woensdag 20 oktober 2010

Bestaande ficties (5)

In Theater van de angst citeert Beatrice de Graaf furiositeiten tegen het radicaliserende hippiedom in Amerika destijds, en het achterafoordeel ‘verongelijkt’ strijdt met ‘aandoenlijk’. Menig protesterende blanke jongere had speelruimte vanwege ouders die de portemonnee wel trokken voor de borgtocht. Zulke verwende studentjes, langharig en promiscue, moesten de wereld onderrichten?!
De Graaf toont dat de metafoor van ‘het hellend vlak’ voor de homegrown onrust altijd nabij was – en dat Nixon ervan profiteerde door zijn paranoïde veiligheidstrucs te legitimeren met de zogenaamde toevloed van internationaal netwerkend ‘communisme’. Bracht dit beleid aan enkele infiltranten tenminste het geluk met ‘liberale’ meisjes seks te hebben (en konden dito uitverkorenen voor de Brigate Rosse met de verdachten meestuderen en diploma’s halen), de ontdekking van onwettigheden bracht regeringen in dermate grote verlegenheid dat, met de grotere openheid en controle die dit tot gevolg had, is beweerd dat hun veiligheidsdiensten bij 9/11 mede daardoor zo faalden.
Lollig was ondertussen dat de tegencultuur een klein aantal mensen behelsde wier opvattingen in verdunde vorm werden geabsorbeerd. Dat schijnt een ongeschreven wet uit de marketing: nieuwe merken en gerechten worden lang door studenten getest om zich over de gegoede burgerij te verspreiden, waarna doorsijpeling naar allen.
Wat zie je en wat wil je zien? De Graaf vertelt dat in de jaren zeventig van de treinkapingen zes Indonesische zeelui op een station na aanwijzingen van medereizigers werden gearresteerd. Ze golden als potentiële Zuid-Molukse kapers (wier politieke motieven weinig serieus werden genomen en die dus wel criminelen moesten zijn). En omdat zij nog uit de kroonkoloniën kwamen, lijkt het een ministap naar het fameuze failliet van de multiculturele samenleving.
Echt? Op dezelfde tijd biedt Wim de Vries een leerzame blik:

Droom
Ik droom nog altijd van
een dorp temidden van de
velden.
Met pittoreske huisjes
en een kerkje op het plein.
Waar mensen nog met sterke
longen wonen en waar het hart
tot op het laatste bloed verslijt.
Een dorp waar nog van iedere dode
afscheid wordt genomen.
Waar men zich op de komst van
ieder kind verblijdt.
Waar ligt zo’n dorp, waar
kan ik zoiets vinden.
Zeg mij waarheen hoe ver ik
ook moet gaan.
Het is er niet, zo’n dorp
heeft nooit bestaan.

Voor mij komt dit gedicht, van een man die in de betreffende bundel zijn ‘lidmaatschap van de PvdA’ bekrachtigt, tegemoet aan een intuïtie die ik wegens te jong nooit hard kon maken: dat fatsoensbetogen van Balkenende en Wilders, onder referte naar weleer, geen bestaande wereld evoceren. Dat klinkt naïef, maar het lijkt me goed dat eventjes expliciet te constateren. Temeer daar een ‘vreemdelingenprobleem’ niet van binnenuit gevoeld bleek.
Het probleem lijkt geschapen door hen die het wilden vermijden. De vaak relevante reacties op de afbraak van kunstsubsidies suggereren dat nu ook, als men bij de nieuwe regering en haar achterban wraak detecteert. Die moet toch een oorsprong hebben: linkse arrogantie, tot op de dag van vandaag en inmiddels ook in rechtzaal, altijd druk de ander terug te stigmatiseren door vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog of een ‘bruin’ kabinet (als het niet zo treurig was, kon eraan worden herinnerd dat Provo na de bom bij het huwelijk van Beatrix dezelfde verwijten kreeg, van De Telegraaf).
Revelerend is een reportage van Bas van Putten in het Eetnummer van De Gids over lowbrow te Las Vegas: ‘grootburgerlijke analyse van smakeloosheid is zo onbeschaafd hautain dat ik niet weet wat erger is, het vergrijp of het oordeel’. Vervolgens belicht hij mensen die voor Flaubert en Henry James niets kopen: ‘Ze leven in een wereld waar wij (…) weinig tot niets van weten, en die ons meer zou moeten interesseren dan debatten met verveelde soortgenoten in De Balie, waar schrijvers niets te doen en niets te zeggen hebben, waar ze als jongeling voor Werther spelen en op een kwade middagbare dag als krantencommentator neerzijgen, omgeven door een stankwalm van gevorderde nuance.’
Zoiets op de knieën te dwingen moet haast euforisch stemmen. De besparingsmaatregelen, geenszins exclusief laaglands, hoeven, conform de wraakpassage uit Dorp aan de rivier, niet eens ingevoerd. De vermeende vijand ligt al plat, juist door zijn morele superioriteit die dan wel oprecht is, maar bovenal kosmopolitisch hypermetroop. Hij vergeet dat elke kunstenaar een politieke gemeenschap dient die hij door zijn werk sticht en waar dus ook antigemeenschappen rijzen. Kijk, ik vind het vreselijk dat kwantiteit als parameter is gaan gelden en kwaliteit niet eens meer zou bestaan. Maar niet te ontkennen valt dat aan die opportunistische dwaling wat voorafgegaan is, dat aan de andere strategie appelleert: negeren.
Precies door die euforie zal het moeite kosten om het huidige kabinet niet bij voorbaat af te serveren. Aan de ene kant is de regie, inclusief voorrechten, uit handen gegeven. Natuurlijk zal Wilders na zijn steken naar de koningin bij de formatie niet meer consequent zijn, door erop te wijzen dat twee ministers informateur zijn geweest en de hem faciliterende CDA-voorzitter staatssecretaris werd, laat staan meejoelen dat de uitverkorenen juist behoren tot het establishment – hoeveel van die lui zouden er, net als ik, niet hun dienstplicht hebben vervuld? Aan de andere kant verbergt Wilders zijn rancunes allerminst. Toen een ingelast journaal, keurig in de rust van Ajax-AC Milan, deze regering aankondigde, vond hij het meest ‘historisch’ aan het akkoord dat ‘de heer Cohen’ en ‘mevrouw Halsema’ niet aan de macht kwamen.
Ik moet zeggen dat met name dit moment, ingeluid door de aanblik van enige met micro-oortjes uitgeruste kleerkasten, mij emotioneerde (angst inboezemde). Dat Verhagen op de avond van de inauguratie, toen hij eindelijk als superminister mocht spreken, een grijns van oor tot oor niet meer kon bedwingen, zeker nadat werd gezegd dat het kabinet beëdigd was vlak voor de vakantie van zijn kinderen, ergerde mij veeleer (als slecht verliezer, die ook een bepaald beeld van het CDA bevestigd ziet).
Mijn emoties ontgaan mij. Het wetskluwen rond van wat steeds identiteitsverruimender én -vernauwender Europa heet, belet toch ingrijpende regelingen?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen