zondag 31 januari 2010

Raatmoment (5)

Het overlijden van J.D. Salinger had een gouden randje: bij de talloze in memoriams werd telkens dezelfde foto afgedrukt – als verlegen, schijnbaar onbedorven jongeman. Dit scheelt nogal kiekjes waarop hij met zijn even talloze allerbeste vrienden (‘Ik mocht Jaydee zeggen’), stomtoevallig de auteur van het stukje, in een andere verlegenheid zou bevriezen.
Ware er een stabiliteitspact met de ambtenarij mogelijk, die zulke efficiency niet hoeft te onderwerpen aan interne audits of andere vergeetputten die dossier heten, omdat ze middel en doel is! Maar wellicht ben ik verkneukelend bevooroordeeld als allochtoon te België die soms een instantie bezoeken moet.
Bij mijn initiële grensoverschrijding werd een voorlopige verblijfsvergunning afgegeven als er een ziekteverzekering was en er zou een ziekteverzekering komen indien er een voorlopige verblijfsvergunning was – het helpt ongeveer de taal te spreken en niet bij elk woord uitleg het geheugen te hoeven afgrazen naar de betekenis. En na een paar keer van het kastje naar de muur mocht ik gelijk naar het loket terwijl er velen wachtten wier huid minder bleek kleurde dan de mijne. Er was nog een artiest geweest en ineens was ik ook officieel Europees onderdaan.
Later wou ik een handig treinabonnement. Daartoe formulieren en een foto. Bij het afhalen geen foto maar een paspoort. Wat ik liet zien bleek een Nederlandse kaart, terwijl het pinpasje dat ik bij de volgende gelegenheid opdiepte een internationaal paspoort behelsde, ‘het staat er in vier talen op’. Maar het eerste heet Europese Unie Koninkrijk der Nederlanden PASPOORT, een internationaal ding dat op het consulaat is te verkrijgen. Het tweede noemt zich, inderdaad in vier talen, BELGIE E+ kaart, bij de gemeente te halen als ‘document ter staving van duurzaam verblijf’ – de update van het kreukgrage papiertje dat mijn verblijfsvergunning was. Thuis werd me voorts uitgelegd dat paspoort een synoniem is van identiteitskaart en dat het internationale ding reispas wordt genoemd.
(Zulke misverstanden zonder veel gentrification zijn ook lollig omdat zaken anders lopen dan gewenst. Een lach verdient sowieso de aanbeveling om je niet belangrijk te voelen dat een absurditeit precies jou treft. De natuurwet is immers: hoe groter de organisatie, hoe minder haar werknemers iets kunnen uitrichten. Wie zich dan tekortgedaan voelt mag protest aantekenen, voor de behandeling waarvan een wachtkamer het voorgeborchte is. Steevast herbergt dat een koffieautomaat. Zo’n ding staat tevens in ‘klantenservice’ genoemde ruimtes waar op de display nummers dermate traag verspringen, dat de koffie in haar vele varianten tot de tiende graad gratis wordt afgescheiden en nergens anders naar smaakt dan naar warm water – geen oppoking van toch al geënerveerde klanten door extra cafeïne, maar een poging tot vermoedelozen.)
Zeker is dat onbegrip op onregelmatige basis een intimiderend voorrecht kan zijn. Want hoe moet dat met allochtonen bij wie Nederlands niet de moedertaal is? Return to sender, om met Elvis te spreken? Of zou identiteit iets wezen wat men voor de duur van een procedure beter vergeet?
Uit levensbeschouwelijke artikelen snap ik inmiddels dat ‘ideologisch’ een eigenschap is bij mensen van ooit die de wereld indeelden vanuit een statische visie. Dat deze constatering evengoed ideologisch is blijkt hier ‘politiek’. Een residu van de val van de Muur? Eigenlijk ken ik deze quasi-onthechtheid annex autonomie al van punkerkrakers uit de vroege jaren tachtig, die er ‘hippies’ de oren mee dachten te wassen: Save the world, fuck the system.
Dus nu ik de taal ook op schrift aardig kan volgen en uit intermenselijk verkeer waardering heb ondervonden indien het reguliere Noord-Nederlandse spreekvolume wordt gedempt kan er eigenlijk weinig stuiken. Da’s in wezen jammer, omdat er iets prettig opstandigs zit in de sensatie tijd te vermorsen.
Onlangs stuurde de dienst Burgerzaken van mijn huidige woonplaats een verzoek om een geboorteakte ‘voor bestuurlijke inlichtingen’. Fabuleus hoe de techniek dan werkt: een mailtje naar het buitenland, een scan bijsluiten van mijn eh… paspoort en twee dagen later de akte, met een factuur à 12,35 euro, in de analoge bus. Mij ontroerde het de handtekening van mijn vader te zien, zijn beroep dat exact was omschreven en mijn moeder die dan zonder beroep was maar ‘uit’ wie ik geboren bleek.
Op het gemeentehuis maakte men er een kopie van en onderstreepte daarop de namen van mijn ouders. Van mij wou men hun geboortedata weten. Toen was alles in orde en stelde ik de journalistieke hoe-wat-wanneer-en-waarom-vraag (hoeveel was al bekend).
Er was de computermelding gekomen van een ‘onvolledig dossier’. Was dat al zo bij mijn aankomst, acht jaar geleden? Ja, ‘typisch Antwerpen’ om niet alle gegevens te verzamelen. ‘Meer Nederlanders klagen hier daarover.’ Hollandsachtig vroeg ik dat ik daar de rekening van mocht betalen? Jawel, maar dit lag niet aan de gemeente. Bepaald Hollands hoorde ik mijn stem schril zeggen dat men mij ook even had kunnen bellen voor de namen van mijn ouders? Nee, dat mocht alleen per document. Konden de gemeentes dat onderling dan niet (‘uit principe’, dacht ik erbij) kortsluiten? Nee, regels zijn regels en bovendien had ik bij het betreden van het land een geboorteakte moeten overleggen. Huh? Dat te weten was mijn verantwoordelijkheid.
Voor ik het wist hoorde ik me roepen dat ik er werk van ging maken. Dat het onaanvaardbaar was dat iedereen behalve de gemeente zelf de schuld kreeg van zoiets simpels dat zo kon worden opgelost. En trouwens, de geboortedata van mijn ouders had ik hier op eigen autoriteit gegeven!
‘Weet u wat, meneer? Ik maak van die getallen allemaal nulletjes! Maakt toch niets uit, want zij zijn geen Belg en hebben dus ook geen rijksregisternummer.’ Waarvan akte.

woensdag 27 januari 2010

Hélène

Voor de oplossing van menig vraagstuk acht ik me steeds vaker te jong. Vreemd, want als ik me niet vergis word ik dagelijks ouder. Of dat ook dom is, moet worden afgewacht – de top van het intellectueel vermogen schijnt iets voor de vijftig te liggen.
Die leeftijd dunkt mij instapgeloofwaardig bij functies met immense verantwoordelijkheden. In het bedrijfsleven, maar zeker bij degenen die dat moeten representeren en repareren: politici. Hoop ik dan op wijsheid, drift tot verandering of geduld? Indien de laatste faculteit overheerst, komt er uithoudingsvermogen aan te pas en dan rendeert enige jonkheid.
Zo zouden van het kabinet-Den Uyl de broekies de eindeloze vergaderingen het best hebben verteerd. De premier had ministers als Pronk, Lubbers, Duisenberg, Van Kemenade, Boersma en Van Agt die, amper 40, niet snel omvielen. Bij de laatste was dit tegelijk een probleem, dat toesloeg op een moment dat zelfs de premier geen lust meer had in een debat.
Of het nu de fysiek is die wint, de invloedrijkste regering uit de afgelopen eeuw was bij het aantreden amper de luiers ontgroeid: Bormann 33, Goebbels 36, Göring 40, Hess 39, Himmler 33, Speer 28. Met zijn 43 was Hitler waarlijk een nestor. Deze cijfers haal ik bij Armando, die er verder op wees dat afgaand op de leeftijd het vak van generaal erg gezond blijkt.
Hoe anders ligt dat bij popidolen. Jimi Hendrix heeft niet eens de 30 gehaald, op welk kroonjaar Lennon & McCartney al zo’n beetje het hele Beatlesrepertoire gecomponeerd hadden. Pensioen kan in die branche maar beter snel komen.
Behalve voor Doe Maar. Elders heb ik uitgeweid over de even fascinerende als bizarre constellatie waarin die groep in de hoogtijdagen opereerde: de fans hadden hun kinderen kunnen zijn. Gelukkig raakte het babyboomergezelschap tekstueel de eigen sores aan, anders waren ze trendwatcher geworden, het treurigste beroep denkbaar.
Een intrigerend nummer is dan ‘Belle Hélène’ uit 1982. Levenslustig bezingt het de escapade van een oudere ik-figuur met de titelheldin. De crux ligt in de brug: ‘Je bent dezelfde maar toch anders / Zo heb ik jou nog nooit gezien / Je bent ineens geen kind meer / Maar zo mooi en minstens zeventien.’
Het onderliggende skaritme maakt het liedje zelfs onbezorgd. Ik zie dat als goedmoedige spot (waar Doe Maar patent op had) met de moraal van hun jeugd. De titel verwijst naar een Offenbach-operette, een genre waarvan de Wiener variant in het nummer ‘Doris Day’ ook de lachlust opwekt en aan ouders kleeft. Voor hen zal een avontuurtje met een tiener niet comme il faut zijn geweest. Maar het kwestieuze onderwerp wordt zo slechts sterker gerelativeerd.
Vanuit hedendaags standpunt is dat kras. België kaart na over een zedenzaak, waarvan het land een explosieve geschiedenis kent. De wet laveert; het is sowieso de charme en de afgrondelijkheid van het land dat er, ondersteund door een ambtenarenapparaat dat decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, toewijzingen, aanstellingen en ordonnanties spuwt, te raadplegen in het jaarlijks meer dan 50.000 bladzijden tellende Staatsblad, een helder doorzicht principieel onmogelijk is. Maar toch niet zodanig dat een dader zich ‘een tweederangs-Jood, een tweederangs-Dreyfus’ kan wanen?
Amerika spreekt van statutory rape, een godsdienst heeft terzake een twijfelachtige reputatie, en bovenal zijn er over de hele wereld zulke kwesties geweest. Complexe materie, waar bijna grimmig materiaal voor en tegen wordt vergaard: welke leeftijd mag, wat is toestemmen, autonomie, enz. Hoe ongemakkelijk ver de standpunten uiteenlopen, toonde de zaak-Polanski, en dan moet bij enkele opvattingen nog ijdelheid worden verdisconteerd.
Je hoeft niet eeuwen terug naar de pretieners van gearrangeerde huwelijken in hogere standen voor het besef dat met de praktijk de visies veranderd zijn of andersom. Zo gelden ‘de jaren zestig’ als omslag (en projectiescherm van alles wat vies en voos is: lollig hoe bij de herdenking van ‘mei ’68’ het nagestreefde egalitarisme van toen nu uniform hoon kon ontvangen). Dan ontstaat er context voor Doe Maar. Ook valt een Cohn-Bendit op te voeren, die in 1975 zijn aanpak in een Frankfurtse antiautoritaire crèche memoreerde, waarvoor hij vijfentwintig jaar later op zijn noten kreeg.
Wat een platitude te constateren dat de wereld is veranderd, net als de Belle Hélènes en hun grondslagen. Ik snap het niet, elke getuigenis is te recupereren. Kan het interessanter worden zich met alle ondubbelzinnige meningen te verplaatsen in het gelaakte?
Van ‘Belle Hélène’ is in 2000 een uitvoering gemaakt door Daryll-Ann, die trager is en bovenal melancholiek. Het perspectief lijkt verschoven naar twijfels bij de ik-figuur. Zo komt het accent op tweede couplet: ‘Ik weet niet of het goed of slecht is / Dat ik met je vrijen wou / En wat een ander ook mag zeggen / Ik vond het fijn bij jou’. Goh, daarop rijmt trouw.

Naschriftje
Uit de documentaire Dit is alles blijkt dat ‘Belle Hélène’ kandidaat voor een single is geweest, maar afgewezen werd door Vrienten en Hendriks. De reden was dat het nummer te weinig luchtig zou zijn, Jansz’ zoveelste ‘liefdesbrief aan één meisje in plaats van zeshonderd’. Getuige glunderende beelden van comebackconcerten uit 2013 is dat aantal alsnog gehaald – bij goed geconserveerde dames van respectabele leeftijd die de mijne zou kunnen zijn.

dinsdag 19 januari 2010

Ampersandeconomie

Wellicht raak ik door het onderwerp wat gedeformeerd, maar bij mijn recentste bezoek aan Nederland leek menige koffiebar door middel van een ampersand een aanvulling in de naam te dragen die het geheel wil opkloppen met luchtige gedegenheid. Het gaat om gelegenheden als Koffie & co, Koffie & zn, Koffie & zo… Ik vermoed dat ze een vrolijke chaos willen creëren die toch, of vooral, rendabel blijkt. Zoals het fameuze programma Koffietijd van de piraat Veronica, waar tussen beeldregerende anti-establishmentstoestanden als Joost mag het weten ook de niet echt kinderachtige doelgroep van huisvrouwen werd bediend ‘met praatjes en gezellige rubriekjes’. Het programma was vanaf februari 1961 van Tineke, volgens de biograaf gezegend met ‘een stem die je verwelkomde als een beker warme chocola op een winterse namiddag’ (bij haar confrater Gerard de Vries hoort hij dan weer een ‘koffiebruine stem’).
Knap van zo’n aanvulling in de naam is dat de niche zich er minder in opdringt. Er zijn immers veel meer winkels voor gespecialiseerde koffie en gebak/koek/broodjes, die al te cru Company heten – in de lingua franca van de globalisering, wier legitimatie overuren draait. Ik veronderstel dat een bewuste consument daar net iets minder achteloos zijn Bourgondische leven tentoonspreidt.
Bestudering van de menukaart leert dat de winkels in de &-variant vaak een koffie hebben die naar henzelf is vernoemd. Als beschrijving wordt vervolgens een zeer minieme tip van de sluier opgelicht: ‘verrassing van het huis’. Menigmaal wordt bij de koffie dan ‘een likeurtje’ geserveerd. Ik vrees dat men in Vlaanderen ervan zal opkijken wanneer dit als een innovatie geldt – een beetje café geeft hier bij de koffie een advocaatje of tenminste een pinkglaasje met sterk door die drank aangegrepen room.
Als het koningskoppel koffie & drank ter sprake komt, vallen mijn gesprekspartners ruwweg in twee groepen uiteen: traditionalisten van veelal mannelijke kunne die aan cognac denken, en jongeren van veelal vrouwelijk kunne die met Amaretto geuren. Wanneer de wind goed staat lukt het me zelfs zonder te spieken nog wat varianten te geven, die soms naar een land, plaats of heilige zijn vernoemd.
Op veel ervaring terzake kan ik me, überhaupt meer serieel dan multitaskend, niet beroemen. Wel is bekend dat Herman Brood in zijn finale jaar, waarin talloze doktoren hem elke alcohol ten strengste ontrieden, ‘zware koffie’ dronk die hij Prinsesje noemde: naast de ‘Kahlua, met de nodige Grand Marnier, een scheutje Bénedictine, met een toefje slagroom erop’. Daarmee voerde hij een consequente politiek, omdat hij ook dol was op Long Island Iced Tea: ‘Thee? Nee, dat heb ik er tot op heden niet in mogen aantreffen.’
Uiteraard is dit soort dranken evengoed thuis te nuttigen; alleen al mijn buurtsupermarkt biedt steevast afgeprijsde, omgerekend niet erg goedkope maar kant-en-klare flessen Irish Coffee, Rum Coffee en Hasseltse koffie (met jenever). De inhoud hoeft nog slechts opgewarmd in een pannetje – of in de magnetron die dan wel anglicistisch microgolf heet. Gemakswerk, waarbij vergeleken bisschopswijn pure ironie wordt. Veel gedachten wijd ik er echter niet aan, omdat mijn aandacht sinds kort opgezogen is door een andere fles op die schap.
Paardenmelklikeur.
Inmiddels bezig ik de term zonder braakstuipen maar blijf door mysteries omwonden. Geeft een paard melk? Waar precies? Leidt vrijwillige inname tot prestaties op de lange afstanden? Voltooit alcohol het tot the nose of the salmon? Of wil de naam langs het politiek-metaforisch onbewuste bepaalde associaties verwekken, zoals studentenhaver en walvistraan dat doen?
Ondermaans surfen leert dat paardenmelk al eeuwenoud is en in andere beschavingen, wel op aarde, een elixer geweest is waar nu een taboe op rust. Van de likeurvariant, meer in het bijzonder uit witte merries, lustte Kublai Khan pap. Net als Olivia Newton-John?
In het negentiende-eeuwse Rusland werd deze alcohol ingezet tegen tuberculose. Inmiddels is ze uiteraard alom verkrijgbaar, dus ook op gespecialiseerde boerderijen waar de dieren minder gestrest rondlopen en het onderlinge contact zelfs bij slecht weer goed is. Desgewenst kan de likeur worden gebotteld in leuke paardenflessen, naar keuze zwart of wit, en in de smaken cocos of Baileys – ook drop, karamel, sinaasappel, banaan, honing, ananas, advocaat, mokka, amandel, truffel en natuurlijk koffie trokken als hoofdtoon op mijn scherm voorbij. De indruk rijst dat het product een nieuwe trend van consumeren én ondernemen aan het artisanale licht brengt, tussen gezond en exquise in. Uitgebalanceerd, deze ampersandeconomie! Dagtrips worden er naar dergelijke hoeves ondernomen, met gratis proeven en bij één organisatie vervolgd door een ‘koffietafel met kroket’.
Zelf heb ik geen plannen eraan te beginnen. Maar als ik dat doe, dan gelijk in de alcoholische variant, ter desinfectie van het pure: ‘Het is belangrijk dat de melk elke dag gedronken wordt (opbouwen met 4 dagen een half potje te drinken). De eerste weken kan men ongemakjes voelen, meer uitslag of gerommel in de darmen. Daarna afbouwen (4 dagen een half potje te drinken), nooit van de ene dag op de andere stoppen. Het is belangrijk dat je geen enkele dag overslaat.’
Wellicht kan het ook door de koffie geroerd, opdat het ouderwetse reclamewoord vlees wordt: ‘de koffie staat bruin’.

