dinsdag 21 september 2010

Bestaande ficties (1)

Al tijden intrigeert mij een passage uit een interview dat Elsbeth Etty afnam van Connie Palmen over haar poëticale essay Het geluk van de eenzaamheid. Het gaat om het moment dat een vraag zich richt op Antoon Coolen

die u als hét voorbeeld van kitsch aanhaalt. Maar diens ‘Dorp aan de rivier’ is een prachtig boek. Heeft u het gelezen?
„Misschien vroeger, maar het kan heel goed dat ik een vergissing heb gemaakt. U rekent Dorp aan de rivier tot de hoge literatuur?”
Coolen onderzoekt bestaande ficties, stelt zich op als emigrant en verwoordt de eenzaamheid die daar het gevolg van is. Hij is origineel, subversief en neemt de clichés van een afgekloven genre, de streekroman, op de hak.
„Als er een tweede druk komt van mijn boek zal ik Anton Coolen vervangen door Konsalik.”

Play the blues, Antoon! Zou in dit vraag- en antwoordspel geknipt zijn? De gedachtewasdom en de consequenties gaan zo snel dat de geïnterviewde, die zich nochtans in een materie heeft verdiept voor een boek dat dan pas verschenen is, aaneen lijkt te hangen van onzekerheid. Dit rijmt niet met het beeld dat van haar bestaat. En omdat in mijn woonland de term ‘copernicaans’ te gretig wordt ingezet wend ik me tot de Bijbel. Dan mag worden gerept van de Saulus-Paulus-ervaring.
Er zijn vele voorbeelden van, en de meeste lijken schematisch-karikaturaal: de maoïst die rechtsradicaal wordt, de avant-gardist die zijn heil zoekt in het katholicisme, de manager die in goeroezaken gaat… Hoever de epifanie van deze manifestatie af ligt, is voor mij een open vraag. Temeer daar ik nog confuus ben van mijn eigen openbaring, op 45-jarige leeftijd, over de meest succesvolle Nederlandse auteur aller tijden: ‘Zou die naam Nijntje iets te maken kunnen hebben met konijntje?’
Ondertussen moet je er niet aan denken dat bij het interview aan Palmen was gevraagd of ze Konsalik gelezen heeft. Men spreekt wel van ‘op de rooster leggen’ – gedecideerd leest de interviewster, wier eerste vraag bijna als een beschuldiging klinkt, met louter sjablonen (en jij-bakken: de ‘bestaande ficties’ stammen uit het essay) haar gespreksgenoot de les. Wel komt er een andere glans over nog een fragment, uit Joris van Casterens De man die 2½ jaar dood lag waarin een streekromanschrijver uitvaart tegen de artificiële scheiding tussen literatuur en lectuur. Hij heeft die als leraar Nederlands altijd bestreden. Zijn eigen manuscripten zijn afgewezen door grachtengordeluitgeverijen en sindsdien keert hij hoger geachte literatuur de rug toe: ‘Zo’n Connie Palmen, dat is toch een verfoeilijk verschijnsel’. Hem interesseren de grensgevallen die van oudsher goed in de markt hebben gelegen, zoals De Vries, De Hartog en Kortooms. In Van Casterens verhaal vervullen zij een sleutelrol, omdat daarin enerzijds een bibliothecaresse het volk wil opvoeden met literatuur (waarvoor ze de mosterd haalt uit recensies in de Volkskrant en NRC Handelsblad) en anderzijds een uitgever van streekromans aangeeft dat de bibliotheek een voorname afnemer is. Maar hij kent de slechte reputatie van het genre, en schrijft die toe aan good old Menno ter Braak: ‘Die riep dat Antoon Coolen geen literaire pretenties moest hebben. Dat hij maar lekker over die Peel moest blijven schrijven’.
Hoewel hij gecharmeerd was van Dorp aan de rivier, liep Ter Braak inderdaad niet weg met Coolens oeuvre. Op zijn best vond hij hem een schepper van atmosfeer, van leutige anekdotes die aansloegen bij een groot publiek, waarmee de veelbeschreven streek De Peel vanwege de criticus valsparadijselijk werd. Daardoor oogde hij zelf, ondanks zijn ietwat wereldvreemde trekjes, onvermijdelijk kosmopolitisch. Ten slotte was Coolen voor Ter Braak meer een fenomeen dan een auteur.
Uiteraard is Ter Braak evengoed een fenomeen geworden. Mij stemt zijn werk nostalgisch, in de niet-aflatende pogingen redenaties te construeren en te vernietigen of te verbeteren. Ik snap ook dat zijn kompaan Du Perron, een blogger avant la lettre die zichzelf wel heel erg serieus nam, zoveel lekkerder ligt. Ter Braaks realtime metamorfosen zijn niet eens zozeer wat dan heet ‘onmodieus’ als wel misplaatst in een zo structureel – en ik bedoel dat niet denigrerend – door populisme getekende tijd. Jammer eigenlijk, omdat dit oeuvre de zo aanstekelijke grondvorm van de aanzet test op maatschappelijke onhoudbaarheden.
Over Ter Braak zijn boeiende notities te vinden in het Practicum of het steriele schrijven van Willy Roggeman. Datzelfde boek bevat een vergelijking die op deze casus licht kan werpen: tussen Kafka en de ‘epieker’ Franz Werfel, van wie de laatste ontspanningslectuur zou hebben voortgebracht en de eerste steeds noopt tot filologie. Roggeman verbaast zich er dan over dat men in deze wetenschapstak geen genot vindt, terwijl hij zelf in een gespannen relatie tot een verhaal blijkt te staan: ‘wat als een roman werd bedoeld, “ontaarde” meteen in proza.’ Die aanhalingstekens zijn een voorbode voor duperroneske bekentenissen: ‘Ik heb de redenaars altijd veracht, de gemakkelijke praters, de selfkickers [die kwalificatie kreeg Werfel ook], de versierders van de middelmaat’.
Nu val ik op mijn beurt Roggeman af. Maar zijn in de grandioze term ‘retinadictaat’ vervatte diagnose van de romanontwikkeling spreekt mij zeer aan, zeker indien sentiment domineert boven reflectie en de lezer als een domoor wordt behandeld. En toch en toch. Tegengesteld aan pretentieuze plots waarin het detail in laatste instantie een knoeperd van een dramatisch gevolg sorteert of aan biografieën die eventjes een tijdsbeeld van de jaren zus of zoveel willen geven, vind ik een naar de grondvorm terbraakiaanse partij verhalen zoals bij Antoon Coolen domweg niet te versmaden.
Ondanks het feit dat ik mijn Saulus-Pauluservaring al verklapt heb, moet ik bekennen dat dit een recente ontwikkeling is. Lang hield ik helemaal niet van een fijn boekverhaal. Natuurlijk omdat ik er evengoed geen hout van kan. Of was er een andere reden?

Naschriftje

In Het drama van de afhankelijkheid, haar verzamelde essays uit 2017, heeft Palmen de naam ‘Anton Coolen’ toch niet vervangen door Konsalik. Wel bevindt Antoon zich in het goede gezelschap van de Zangeres Zonder Naam, André Rieu, Dr. Phil, Nicci French en Frans Bauer. Palmen hecht eraan te zeggen dat zij hun liefhebbers niet minderwaardig vindt, maar dat ze zelf meer vrienden heeft die een uitvoering van Der Ring des Nibelungen bijwonen, zelf nadenken, haar niet vervelen met nagebauwde meningen, geen klapvee zijn voor politieke en culturele populisten en dat ze behoren tot een minderheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen