vrijdag 26 februari 2010

Wat nu? (8)

Omdat belastinggeld van en voor iedereen is, kan er zonder uitzondering over meegepraat worden. Het pleidooi van de criticus in Knack tegen gesubsidieerde literaire tijdschriften leek aldus gerechtvaardigd, maar zijn iconoclasme was zo dat een medewerker van een bestookt blad moest denken aan een ‘beschadigingsoperatie’. Daar leek weinig op af te dingen, ware het niet dat de criticus zijn ‘literaire vrienden’ in een comment nog ‘met literaire groeten’ de les las over hoe het internet te gebruiken: zoals op het boekenkanaal van Knack, ‘wat stripnieuws, wat serieus nieuws, wat interviews en reportages, enkele blogs enzovoorts’.
Die aandacht voor strips is inderdaad markant. De ene sponsor van de site steunt een stripclub die, als opvolger van de chef van de site, als Raad van Bestuur-voorzitter de baas van de andere sponsor heeft. Journalistiek mogelijk krom, maar niet geheimzinnig tegen het reliëf van de beoogde cross-promotie. Wie bekostigt echter het honorarium van de criticus voor zijn antisubsidiebetoog op dat boekenkanaal? Knack is een vrije onderneming, de ene sponsor is een provincie, de andere een laaglandelijke literaire stichting. Beide ondersteuners van deze site worden dus van belastinggeld betaald.
Ten slotte rijst de vraag of bij de criticus tijdens alle subsidiesmaad zijn geheugen werkte. In de papieren Knack had hij twee jaar eerder onder de titel ‘Behoed ons voor bekrompenheid’ namelijk becijferd dat de belastingbetaler meer moest ophoesten in een ander potje voor een ander cultureel tijdschriftconglomeraat: zo’n 15 keer het bedrag voor het hoogst gedoteerde literaire orgaan. Maar zelfs de naam viel niet.
Deze omissie was de hoofdredacteur van dat zwaarst ondersteunde blad eveneens opgevallen, want ter plekke kwam hij melden het in het debat te hebben gemist. En hij feliciteerde het met zichzelf en ontvouwde zijn plannen voor het nieuwe jaar. Daarna werd dit wapenfeit gesignaleerd in eigen huis, waar onder het kopje Onze uitgaven onder Boeken te vinden is dat de criticus er een opdrachtgever in heeft. Wie op het boekenkanaal van Knack zoekt op de naam van het tijdschrift vindt meer dienstbetoon.
Dit West-Vlaamse pingpong tussen complexen in Roeselare en Rekkem vind ik koddig. En van mij mag elk blad iets krijgen: we drinken koffie uit dezelfde kan, en zelfs biechten en zelfkritiek houden iets dubbelhartigs. Wel deins ik terug voor het grotere verband van zulke praktijken. Ik weet eigenlijk niet of ze kaderen binnen het neoliberalisme of terugvallen in de verzuiling, als geldt: Wiens brood men eet diens woord men spreekt.
Daarbij brandde de criticus in De Reactor een concurrent van Knack af. De subsidie voor het recensieplatform bekrachtigt immers dat zijn bestaansrecht, weliswaar zonder winstoogmerk, ligt in het corrigeren en aanvullen van op de markt aanwezige literatuurbeschouwing.
In zekere zin dient De Reactor evengoed een economisch doel. Ik weet dat mijn opvattingen hierover, onordelijk gestructureerd en weinig geabstraheerd, omstreden zijn, maar mij lijkt dat concernuitgevers in de gegeven constellatie niet heel veel van hun boeken weten; ze moeten zich bedienen van de analogie. Een competent recensieplatform verleent de waar alsnog content (en functioneert als heuse legitimeringsmachine voor genres die mede door afstoting bij concerns versplinteren).
Louter de onderwereld beweegt zich op de vrije markt.
Om nu richting te geven aan de eeuwige plasmastromingen over belastingbetalers die bagger moeten ondersteunen, ga ik terug naar mijn jeugd. Toen heette het principieel om een bepaald bedrag van de aanslag, ik meen 173 gulden, niet te betalen omdat dat naar Defensie zou gaan. Ik vond dat raar: wat te doen als door een overstroming je have in veiligheid ging worden gebracht door militairen?
Jaren later doemen verwante kwesties op: ik heb geen auto, geen gsm, maar zal allicht door mijn belastinggeld faciliteiten daarvoor schragen. Voor mij is dat geen probleem, ook uit eigenbelang – momenten dat andermans auto en gsm mijn dierbaren en mij kunnen redden. Voorts zal ons dagelijks voedsel niet door dolfijnen en duiven worden getransporteerd. Ik heb graag dat zulke zaken door mensen worden geregeld die daar verstand van hebben.
In verband met het onderwerp van deze reeks: ‘de markt’ rijmt gewoon niet met het literair tijdschrift. Voor wie dat niet accepteert stopt het (‘wij dokken niet voor andermans hobby’), wie dit fait accompli aanvaardt zou kunnen soebatten over een redelijke steun. Voor overwegingen daarbij denk ik niet in eerste instantie aan ‘We, the people’, maar aan mensen die zich in deze materie hebben verdiept. Dat lijkt me niet elitair. Wanneer mijn boiler kapot is laat ik hem repareren door een loodgieter; bij een handige Harry, hoe bekwaam en voordelig ook, kan er bij onverhoopte feilen geen beroep meer zijn op de fabrieksgarantie.
Dat laat onverlet dat ambachtslieden, bewust of onbewust, fouten kunnen maken. Uitsluiting lijkt niet te vermijden. Gelukkig kunnen er bezwaarschriften worden ingediend. Protest in de publieke ruimte tegen bij naam genoemde mensen die hun privésmaak zouden doordrukken, doen hetzelfde als het verwijt behelst: op eigen houtje oordelen en procedures omzeilen. Wel ligt er een grote verantwoordelijkheid bij de keuze van juryleden, die tot de beste prestaties zullen worden aangezet door zo groot mogelijke poëticale verschillen.
Met die re-ideologisering wil ik niet terug naar de verzuiling, toen naar verluidt Revolver eens sakkerde omdat de minister het budget had herschikt na de ontdekking dat de scouts nieuwe tenten moesten, maar pleit ik voor meer openheid van standpunten. Dat is tevens in het belang van ‘We, the people’, die in de boekwinkel feitelijk al beurzen toekent. Daar zijn literaire tijdschriften overigens te koop of te bestellen.
Dus. Wat kan in de eenentwintigste eeuw het nut van een literair tijdschrift zijn in combinatie met het geweldige potentieel van internet?

dinsdag 23 februari 2010

Wat nu? (7)

Bij een virulent criticus kan het verhelderend zijn eerst het schuttersputje te inspecteren. Hij molesteert tijdschriften, dus hoe is het zijne? Er is een tijd geweest dat Knack een luis in de pels van de autoriteiten was. In boekbesprekingen gaf het lezers ook waar voor hun geld. Dat daar niet altijd sprake meer van is kan eraan liggen dat de hoogtijdagen van het altijd wat wijdlopige postmodernisme voorbij zijn, maar verwikkelingen binnen het concern kunnen eveneens wegen.
De capaciteiten van de besprekers staan buiten verdenking, want de criticus doet al sinds jaar en dag mee. Wel erkent hij dat inmiddels de pagina’s ‘in hoge mate verlifestyled [zijn] en soms weinig happig op serieuze brokken boekenkopij’. Hij ervaart dat ook in zijn specialisme door schaalvergroting het tempo is opgeschroefd. Dat leidt tot door internet versimpelde copy-and-paste-journalistiek die vaak gethematiseerd wordt. Bijvoorbeeld met het vonnis door Nick Davies dat een amusant Droste-effect sorteert – alsof het slechts de concurrentie aangaat?
Zulke manoeuvres tekenen een bitse strijd om de lezer, die steeds minder printtekst tot zich neemt en dus selecteert. Boeken zijn een toemaatje, waarvoor een medium bonnen knippen laat in het kader van acties voor ‘bibliotheken’ die in meer dan één opzicht goedkoop zijn. Bij de strijd om de lezer in printmedia ruimt informatie steeds meer het veld voor sensatie en bij toestanden is het geven van naam en toenaam van mensen naar wie onderzoek loopt omdat ze verdacht zijn, ook op kwaliteitspagina’s normaal geworden. Is dat een verschuiving naar de mores van de onderwereld? En wordt in Nederland nog immer gerept van Mohammed B. en Volkert van der G.?
De meest logische vraag is of de lezer eigenlijk wel zit te wachten op structurele ranzigheid. Knack profileerde zich door een vermeende e-mailcorrespondentie te publiceren tussen een man en een vrouw uit de Vlaams-Belangtop. Het blad wou er hun liefdesrelatie mee bewijzen. Naar eigen zeggen diende deze onthulling het landsbelang: om anders dan door het cordon sanitaire te demonstreren dat de partij perfide was. Los van het feit dat zowel bij die diagnose als bij de behandeling ervan vragen kunnen rijzen, wat gebeurde, kreeg het blad haar actie als een boemerang terug. Dat de vrouw inmiddels een blog bijhoudt voor de publieke omroep heeft allerlei redenen, waar misschien deze bij is: Knack was te ver gegaan (zelfs in het besef dat de vrouw de openbaarheid niet schuwt; haar site vertoont momenteel foto’s van haar woning die ze om aangegeven privéredenen verkoopt).
Literair nieuws hoeft er met zijn hoge schoorsteenbrandgehalte geen last van te hebben. Maar op het met twee sponsoren opgerichte boekenkanaal van Knack werd recent een drie maanden oud persbericht gepresenteerd als eigen nieuws. Kwam het door het oude symbolisch kapitaal van de papieren versie van het blad dat het non-nieuws zich meteen door de onderwereld verspreidde en ook snel op beroepssites van boven kwam? Vervolgens werd er een draai aan gegeven en Knack deelde met het wissen van de naam van zijn correspondent slechts half in de verantwoordelijkheid.
Die onwil om feiten te verifiëren en de haast om tijdingen te herhalen staan niet op zichzelf. Dat maakt ook het beklag van sommige literaire internetinitiatieven, dat ze geen subsidie krijgen voor meningen bij hyperlinks, aan de boude kant. Dat zeg ik met oprecht ontzag voor hun volharding. Maar desnoods onder de vlag van ‘burgerjournalistiek’ hebben zij, net als het boekenkanaal waarop de criticus zijn invectieven jegens papieren tijdschriften lanceerde, een wereld te winnen op printmedia met een pupillenvoetbalsyndroom – een kluitje rond de bal, terwijl het veld open ligt.
Helaas. Hoewel het Knack-kanaal de niche heeft van berichten uit de boekenbranche die om bovenverstandelijke redenen officieel louter voor abonnees zijn (terwijl de overgenomen VN-recensies eveneens ter plekke raadpleegbaar zijn), zie ik weinig verschil met wat er zoal op het net te vinden is. De aanval op De Reactor en papieren literaire tijdschriften beantwoordde zelfs aan de virtuele usance: ferme, ongenuanceerde mening met de portee AFSCHAFFEN. Verder verstrekte de criticus imposant veel feitelijke onjuistheden. Kennelijk moeten beschuldigden ze rechtzetten in een comment of in een aparte bijdrage, die het medium simultaan optuigt voor ‘het debat’. Is dat tactvoller dan verdachtmakingen die literaire tijdschriften met hun subsidiegevers van stonde af vanuit de onderwereld mochten ondergaan?
De internetposting bleek een fragment. Het web bood toegang tot de beledigende voorstellen, terwijl in de papieren Knack mocht genoten van de theoretische onderbouw, in een cursus Habermas-en-het-koffiehuis (welke klassieke plaats van handeling daarna ook in Nederland opdook, in een pleidooi, volgens een comment ‘veeeeeel te lang om de aandacht van de internetlezer vast te kunnen houden’, dat opzichtig om De Reactor heen liep).
Was ‘de internetlezer’ van Knack door een vermelding van Habermas anders teruggedeinsd? De criticus leek die vrees te bezweren door totaal verschillende ‘reflecterende en dikwijls ook meer academisch aandoende bladen’ op één hoop te vegen. Een staaltje zelfverloochening, nodig om te eisen dat het ‘belastinggeld’ niet aan ‘inteeltinitiatieven zoals De Reactor’ werd besteed: ‘We, the people hebben daar recht op’.
De gemoederen liepen algemeen op tot een relaps in de oude muntsoort, toen er werd gerept van ‘elke cent subsidie’ die er een te veel is. Waarom toch? Aangezien overheidssteun een instrument is om de markt te corrigeren, snap ik dat de criticus zich in het geld voor De Reactor een brevet van onvermogen zag worden opgespeld. Aldus was het te begrijpen dat hij meteen ook het Fonds aanviel, al was het als surrogaatvader voor Knack dat gaande de jaren de ruimte voor zijn kritische expertise zal hebben beperkt. Een collega-recensent doopte zijn weblog om tot ‘De Reactor.be In afwachting van die andere Reactor’.
Toch bleef er iets onbegrijpelijks aan deze exercities. Want als het gaat om tijdschriften ‘die erg handig zijn in het binnenrijden van kruiwagens met steun’, ligt dan een ander instituut niet een heel klein beetje meer voor de hand?

zaterdag 20 februari 2010

Wat nu? (6)

Vooralsnog bewijst recensieplatform De Reactor zijn nut: het overtreft nu al enige maanden de boekenbijlagen. Zegt dat wat over zijn recensies of over het reeds bestaande?
De voorwaarden op internet lijken gunstiger. Geen deadlinegedoe met drukproeven voor ‘de waan van de dag’ en besprekers krijgen 2000 woorden, een omvang die voor liefhebbers de hemel moet betekenen en voor niet-geïnteresseerden een wetboek. Prettig ook dat Nederland en België niet de onbekendheid van elkaar uitventen die ertoe heeft geleid dat kaskrakers als De zaak Alzheimer en Alles is liefde over de respectievelijke grenzen remakes krijgen.
Voldoet het platform ook aan zijn missie? Waarschijnlijk wegens gebrek aan sturing, zoals tijdschriften wel kunnen, blijven de titels tamelijk recent. En ik weet niet of de Taalunie, een van de subsidiegevers, het geinig vindt dat nogal wat gerecenseerde, mainstream highbrow bellettrie bijna vanzelfsprekend uit het buitenland komt.
Zelf was ik benieuwd naar de poëziebesprekingen. Ze stelden mij meestal teleur, ik vind ze gedwee dan wel inexact in hun brutaliteit. De keuze van de dichters, een uitzondering niet te na gesproken, ligt zo voor de hand, dat collega-site Poëzierapport onontbeerlijk blijft. Daar wordt kwalitatief misschien niet altijd even geweldig, maar minder voorspelbaar werk soms secuur gelezen – meteen een voorbeeld van elkaar versterkende initiatieven.
Dat ik van de poëzierecensies meer had verwacht, ligt vermoedelijk mede aan hun biotoop. Vergrote mogelijkheden blijven, een enkeling weer niet na gesproken, vooralsnog onbenut. Toch leent een posting met hyperlinks zich voor dialoog, verruiming, tegenspraak. Hoe aardig het is dat elders het medium wel in zijn specificiteit voor poëzie ingezet wordt, De Reactor houdt zich erg ver weg. Het rijtje ‘Interessante links’ heet nog net niet ‘Secundaire bibliografie’.
Nog een facet aan internet is de reactiemogelijkheid. Die toont zich bij De Reactor tot nu toe gestremd. Hoewel publieksomvang mij niet het allerbelangrijkste criterium lijkt, worden hier lezers in de kou gezet. De discussierubriek ‘De laatste stelling’ komt niet van de grond. Dat kan ermee te maken hebben dat auteurs soms kribbig reageren op commentaar of zich niet verwaardigen (zelf) te antwoorden. Voorts is er de mysterieuze buffer van een moderator en blijken grotere comments technisch nog niet doenbaar: eerlijkheidshalve kan de optie beter weg.
Dat deze site krampachtig met confrontaties omgaat, verklaar ik uit de kennismaking met het luidruchtigste deel van de onderwereld. Een van de eerste recensies kreeg een comment vol routine-insinuaties – en werd even denigrerend verwijderd. Het veelgebezigde begrip ‘censuur’ lonkte en de ter zelfde plekke gevoerde verdediging – ‘op Internet mag je wel toevoegen (want dat is deel hebben aan de beweging van die lopende code) maar een ingreep in andermans reactie (op zichzelf niet minder mogelijk gemaakt door het medium) is voor jou geen deel van die beweging’ – leek een diplomatieke slimmigheid. Resultaat: nog meer irritatie.
Ik vind het moeilijk zonder veel psychologiseren de stemming in de onderwereld jegens De Reactor te benoemen, omdat de diagnose collectieve hysterie voor de hand ligt. Ze resulteerde in elk geval in een haatcampagne. Omdat die ontbrandde lang voordat de site officieel in de lucht ging, had ze niet alleen iets evident onrechtvaardigs. De haat was ook lachwekkend: op het oneindige internet wou men een centrum reserveren. Overigens zal het vuur aangewakkerd zijn doordat de eerste voorbereidingen voor De Reactor bij Yang waren getroffen (ironischerwijs werkt de link daar naartoe niet).
Nu hoeft wat mij betreft net als lekker bier goede rancune niet vies te zijn, maar hier was zij intreurig. Bediscussieerd werden ‘kwaliteit’ en ‘professionaliteit’, maar de indruk verdween niet dat doorn in het oog de brede subsidie voor De Reactor was. Dat fenomeen is, samen met het juryrapport, dé sparringpartner voor boksfestijnen in de onderwereld.
Beide items bieden een proeve van erkenning door de bovenwereld. Daarop komt meestal het bezwaar van ‘belangenverstrengeling’, door ‘inteelt’. Vanuit die optiek had het verstrekte geld aan De Reactor evengoed tot hosannagezang kunnen leiden: impliciet kreeg de recensiearbeid van de bovenwereld één ster. Maar het negatieve sentiment woog door. Dat was voorstelbaar: dit startend project moest de zegen krijgen vanwege symbolisch kapitaal, niet vanwege er reëel voor geleverde prestaties.
Wel zou voor ‘vriendjespolitiek’ de tel spoedig kwijt zijn, want het platform mikt op erg veel recensenten – altijd prijs! Is dat binnen een zo klein taalgebied als het Nederlandse bijna onvermijdelijk, het valt niet te ontkennen dat de omgang aan de claustrofobische kant is. Wie daar gevoelig voor is raakt in een toestand van heteronomie, en slaat aan het laveren om niet tegen de royale hoeveelheid meubilair te stoten. Zo bezien is de onderwereld een verademing, al blijft door de gerichtheid op de bovenwereld de autonomie onbereikbaar (en maakt men zich vermoedelijk alleen maar meer onmogelijk, wat dan extra verontwaardiging verwekt).
Het binnenhuisrealisme, dat van oudsher de Nederlandstalige literatuur zou beheersen, draagt aldus letterlijk een institutioneel masker waarachter, zoals bij Facebook, parochiale trekjes verscholen gaan. Bij zulke observaties hoort in de praktijk de frase zich verre te houden ‘van het gescharrel der kippen in de tuin der Letteren’. Onloochenbaar koos De Reactor echter niet voor specialisten, maar voor netwerken. Dan is het consequent dat er geen gelegenheid is voor ongevraagde inzendingen. Ook acteren sommige medewerkers – conform nog een prototype van de laaglandse literatuur, de naoorlogse verzetstrijder – in het bijlagenklimaat waarvan het platform beweert afstand te nemen.
Bijzonder is dat het idee voor een platform op het wereldwijde web er zelf op te achterhalen is, in een comment uit 2006. Het kwam van Rutger Cornets de Groot, een exponent van de internetpraktijk; vandaar wellicht zijn getergdheid tegenover het resultaat. De Reactor negeerde zijn veelal rake mediumgebonden kritiek.
Wel werd een verdedigingslinie opgetrokken tegen bombardementen vanuit de bovenwereld. Daarbij lagen tegelijk literaire tijdschriften weer eens onder vuur. Wat bezielde die schutter?

Rectificatie
Zoals het vierde comment vermeldt, is het euvel met langere comments op De Reactor verholpen. Ongevraagde inzendingen zijn nu ook welkom.

donderdag 18 februari 2010

Wat nu? (5)

‘Overbodig nummer’: zo betitelde Deus ex Machina vorig jaar de aflevering gewijd aan ‘de toekomst van het literaire tijdschrift’. Ik noem daaruit slechts één bijdrage, omdat die snel bereikbaar is, bewust ‘kort door de bocht, om de discussie van enig contrastvloeistof te voorzien’, én gemaakt werd door een ervaringsdeskundige in het veld: redacteur Yang, literatuurrecensent voor diverse kranten, chef Standaard der Letteren, jurylid, en volgens het colofon nu Business Unit Manager bij Sanoma Magazines.
Hij wijst op de afhankelijkheid van subsidies bij het literaire blad die als ze eeuwig zouden duren ‘een maatschappelijke schande’ zouden zijn, temeer daar de sporadische abonnees nog in hoeveelheid slinken. Die desinteresse komt volgens hem doordat hardwerkende redacteuren niet in de werkelijkheid zijn geïnteresseerd: ze doen het enkel voor zichzelf. Hij pleit voor zelfkritiek, hergroeperen en digitaliseren. ‘Die drie literaire debutanten worden door uitgevers wel op andere manieren opgepikt’.
Het laatste gebeurt natuurlijk reeds: agenten leveren auteurs aan de hoogste bieder. Economisch bezien is de overheidsbemoeienis in de benoemde redacteursautoriteit van een gesubsidieerd blad geprivatiseerd; een tussenpersoon faciliteert de vrije markt en krijgt voor die ingreep 15%. Vaarwel kweekvijver, de deur staat gewoon open!
Maar het grootste bezwaar is dat er geen rekening gehouden wordt met de lezer. Het klinkt inmiddels vertrouwd, vooral gecombineerd met de pertinent vermelde subsidie, en bevestigt de common sense dat die bladen elitair zijn. Toch vrees ik dat hier een denkfout in zit. Niet alleen omdat onprofessionele beoordelaars ook een hegemonisch referentiekader hebben, vooral omdat de onuitgesproken conclusie is dat ervaringsdeskundige zelf wel heeft gedurfd in te spelen op de behoeften van lezers-consumenten. Helaas moet ik hem een jij-bak verkopen.
Als er iets ‘zijn’ boekenbijlage en die van concurrenten kenmerkt, is het wel geringschatting van de lezer. Deze wordt gesmoord in een lappendeken van tips, jubilea, ranglijsten, hobby’s, verjaardagen, voorpublicaties, weekjournaals, overlijdensgevallen, interviews, vooruitblikken – alles eigenlijk wat de bespreking van een boek kan vermijden. Is die implosie niet ijdel? Hooghartig dunken me signalementen van ‘fijnproeversbundels’ of ‘pareltjes die aan onze aandacht waren ontsnapt’. Net als bij de spaarzame als recensie bedoelde teksten is het al juichen indien de 500-woordengrens wordt gehaald. Het geheel is gul afgebiesd met foto’s, wat niet erg is maar in verhouding tot de tekst doorgeslagen lijkt, getuige wat in minder professionele tijden van weleer gewoon was.
In feite is het komisch dat je schrikt, met het instantoordeel ‘misplaatst!’, als in zo’n context een soevereine rubriek opduikt waarin teksten ernstig worden gelezen, overdacht en op hun relevantie onderzocht. De behandelde boeken zijn daar echter meer dan drie maanden oud, plaatsvervangend excuserend voor de organisatoren?
Het is lastig zich te identificeren met de chefs van dergelijke projecten. Hun overwegingen en werkmethoden zijn geboekstaafd in fraaie interviews die als bijlage bij een ‘masterscriptie’ dienden. Ik wil daar niet lacherig over doen, want de aanpak van die mensen is reëel en getuigt op eigen wijze van een liefde voor het boek. Bovendien hoef je niet voor augur gestudeerd te hebben om te zien dat ze, uitzonderlijk in de branche, over een lange periode consistent zijn. De huidige chef Letteren volgt het door de ervaringsdeskundige geëffende pad dat voor hem evengoed gebaand was.
In Deus ex Machina raadt hij literaire tijdschriftredacteuren aan streng te zijn voor zichzelf. Zou hij ook voor de spiegel hebben gestaan? Als prototypisch onderwerp voor een literair blad noemt hij ‘eindelijk de vlammende waarheid over dat laatste boek van Tom Lanoye, iets wat in de boekenbijlagen van kranten natuurlijk al lang niet meer mag geschreven worden’. Met gelouterde ironie suggereert hij een complotgedachte van ouderwetse cultuurliefhebbers (bij wie hij retorisch ‘beschaving’ detecteert) die erop stoelt dat kritiek op een merknaam doelbewust achterwege blijft in massamedia. Maar ik denk dat kritiek daar welkom is, om de bijlage een ‘identiteit’ te geven. Inzake Lanoye heerst echter het format van het interview, waardoor de nadruk komt op zijn familie, keuken, reizen, humanitaire acties et cet; aan een ander katern verstrekt hij desgevraagd zijn opinismen.
Heeft de ervaringsdeskundige zich ooit afgevraagd wie dat eigenlijk interesseert? Kan het dat bij hém ‘de lezer langs de achterdeur buiten gelopen’ is? Ik zal in foute kringen verkeren dat, hoewel consensus ontbreekt over hoe te reageren bij een verzoek, mij niemand bekend is die voor de lol nog een boekenbijlage doorneemt. Indien je als lezer niet meer serieus genomen wordt, lijkt een scheiding logischer. Ik las ook Oosterbaans en Wansinks studie over kranten in mediaconcerns. Volgens die auteurs snakken lezers naar analyse maar worden ze om de oren geslagen met meningen door matadoren van het seizoen.
Als het gaat om het boek zijn juist in literaire tijdschriften steeds vaker analyses te vinden. Ze hebben daarmee kennelijk niet direct een gat in de markt gevonden, maar nemen wel een taak op die de krant heeft afgestoten. Iets anders is of dat hun bestaan rechtvaardigt. Uiteraard niet, mede omdat zoiets op het wereldwijde web, waar ook de ervaringsdeskundige heil in ziet, wat goedkoper en duizend keer zo bereikbaar kan. En zo geschiedde, met recensieplatform De Reactor. Je wilt niet weten wat dat bleek in te houden.

dinsdag 16 februari 2010

Wat nu? (4)


Indien sommige literaire tijdschriften bewust ‘moeilijk doen’, zouden ze vooral sociologisch interessant worden. En pleidooien voor het tegendeel? De overtuiging dat media meer op hun hurken mogen is gebracht door Van Reybrouck, maar misschien is het interessant iemand uit de praktijk erover te raadplegen: Siegfried Bracke.
Recent stak deze anchorman onder de provocerende titel ‘Lang Leve Zijne Majesteit de Kijker! Marketinglogica als motor van journalistieke kwaliteit’ de loftrompet over de commerciële televisie. Mij fascineerden Brackes argumenten tegen de zijns inziens natuurlijke antagonist: de publieke omroep. Hij verwijt deze ‘politiek correcte’ journalistiek door een ‘intellectuele elite’ die geen kennis van ‘het reële leven’ zou hebben, laat staan van ‘wat gewone mensen bezighoudt’.
Zoals ‘ideologische’ literaire bladen zouden buitensluiten, zo had de publieke omroep ‘pure Oostblok-methodes’ waarmee onwelgevallig nieuws geweerd werd. De cesuur van dergelijke praktijken legt Bracke bij de val van de Muur – toen commerciële televisie zijn intrede deed in het bestel. Omdat dat feit hier reeds is gecontextualiseerd, citeer ik slechts nog één statement van Bracke: ‘Lange stukken maken kan iedereen. Kort en toch begrijpelijk én zonder verlies van essentiële inhoud, dat is een kunst. Alleen dan win je de strijd tegen de meedogenloze zapdoos; alleen dan wordt het stuk doorgelezen tot het einde.’
Enige kanttekeningen. Bracke suggereert dat de overheidsconstellatie louter een peergroup bediende. Ik krijg juist die indruk bij het wereldwijde web, door gevoeligheden in comments en door soms luttele stamgasten die overal wat op te zeggen hebben. Of kennen communities geen ingewijden?
Twee. Onweerlegbaar is jaar na jaar het aantal abonnees op literaire bladen aan het dalen. Mochten ‘gewone mensen’ ooit belangstelling hebben gehad, het feest is nu definitief voorbij. Maar wat zegt dat over ‘kwaliteit’? Verraadt het eeuwige gemor erover uit de desnoods met Olympisch overwicht bezochte onderwereld ongerief? Is het invloedrijkste ook het waardevolste?
Drie. Indien echt het mes gezet wordt in cultuursubsidies (en er door guilt by association mee verbonden ontwikkelingssamenwerking), dan zullen met het vrijgekomen geld muren opgetrokken moeten worden tegen de Ander. Wat zou de bevolking zijn ontzegd na morgen?
Vier. Ik stem met Bracke in dat bondigheid een gave is, die bovendien van oudsher verbonden werd met deugd – leugenaars zouden, ahum, woorden blijven strooien. Voor uitleg en analyse van complexe uitingen die literatuur bevat, doemt er echter een ondergrens waarmee recht kan worden gedaan. In mijn ervaring ligt die voor bellettrie bij 500 woorden en raakt een recensie in zicht bij 1500 omdat vanaf dan ideeën en oordelen voor het voetlicht kunnen komen.
Daarmee zit ik meteen bij zaken die expliciet gezegd moeten voor ik Brackes bevindingen eerder symptomatisch dan uitzonderlijk verklaar voor de bovenwereld. Dat definities zijn gewijzigd. In de zaterdagse Standaard staat boven het eerste opiniestuk, dat het dubbele van de reguliere 750 woorden toegewezen is, ‘essay’. Eveneens door ideologisch-economische verschuivingen is ‘cultuur’ wat anders gaan betekenen. Onder die noemer berichtten als highbrow gekwalificeerde kranten in België dagelijks over de quiz De slimste mens ter wereld. Het begrip is tevens herijkt door technologie.
Ook wil ik vastgelegd hebben dat vele andere als hoog opgevatte kunsten verlegen zitten met hun bereik. Boven deze posting staat een helaas weinig aan de verbeelding overlatende tabel bij een bericht over de belangstelling per generatie voor klassieke muziek. Andere dada’s ad lib.
Er lijken dan weer veel kopers voor de hertaalde en uit saaiheidsvermijding met een vijfde bekorte Max Havelaar. Nu was de gelegenheidsuitgever in de unieke positie om, aangezien hij een krant is, het boek in fases opzichtig te pluggen, voor hij er een – positieve – recensie van publiceerde. Ook lag de winkelprijs laag.
Maar toch, bevredigt die hertaling een behoefte en gaan nieuwe lezers, die ze zei te willen winnen, daarna de integrale Max Havelaar openslaan? Zelf las ik, afkomstig uit een gezin waarin boeken geen rol speelden, Max Havelaar op 16-jarige leeftijd voor de leeslijst. Ik had net een nieuwe rekenmachine, waarmee het percentage reeds geconsumeerde bladzijden becijferd kon. Geen onvergetelijke leeservaring dus. Toch zat er voldoende in de tekst dat mij later, beter geïnformeerd, ernaar deed terugkeren.
Nog later heb ik me een beetje proberen te verdiepen in Max Havelaar, en juist vanwege die kennis zou ik, voor wie kunst niet heilig is, het ondoenlijk vinden zinnen te schrappen. Naast artistieke zijn er voor die onmacht humane redenen. Hoe kan ik bepalen wat ‘te moeilijk’ is? Zoals ik evenveel jeuk heb gehad van studenten die de arbeider klassenbewustzijn wilden bijbrengen als van hun critici die verzekerden dat hij meer geïnteresseerd was in mayonaise en triplex, is er voor mij iets stuitends aan voor derden te weten wat ze kunnen. Het nut om kennis helder te verspreiden, onderken ik nota bene stellig. Evenals dat onderzoek bizar kan zijn.
Mij schiet geen meer elitaire houding sinds hippies te binnen dan van mensen die weten sommige teksten niet te hoeven lezen omdat ze daar ‘te dom’ voor zijn. Die inspanning loont toch niet want de ‘hermetische’ schrijvers zijn bijvoorbeeld ‘Franse filosofen’. Dit anti-intellectualisme is ingewikkeld omdat het appelleert aan redelijkheid en hartstochtelijke letterliefde claimt. Ook is het in zijn toon, die louter wil behagen, tegelijk hooghartig en onzeker.
Sinds de opkomst van het postmodernisme is het in Nederland dominant geworden, soms heel subtiel. In een oratie werden ‘de deconstructivisten’ en ‘poststructuralisten’ exclusief belicht vanuit de autoriteit George Steiner. Nu zal het leerzaam wezen om bij Arsenalsupporters informatie over Chelsea in te winnen, maar misschien is die wat incompleet en zelfs niet helemaal adequaat. De laatste jaren treedt zulk gecamoufleerd geweld tegen de waarheid ook in België naar voren.
Waar Mulisch moest ruiken aan een envelop om de achterhalen of de erin gevouwen bijdrage voor De Gids kon deugen, volstaat heden een naam voor bijval of uitbraak. Word ik dan een cultuurpessimist pur sang als ik het obsceen vind indien reguliere media aan het literaire tijdschrift als zodanig hun vertrouwen opzeggen?

zaterdag 13 februari 2010

Wat nu? (3)

Dat literaire tijdschriften overbodig zijn omdat ze een als het ware oneerlijke sterke poëticale inslag hebben, is vanuit historisch perspectief onhoudbaar. Partijdigheid was het kenmerk van bladen die in de literatuurgeschiedenis zijn opgenomen. Natuurlijk is dan ‘normverandering’, gepraktiseerd in een vadermoord, het ordenend principe – dat even elementair discutabel is bevonden. Maar het lijkt me stug dat zogezegd nevenschikkende literatuuroverzichten die bladen zouden vervangen door ‘pluralistische’.
Ik moet die term uitklaren, maar eerst iets over een even heikele, die aan poëticale bladen verkleefd is: ‘ideologisch’. Onlangs viel hier de heersende aversie tegen deze kwalificatie te vernemen, omdat ze zou leiden tot gepolariseerde inzichten van voor de val van de Muur. Voortredenerend zouden zulke tijdschriftredacteuren slechts hun ‘eigen agenda doordrukken’.
Dikwijls behelst het niet meer dan een academisch gelijk wanneer hierop de vaststelling komt dat de verwerping van ideologie evengoed ideologisch is. Maar het strekt verder. In Geweld, de vorige posting al genoemd, zei Zizek dat slechts extremen nog gepercipieerd worden als ‘ideologie’: religieuze ijver (‘fundamentalistisch’) en trouw aan een politieke overtuiging (‘verstokt’). Het dagelijks leven van de overweldigende rest zou door het gezonde verstand neutraal geworden zijn, ontvankelijk voor alles.
Staan postideologische tijdschriften open voor elke bijdrage met ‘kwaliteit’? Hun verklaarde antipoden hebben de naam te weigeren wat niet in hun kraam past, en dus aan uitsluiting te doen. Maar zelfs de meest fameuze onder hen hebben teksten over het hoofd gezien die goed hadden gepast. Volgens mij is dat een andere constante in de literatuurgeschiedenis, die geregeld melding kan maken van – ook door uitgeverijen – afgewezen grootheden. De reputatieschade zou groter zijn dan bij het publiceren van rommel.
Uitsluiting blijkt een wetmatigheid, die menselijk mag heten, met als varianten favoritisme en verzwijgen. ‘Pluralistische’ bladen praten protocollair als bij hen ‘duizend bloemen bloeien’. Citeren ze sowieso een ideologierijke consument, de ontkenning van een politieke dimensie zuigt alom het begrip ‘tolerant’ aan, dat in de woorden van Zizek een ‘postpolitiek surrogaat’ is. Want na de val van de Muur zijn uitbuiting en onrecht niet verdwenen.
Wellicht is het een soortgelijk teken des tijds dat recent twee bij uitstek ‘ideologische’ bladen, hoogtepunten uit de naoorlogse laaglandse literatuur, het loodje hebben gelegd: Raster en, door een fusie, Yang. Beide hadden te lijden onder een beeldvorming die dolzinnig raakte.
Yang is ouder geworden dan Revolver, op weg naar de vijftig, maar haar reputatie dankt het aan de korte, belligerente periode waarin Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy redacteur waren, net als Hans Vandevoorde en Bart Vervaeck die theoretische ondergrond boden voor een postmodernisme. Het Momentum is dan het Zeven poëtica’s-nummer uit 1989. Zelf mocht ik later met het blad meedoen en ik kreeg de indruk dat men, hoewel allen uitstekend terecht zijn gekomen, nooit heeft kunnen omgaan met die verbluffende samenballing van talent.
Nieuwe wegen glommen in een dianegatief. Er was afkeer van de niet-misselijke exercities én er viel postmodernisme te laken in de succesvolle Verhelst. Op hem werden vadermoorden geprojecteerd, bij Van Bastelaere en Spinoy moesten derden de trekker overhalen. Dichters van hun orde zijn echter zeldzaam. Daarbij speelde een generatiekwestie; in termen van Henk Becker – waar kritiek op is maar die zelfs op de werkvloer gehanteerd worden – behoren de Zeven poëtica’s-mannen (en ik) tot de verloren, en hun opvolgers tot de pragmatische generatie. In links-rechtsdenken en uitstorting van ambitie maakt dat verschil.
Dat laat onverlet dat Van Bastelaere nog altijd, net als een Zeven poëtica’s-genoot en latere Yang-secretaris, commentaar kan geven dat herinnert aan de Hollander die een autochtoon in Duitsland de weg vroeg: ‘Mag ich Sie eben zerstören?’ Ik dacht dat ik erg was, maar in zo’n bejegening van de Ander is er, ach ja, waarlijk gelijkenis met de verworpen onderwereld. Deze bestookte Yang met beelden van twintig jaar eerder, inclusief een connectie met het stalinisme die mij, toch gezegend met enige fantasie, een raadsel gebleven is.
Het beeld dat terzelfder plekke van Raster geschapen werd was nog ouder, uit Averechts van Gerrit Komrij (1980). Ligt dat aan diens polemische kracht? Doorbladeren zou al hebben gereveleerd dat het blad sindsdien fiks veranderde. Deze metamorfose, schijnbaar pluriformer door inperking van de expliciet poëticale inzet, kon in de bovenwereld trouwens op sympathie rekenen.
Als afscheid bracht Raster twee nummers uit: de dubbel 123+124 ‘Het Einde’ en 125 die ‘Index’ heette. Inderdaad had die allerlaatste een indrukwekkende detailkaart om jaargangen mee te kunnen doorkruisen, maar de titel mag eveneens in katholieke zin worden begrepen: er stonden ook ‘vingerwijzingen’ in ‘voor een geschiedschrijving vanaf 1967 toen Raster werd opgericht’. Zo corrigeert Pieter de Meijer vier literatuuroverzichten van de afgelopen twintig jaar in hun Raster-visies.
Verder bewerkt in de ‘Index’ stichter H.C. ten Berge, die eerder het nut van zijn geesteskind betwijfeld had, één zinnetje van mij met het rode potlood. Hij herhaalt zijn in 2000 voor De Gids geuite kritiek, die ik meende te hebben weerlegd in een lijvig, openbaar bediscussieerd essay voor DWB. Hoewel dat niet bijster rijp was, raakten ideeën eruit bijna letterlijk in de mainstream media. Maar goed, Ten Berge vermeldt het niet en ik ben verguld dat mijn naam Raster heeft gehaald.
Ondertussen, de twee genoemde bladen hadden meer gemeen. Zeker als jaargangen met kop en schouders boven die van hun collega’s uitstaken, was het verwijt van ‘moeilijkdoenerij’ en ‘academisme’ en ‘ontoegankelijkheid’ nabij. Ik snap dat zo de elitetopos werd opgerakeld, maar wat zou er toch mee bedoeld zijn?

dinsdag 9 februari 2010

Wat nu? (2)

Geen beschouwing over laaglandse papieren literaire tijdschriften is compleet indien niet het muizenaantal abonnees van Forum vermeld wordt. Wanneer is die kleinschaligheid van het medium gaan gelden als probleem? Ik vermoed: toen de niet geringe subsidies van binnenuit bij het betoog betrokken werden.
Daarmee bedoel ik dat het item ‘subsidie’ steevast aantijging, hoon en spot heeft gegenereerd – terecht of niet: veelal door lui die de poet waren misgelopen – maar dat die emoties altijd afketsten. Bij de vele voorbeelden daarvan moet je bedenken dat conform de zede het protest werd genegeerd of gepareerd. Het verstrekte geld bleef aldus niet eens zozeer onomstreden als wel legitiem.
Volgens mij zijn er twee taboedoorbrekende momenten geweest. In 2002 was er De waarde van woorden, waarin Lisa Kuitert op grond van ervaringen als Fondsbeoordelaar een soort subsidieproza viseerde dat een comateus bestaan leidde. Dat haar tekst een inaugurele rede behelsde, zal de steen in de vijver van autoriteits- en kwaliteitsaanspraken hebben verzwaard. Vervolgens liet de tijdschriftencommissie van het Productiefonds, met onder meer Kuiterts confrater Dorleijn, weten dat literaire bladen onderhand de publicatie-optie van internet mochten overwegen.
Het voor het medium heilige ‘laboratorium’, waar experimenten de literatuur verder zouden helpen, was ontwijd. Dat dezelfde Kuitert later het literaire blad vergeleek met een ‘speeltuin’ verbaasde niet. Van bovenpersoonlijk ontmoetingspunt ten bate van de kunst was de aandacht allang verschoven naar de beoefenaars, wier geloofwaardigheid taande.
Daarbij had een ander medium, dat fenomenaal is voor de enkeling die het intelligent gebruikt, als katalysator gefungeerd. Met een fijne onbevangenheid is het internet, dat zich grofweg vanaf 1995 als gemeenschapspodium aandiende, elke hiërarchisch gefundeerde aanspraak ter discussie gaan stellen. Inmiddels is een prijs voor een literaire prestatie ondenkbaar zonder een publieksstem, hetzij aanpalend bij een uitreiking, hetzij in de persoon van één ‘gepassioneerd’ jurylid. Dit is echt een recente ontwikkeling.
Aangezien literaire tijdschriften met hun ambitieuze redacteuren het gezag verpersoonlijkten, kregen zij het extra voor hun mik. Zeker van jongere auteurs, die met het nieuwe medium waren opgegroeid en voor wie pen en tikmachine een museale status hadden. In 2004, bij het wegvallen van Bzzlletin (dat in zijn hoogtijdagen meer dan 10.000 abonnees had), ontwaarde Ingmar Heytze amper ‘hemelbestormende intenties’ in het ‘traditionele literaire tijdschrift’, en des te meer tekenen van overbodigheid. Hij repte van ‘een papieren ego’ en een ‘intellectueel masturbatie-object’. De toekomst was volgens hem aan een ‘cyber-ego’, waarmee het internetblad een immens bereik zou krijgen, immer actueel en goedkoop ook.
Heytze zei dat in een krantencolumn die daags daarna op internet stond – bijna intimiderend. Dergelijke kritiek was naar oude maatstaven ook onbesmuikt. Ze werd voordien uitgeoefend entre nous. Zo’n toon en publiekelijkheid wekten wrevel bij Kees Fens, die overigens dan wel een autoriteit mocht zijn maar niet de reguliere weg door de instituties had bewandeld. Het ‘autobiografisch geschrijf van het weblog’ noemde hij in een bijzin ‘dat elektronische openbaar toilet’. Gelet op de stront die hij vervolgens van het internet over zich heen kreeg was dat een correcte vaststelling.
Eveneens opgemerkt werd een essay van Hans Groenewegen over het overzien en beoordelen van recente poëzie, in het besef ‘dat er in de papieren wereld van dag- en weekbladen nauwelijks nog serieus te nemen critici zijn’. Ook het aantal besprekingen zag hij afnemen, zodat hij een internetinitiatief als Poëzierapport, met accenten op kleine uitgevers en Vlamingen (!), toejuichte. Toch plaatste Groenewegen literaire bloggers tussendoor in een onderwereld: ‘Uit weblogs spreekt vaak verontwaardiging over de boze bovenwereld. Die stelt de normen. Men voelt zich buitengesloten. Maar wat daar gebeurt en welke boeken er verschijnen lijkt grotendeels aan hen voorbij te gaan. Er wordt geen kennis van genomen. Tegelijk is men voortdurend op die bovenwereld gericht.’
Hoewel ik Groenewegens observaties deel, al was het vanwege de commentmantra ‘Ik heb het nog niet gelezen, maar ik vind…’ heeft die opstandige onderwereld mijn sympathie gehad, van nature bijna. Een aantal van die mannen – vrouwen zijn er beduidend minder – opereerde ook bij voorkeur in het holst van de nacht. Echt illegaal of zo werd het niet, hun discussies bleven naspeurbaar (de echte onderwereld zit inmiddels op sociale netwerken als Facebook, dat meer mensen in de greep krijgt en waarop, onbereikbaar voor zoekmachines, daverend schijnt te worden gediscussieerd).
Grappig was dat betrokkenen telkens ontkenden dat er zoiets als een onderwereld bestond en door discussies het bestaan ervan bevestigden. Al was het door in van minachting druipende zinnen over subsidies ‘belangenverstrengeling’ te ontwaren, via de topos ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend’ die wel vaker opduikt schande en andere banvloeken uit te spreken, en voor alles de gedateerdheid te diagnosticeren van de Ander die zich dus wel in de bovenwereld bevinden moet.
Die paradox liet zich bijvoorbeeld kennen bij een publiek gemaakte ‘masterscriptie’ over Noord-Nederlandse literaire tijdschriften die, met de door een andere nobele onbekende in een dagblad al geponeerde stelling dat het medium in papieren vorm zijn langste tijd had gehad, een ware commentexplosie teweegbracht. Ze toonde het internet op zijn grootst en zijn benepenst, het leek wel of elkeen zich het centrum van de wereld wist. De kloof tussen believers (‘idealisten’, boven) en non-believers (‘realisten’, beneden) gaapte.
Mij is er vooral een afgrondelijk wederzijds wantrouwen van bijgebleven. Al het gepalaver suggereerde namelijk ook iets curieus in argumentatie en mensbeeld. Ik heb het pas kunnen begrijpen na lectuur van het boek Geweld door Slavoj Zizek. Daarin staat een anekdote over een boer die van een goede heks mag kiezen: of ze geeft hem één koe en zijn buurman twee, of ze neemt van hem één koe en van zijn buurman twee. Terstond kiest de boer voor de laatste optie.
Dit ondervond het recensieplatform De Reactor. Voor het startgesubsidieerd het web opging, waren de meningen erover reeds panklaar. En het was niet eens een literair tijdschrift. Maar da’s een verhaal apart.

vrijdag 5 februari 2010

Wat nu? (1)

Rond de jaarwisseling verscheen van Revolver het slotnummer. Toen het tijdschrift aankondigde na meer dan 40 jaar te stoppen, waren de reacties voorspelbaar. Verdrietig dat zo’n mooi eenmansproject ophield, misnoegd omdat extra administratieve rompslomp de aanleiding was. Die papierwinkel kwam nota bene voort uit een licht kakelverse professionalisering: sinds 2006 is er in Vlaanderen een auteursvereniging en die was bij het ministerie gaan vragen om een gepaste regeling voor honoraria. Dit pakte al te ingewikkeld uit voor contribuanten uit het buurland waarmee Vlaanderen in de taal verbonden heet te zijn; de porto voor een zending ernaartoe van meer dan 350 gram die een literair tijdschrift algauw is, overtreft overigens de winkelprijs van zo’n nummer.
Dergelijke treurnis spiegelt de tanende status van het medium, dat wel heel stringente pr kan gebruiken. Want voor zover er Revolver-rouw was, staken reflexen de kop op die het literaire tijdschrift an sich ter discussie stelden. Ze lijken gesneden koek. Zelfs een onderzoekje naar boekrecensies in Vlaamse media dat methodologisch, zonder badinerend te willen doen over de moeite van het tellen, bij een eerste blik al rammelt, weet een criticus zo te draaien dat hij kan uitvaren tegen ‘de literaire incrowd van tijdschriften’, twee keer zelfs. Met mogelijk nog minder aanleiding plengt een collega van hem iets identieks.
Wat is dat toch allemaal? Natuurlijk, ik houd meer van humor om te lachen en ook heb ik een bijna sentimentele band met het medium. Nog altijd kan er trots door mij varen als mensen wier oordeel ik hoogacht een tekst van mij willen plaatsen, en bespringt me frustratie indien ze het niet in me zien zitten. Dat wil niet zeggen dat volgens mij alles altijd even secuur wordt gelezen, laat staan dat mij de bijwagenpositie ontgaat die dit medium gekregen heeft. Ik heb het als redactiesecretaris meegemaakt dat door een communicatiefout een nummer een week bij abonnees en recensenten lag, toen een auteur pas het afgesproken interview aan een krant gaf waarin hij een tot in de titel van zijn bijdrage manifest gemaakte primeur wereldkundig maakte – en het nieuws zich begon te verspreiden.
Literaire tijdschriften krijgen sowieso geen structurele aandacht. Ooit lag mijn drive om het toch wat enge proces van beoordeling te ondergaan mede in het feit dat alle kranten wekelijks minstens twee bladen bespraken. Inmiddels hebben recensenten het veld geruimd voor literair journalisten. Het slotnummer van Revolver werd dan wel alom bijgezet in de urnen van de verslaggeving, dat het ook teksten bevatte leek bijzaak. Een enkeling die ze vermeldde deed een greep uit de inhoudsopgave, bijvoorbeeld ‘een dossier over Boon’. Is deze auteur pas nieuwswaardig indien er over zijn feminatheek opinies kunnen gespuid – door lieden die cv vermoedelijk niet als afkorting zien van centrale verwarming?
‘Toen ik begon’ was er tekstopslorpenderwijs weinig genotvollers dan eens per week in de bibliotheek nieuwe nummers doornemen. Die aberratie heeft mij nog in bezit. Toevallig kan ik al jarenlang de ontwikkeling van Vlaamse literaire tijdschriften op de voet volgen (ik vrees dat ik ze beter ken dan, en dat ze me zelfs een alibi geven voor het ongelezen laten van, boeken die er soms uit voortvloeien). Omdat bibliotheekbezoek inmiddels neerkomt op het achternalopen van iemand die voortdurend 'nee' roept, is mijn kennis van de Nederlandse bladen veel geringer; die toestand zou voor het algehele grensverkeer wel eens regel kunnen zijn.
Getuige hun uitspraken lijken fervente critici van literaire tijdschriften niet overmatig op de hoogte van het verfoeide medium. Scheppen ze daar genoegen in? Ze beroepen zich op het summiere dat internet ervan biedt en legitimeren zich desgevraagd verder met ‘doorbladeren’. Dit is voorbij een imagoprobleem en steunt de these van Henk Blanken dat de virtuele wereld aan het licht heeft gebracht dat we onvoldoende samen weten.
Kennelijk is blind al helder dat literaire bladen weg moeten, zeker in de vorm van papier. Die beginletter serveert meteen enige antagonisten, notoir uit elke branche waar besluiten worden genomen: pausen, poulains en paria’s. Weerkerend is namelijk een aantal verwijten. Papieren bladen bereiken een kleine kring van bekenden, hebben een sterk poëticale inslag en teren op subsidies die beter aan actuele ontwikkelingen besteed kunnen. Ze zijn dus ‘elitair’, waarbij nog net niet de suggestie rijst dat redacteuren, die op de secretaris na onbetaald werk doen, naar een perfide trend zich bonussen laten uitbetalen.
Nu snap ik best dat een dure en statische portaalsite voor het medium niet valt te verdedigen tegenover een beweeglijk en gratis blogwezen. Ook wekt het dompelen van nummers in een vloeistof, gevoegd bij een correspondentie ter plekke inclusief het bericht ‘Eind 2007 interviewden wij met zijn tweeën ***’, de associatie met een besloten feest.
Maar zelfs daar zijn, zeker vergeleken met festivals uit de 24 uurseconomie, belangwekkende dingen te beleven. Dat blijkt althans als ik me niet laat intimideren – en gewoon binnentreed! Wat ik in enige postings toch eens wens te onderzoeken is de vraag: waarom willen zoveel lezers zichzelf bij voorbaat dat allersimpelste recht ontzeggen, en daar met veel bombarie de gastheren en de wet voor aansprakelijk stellen?