woensdag 13 januari 2010

Noten lezen

Zeker nu ten langen leste wetenschappelijk is bewezen dat muziek je een beter mens maakt, wordt de opinie dat deze discipline de hoogste der kunsten is helemaal mainstream. Ik onderschrijf haar dan ook van harte. Wel kost het moeite die opvatting te blijven huldigen als ik, om precies te zijn elke avond, ons taalkundig genie S. bezig zie met Het rode kippetje.
Hoewel ze niet kan lezen, draagt ze er, het boek op schoot, bijkans in trance stukken uit voor. Ook lispelt ze zinnetjes als ze aan het spelen is. Ik was werkelijk geneigd om de auteur een dankbrief te schrijven en te signaleren wat een opzienbarend geluk hij teweeg had gebracht (met zijn woorden van de olifant-koper voor de schilder-krokodil: ‘Nu begrijp ik dat jouw meesterwerk mijn leven heeft verrijkt’). Maar hij bleek al gestorven en bovendien voer de twijfel door mij in hoeverre ons taalkundig genie werd gestuurd.
Eerst dacht ik dat het bijbehorende plaatje die taal losweekte, waar ze wel amper iets van zou begrijpen. Als de woorden haar even in de steek lieten, begon ze echter met haar armen te zwaaien. Normaal doet ze dat als ze iets te warms eet, hier leek beweging de spraak te maken. Volgens de jongste theorie zou ze dan tot de rechtshandigen behoren, bij wie het motorische en het taalsysteem in één hersenhelft zitten. Daarbij dringt zich de vraag op of gesproken taal voortgekomen is uit gebarentaal.
Gecharmeerd van het idee dat er de eerste keer dat een baby zijn mond dichtknijpt en nee schudt tegen de hem voorgehouden hap een politieke identiteit ontstaat, weet ik nu eigenlijk niet goed of beweging mag worden geschaard onder ritme en zelfs in verband kan gebracht met een liedstructuur. Want S. kent met name het titelverhaal van Het rode kippetje tot in haar vezels, en dat heeft een dermate repetitieve structuur, in een vraag- en antwoordspel, dat ik het, indien dat kon, eerder tussen de cd’s dan tussen de boeken zou opbergen.
En bij de imitatiedrang die ons taalkundig genie de laatste tijd ontplooit, vooral van meisjes tussen de 4 en 24, heeft ze door haar iets oudere verwekker van het andere geslacht ook het fenomeen van het sterke verhaal en de mop in de peiling gekregen. Ze vertelt er inmiddels heel wat, in verzonnen woorden of droedels van de tong, maar met de juiste dictie, snelheid en, vlak voor de clou, pauzes. Daarna lacht ze zeer smakelijk om de door haar aangerichte eenvoudige complexiteit.
Ik besef dat dit overkomt als snoeverij van een vader, maar tracht eens bescheiden te blijven als een aankleedhebbelijkheidje van je dochter wordt overgenomen in New York en zich nu over de wereldsteden verbreidt. Anderzijds zou S. op school iemand gebeten hebben, en omdat ze ‘charmant, aimabel en vriendelijk’ is, kan het niet anders of ze is, getuige de advocatuur die zich over het geestesleven van België ontfermd heeft, een seriekannibaal. De journalistiek die bij dit spiegelvoorhouden de concurrent is, weet bovendien dat ze in haar vermeende onschuld, bijna drie jaar en wonend in een provinciestadje waar het wiel nog moet worden uitgevonden, ‘het archetype van de donkerste angst van de Vlaming’ vormt.
Maar ja, c’est le ton qui fait la musique, ook voor wie gebeten is door het nieuws. Dus laat ik het inzake het hoofdlemma in de encyclopedie van de esthetische ervaring aldus zeggen: in de kamer waar ons taalkundig genie leest, staat een cd-wisselaar voor vijf schijfjes tegelijk. Als verantwoorde ouders verdelen we daar telkens wat genres over: klassiek, jazz, pop, latin en funk. Indien de cd-wisselaar onder het lezen nu toevallig overwipt naar het laatstgenoemde genre, dan gooit ons taalkundig genie het boek opzij en gaat ze dansen.
Toch kunstdisciplines in hiërarchieën doven? Al blijft muziek voor S. de alfa en de omega, uiteindelijk zijgt ze ineen, springt op de bank en vervolgt haar verhaal.

