vrijdag 26 februari 2010

Wat nu? (8)

Omdat belastinggeld van en voor iedereen is, kan er zonder uitzondering over meegepraat worden. Het pleidooi van de criticus in Knack tegen gesubsidieerde literaire tijdschriften leek aldus gerechtvaardigd, maar zijn iconoclasme was zo dat een medewerker van een bestookt blad moest denken aan een ‘beschadigingsoperatie’. Daar leek weinig op af te dingen, ware het niet dat de criticus zijn ‘literaire vrienden’ in een comment nog ‘met literaire groeten’ de les las over hoe het internet te gebruiken: zoals op het boekenkanaal van Knack, ‘wat stripnieuws, wat serieus nieuws, wat interviews en reportages, enkele blogs enzovoorts’.
Die aandacht voor strips is inderdaad markant. De ene sponsor van de site steunt een stripclub die, als opvolger van de chef van de site, als Raad van Bestuur-voorzitter de baas van de andere sponsor heeft. Journalistiek mogelijk krom, maar niet geheimzinnig tegen het reliëf van de beoogde cross-promotie. Wie bekostigt echter het honorarium van de criticus voor zijn antisubsidiebetoog op dat boekenkanaal? Knack is een vrije onderneming, de ene sponsor is een provincie, de andere een laaglandelijke literaire stichting. Beide ondersteuners van deze site worden dus van belastinggeld betaald.
Ten slotte rijst de vraag of bij de criticus tijdens alle subsidiesmaad zijn geheugen werkte. In de papieren Knack had hij twee jaar eerder onder de titel ‘Behoed ons voor bekrompenheid’ namelijk becijferd dat de belastingbetaler meer moest ophoesten in een ander potje voor een ander cultureel tijdschriftconglomeraat: zo’n 15 keer het bedrag voor het hoogst gedoteerde literaire orgaan. Maar zelfs de naam viel niet.
Deze omissie was de hoofdredacteur van dat zwaarst ondersteunde blad eveneens opgevallen, want ter plekke kwam hij melden het in het debat te hebben gemist. En hij feliciteerde het met zichzelf en ontvouwde zijn plannen voor het nieuwe jaar. Daarna werd dit wapenfeit gesignaleerd in eigen huis, waar onder het kopje Onze uitgaven onder Boeken te vinden is dat de criticus er een opdrachtgever in heeft. Wie op het boekenkanaal van Knack zoekt op de naam van het tijdschrift vindt meer dienstbetoon.
Dit West-Vlaamse pingpong tussen complexen in Roeselare en Rekkem vind ik koddig. En van mij mag elk blad iets krijgen: we drinken koffie uit dezelfde kan, en zelfs biechten en zelfkritiek houden iets dubbelhartigs. Wel deins ik terug voor het grotere verband van zulke praktijken. Ik weet eigenlijk niet of ze kaderen binnen het neoliberalisme of terugvallen in de verzuiling, als geldt: Wiens brood men eet diens woord men spreekt.
Daarbij brandde de criticus in De Reactor een concurrent van Knack af. De subsidie voor het recensieplatform bekrachtigt immers dat zijn bestaansrecht, weliswaar zonder winstoogmerk, ligt in het corrigeren en aanvullen van op de markt aanwezige literatuurbeschouwing.
In zekere zin dient De Reactor evengoed een economisch doel. Ik weet dat mijn opvattingen hierover, onordelijk gestructureerd en weinig geabstraheerd, omstreden zijn, maar mij lijkt dat concernuitgevers in de gegeven constellatie niet heel veel van hun boeken weten; ze moeten zich bedienen van de analogie. Een competent recensieplatform verleent de waar alsnog content (en functioneert als heuse legitimeringsmachine voor genres die mede door afstoting bij concerns versplinteren).
Louter de onderwereld beweegt zich op de vrije markt.
Om nu richting te geven aan de eeuwige plasmastromingen over belastingbetalers die bagger moeten ondersteunen, ga ik terug naar mijn jeugd. Toen heette het principieel om een bepaald bedrag van de aanslag, ik meen 173 gulden, niet te betalen omdat dat naar Defensie zou gaan. Ik vond dat raar: wat te doen als door een overstroming je have in veiligheid ging worden gebracht door militairen?
Jaren later doemen verwante kwesties op: ik heb geen auto, geen gsm, maar zal allicht door mijn belastinggeld faciliteiten daarvoor schragen. Voor mij is dat geen probleem, ook uit eigenbelang – momenten dat andermans auto en gsm mijn dierbaren en mij kunnen redden. Voorts zal ons dagelijks voedsel niet door dolfijnen en duiven worden getransporteerd. Ik heb graag dat zulke zaken door mensen worden geregeld die daar verstand van hebben.
In verband met het onderwerp van deze reeks: ‘de markt’ rijmt gewoon niet met het literair tijdschrift. Voor wie dat niet accepteert stopt het (‘wij dokken niet voor andermans hobby’), wie dit fait accompli aanvaardt zou kunnen soebatten over een redelijke steun. Voor overwegingen daarbij denk ik niet in eerste instantie aan ‘We, the people’, maar aan mensen die zich in deze materie hebben verdiept. Dat lijkt me niet elitair. Wanneer mijn boiler kapot is laat ik hem repareren door een loodgieter; bij een handige Harry, hoe bekwaam en voordelig ook, kan er bij onverhoopte feilen geen beroep meer zijn op de fabrieksgarantie.
Dat laat onverlet dat ambachtslieden, bewust of onbewust, fouten kunnen maken. Uitsluiting lijkt niet te vermijden. Gelukkig kunnen er bezwaarschriften worden ingediend. Protest in de publieke ruimte tegen bij naam genoemde mensen die hun privésmaak zouden doordrukken, doen hetzelfde als het verwijt behelst: op eigen houtje oordelen en procedures omzeilen. Wel ligt er een grote verantwoordelijkheid bij de keuze van juryleden, die tot de beste prestaties zullen worden aangezet door zo groot mogelijke poëticale verschillen.
Met die re-ideologisering wil ik niet terug naar de verzuiling, toen naar verluidt Revolver eens sakkerde omdat de minister het budget had herschikt na de ontdekking dat de scouts nieuwe tenten moesten, maar pleit ik voor meer openheid van standpunten. Dat is tevens in het belang van ‘We, the people’, die in de boekwinkel feitelijk al beurzen toekent. Daar zijn literaire tijdschriften overigens te koop of te bestellen.
Dus. Wat kan in de eenentwintigste eeuw het nut van een literair tijdschrift zijn in combinatie met het geweldige potentieel van internet?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen