dinsdag 16 februari 2010

Wat nu? (4)


Indien sommige literaire tijdschriften bewust ‘moeilijk doen’, zouden ze vooral sociologisch interessant worden. En pleidooien voor het tegendeel? De overtuiging dat media meer op hun hurken mogen is gebracht door Van Reybrouck, maar misschien is het interessant iemand uit de praktijk erover te raadplegen: Siegfried Bracke.
Recent stak deze anchorman onder de provocerende titel ‘Lang Leve Zijne Majesteit de Kijker! Marketinglogica als motor van journalistieke kwaliteit’ de loftrompet over de commerciële televisie. Mij fascineerden Brackes argumenten tegen de zijns inziens natuurlijke antagonist: de publieke omroep. Hij verwijt deze ‘politiek correcte’ journalistiek door een ‘intellectuele elite’ die geen kennis van ‘het reële leven’ zou hebben, laat staan van ‘wat gewone mensen bezighoudt’.
Zoals ‘ideologische’ literaire bladen zouden buitensluiten, zo had de publieke omroep ‘pure Oostblok-methodes’ waarmee onwelgevallig nieuws geweerd werd. De cesuur van dergelijke praktijken legt Bracke bij de val van de Muur – toen commerciële televisie zijn intrede deed in het bestel. Omdat dat feit hier reeds is gecontextualiseerd, citeer ik slechts nog één statement van Bracke: ‘Lange stukken maken kan iedereen. Kort en toch begrijpelijk én zonder verlies van essentiële inhoud, dat is een kunst. Alleen dan win je de strijd tegen de meedogenloze zapdoos; alleen dan wordt het stuk doorgelezen tot het einde.’
Enige kanttekeningen. Bracke suggereert dat de overheidsconstellatie louter een peergroup bediende. Ik krijg juist die indruk bij het wereldwijde web, door gevoeligheden in comments en door soms luttele stamgasten die overal wat op te zeggen hebben. Of kennen communities geen ingewijden?
Twee. Onweerlegbaar is jaar na jaar het aantal abonnees op literaire bladen aan het dalen. Mochten ‘gewone mensen’ ooit belangstelling hebben gehad, het feest is nu definitief voorbij. Maar wat zegt dat over ‘kwaliteit’? Verraadt het eeuwige gemor erover uit de desnoods met Olympisch overwicht bezochte onderwereld ongerief? Is het invloedrijkste ook het waardevolste?
Drie. Indien echt het mes gezet wordt in cultuursubsidies (en er door guilt by association mee verbonden ontwikkelingssamenwerking), dan zullen met het vrijgekomen geld muren opgetrokken moeten worden tegen de Ander. Wat zou de bevolking zijn ontzegd na morgen?
Vier. Ik stem met Bracke in dat bondigheid een gave is, die bovendien van oudsher verbonden werd met deugd – leugenaars zouden, ahum, woorden blijven strooien. Voor uitleg en analyse van complexe uitingen die literatuur bevat, doemt er echter een ondergrens waarmee recht kan worden gedaan. In mijn ervaring ligt die voor bellettrie bij 500 woorden en raakt een recensie in zicht bij 1500 omdat vanaf dan ideeën en oordelen voor het voetlicht kunnen komen.
Daarmee zit ik meteen bij zaken die expliciet gezegd moeten voor ik Brackes bevindingen eerder symptomatisch dan uitzonderlijk verklaar voor de bovenwereld. Dat definities zijn gewijzigd. In de zaterdagse Standaard staat boven het eerste opiniestuk, dat het dubbele van de reguliere 750 woorden toegewezen is, ‘essay’. Eveneens door ideologisch-economische verschuivingen is ‘cultuur’ wat anders gaan betekenen. Onder die noemer berichtten als highbrow gekwalificeerde kranten in België dagelijks over de quiz De slimste mens ter wereld. Het begrip is tevens herijkt door technologie.
Ook wil ik vastgelegd hebben dat vele andere als hoog opgevatte kunsten verlegen zitten met hun bereik. Boven deze posting staat een helaas weinig aan de verbeelding overlatende tabel bij een bericht over de belangstelling per generatie voor klassieke muziek. Andere dada’s ad lib.
Er lijken dan weer veel kopers voor de hertaalde en uit saaiheidsvermijding met een vijfde bekorte Max Havelaar. Nu was de gelegenheidsuitgever in de unieke positie om, aangezien hij een krant is, het boek in fases opzichtig te pluggen, voor hij er een – positieve – recensie van publiceerde. Ook lag de winkelprijs laag.
Maar toch, bevredigt die hertaling een behoefte en gaan nieuwe lezers, die ze zei te willen winnen, daarna de integrale Max Havelaar openslaan? Zelf las ik, afkomstig uit een gezin waarin boeken geen rol speelden, Max Havelaar op 16-jarige leeftijd voor de leeslijst. Ik had net een nieuwe rekenmachine, waarmee het percentage reeds geconsumeerde bladzijden becijferd kon. Geen onvergetelijke leeservaring dus. Toch zat er voldoende in de tekst dat mij later, beter geïnformeerd, ernaar deed terugkeren.
Nog later heb ik me een beetje proberen te verdiepen in Max Havelaar, en juist vanwege die kennis zou ik, voor wie kunst niet heilig is, het ondoenlijk vinden zinnen te schrappen. Naast artistieke zijn er voor die onmacht humane redenen. Hoe kan ik bepalen wat ‘te moeilijk’ is? Zoals ik evenveel jeuk heb gehad van studenten die de arbeider klassenbewustzijn wilden bijbrengen als van hun critici die verzekerden dat hij meer geïnteresseerd was in mayonaise en triplex, is er voor mij iets stuitends aan voor derden te weten wat ze kunnen. Het nut om kennis helder te verspreiden, onderken ik nota bene stellig. Evenals dat onderzoek bizar kan zijn.
Mij schiet geen meer elitaire houding sinds hippies te binnen dan van mensen die weten sommige teksten niet te hoeven lezen omdat ze daar ‘te dom’ voor zijn. Die inspanning loont toch niet want de ‘hermetische’ schrijvers zijn bijvoorbeeld ‘Franse filosofen’. Dit anti-intellectualisme is ingewikkeld omdat het appelleert aan redelijkheid en hartstochtelijke letterliefde claimt. Ook is het in zijn toon, die louter wil behagen, tegelijk hooghartig en onzeker.
Sinds de opkomst van het postmodernisme is het in Nederland dominant geworden, soms heel subtiel. In een oratie werden ‘de deconstructivisten’ en ‘poststructuralisten’ exclusief belicht vanuit de autoriteit George Steiner. Nu zal het leerzaam wezen om bij Arsenalsupporters informatie over Chelsea in te winnen, maar misschien is die wat incompleet en zelfs niet helemaal adequaat. De laatste jaren treedt zulk gecamoufleerd geweld tegen de waarheid ook in België naar voren.
Waar Mulisch moest ruiken aan een envelop om de achterhalen of de erin gevouwen bijdrage voor De Gids kon deugen, volstaat heden een naam voor bijval of uitbraak. Word ik dan een cultuurpessimist pur sang als ik het obsceen vind indien reguliere media aan het literaire tijdschrift als zodanig hun vertrouwen opzeggen?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen