indruk dat in dezen snel opduikende begrippenparen als exhibitionisme-voyeurisme veel te psychologiserend zijn.
Pas sinds de Renaissance schijnt het fenomeen privacy te bestaan. Indien de schijnbare omkeerbaarheid daarvan inderdaad verbreiding vindt tot voorbij de sociale media, een tweede format naast het opinisme, is dat dan wraak op de openbaarheid voor persoonlijke rampspoed? En zou tussen de vele curieuze vormen van nostalgie bij de gemeenschap een verlangen post kunnen vatten om het individuele te begrenzen? Of is dat zoiets als de strijd aanbinden tegen een invasie van landgenoten?