woensdag 6 januari 2010

Leerschool

Stationair draaiend tijdens het maken van een boek over koffie, leek het me listig om de kunst even af te kijken bij schijnbare verwante werken. Zo haalde ik Lelystad in huis, van Joris van Casteren. Ik had er goede dingen over gelezen, onder meer over de grenzen tussen fictie en non-fictie die ik zelf zou willen slechten. Andere boeken en journalistieke artikelen die me van Van Casteren bekend zijn ademen een nuchtere betrokkenheid – precies wat ik zoek.
Tegelijk interesseerde mij, als Hollandse emigrant misschien om sentimentele redenen, zijn onderwerp. Het prikkelde ook de fantasie, een nieuw te bouwen stad op land dat op zee is gewonnen. Dus ik verheugde me op Lelystad en ik moet zeggen: ik heb me bij het lezen geamuseerd. Wellicht wat te veel, want geconfronteerd met een monocausale verhandeling is het me nu helemaal een raadsel welke kant ik op moet.
Van Casteren heeft verbluffend veel achterafinformatie verwerkt over een stad die hij vanaf zijn prilste jeugd kent. De eerste beweger bij hem is de jaren zeventig. En daar zijn ze weer: de baarden! Ze hangen aan mannen die de wereld willen verbeteren, allereerst door te experimenteren met hun leven zodat ze hun ware zelf kunnen bereiken, zonder overgeërfde schuld. Zouden ze daar nu in zekere zin, bien etonné, een pluim voor krijgen van Bolkestein, het boek memoreert slechts ettelijke cursussen, en na minstens zoveel scheidingen worden in Lelystad vrouwen lesbisch. Volgens mij zijn ‘de jaren zeventig’ vaker zo beschreven, steevast met dezelfde vruchteloze uitkomst.
Een ander wereldbeteringsfacet dat Van Casteren oprakelt, houdt in dat men omstandigheden schept die een groter algemeen geluk verwekken. Ook hier komt niets van terecht – kritiek op Verlichtingspremissen is bon ton. Bijvoorbeeld in het werk van Grunberg, waaraan Lelystad me vooral deed denken wegens de stijl. Het zinloze detail van Reve is het badinerende detail geworden. Maar mogelijk vinden lezers het treffend om, na de spruitjesgeur van de jaren vijftig, een decennium getypeerd te zien met vegetarisme, en attributen als taaie aubergines of tofoe. Vanuit een ander perspectief keken sommigen verder dan de Hollandse pot en waren misschien zelfs hun tijd vooruit inzake een immens eenentwintigste-eeuws probleem: vleesconsumptie.
Het zal vanwege die optimale herkenningskarakteristiek zijn dat de auteur ‘in een stellingkast (…) de strijdbare lectuur van Hannes Meinkema en Anja Meulenbelt’ opmerkt, terwijl hij elders omstandig het begrip ‘groene weduwe’ uitlegt – een Meinkematitel. De denigrerende kwalificatie ‘lectuur’ zal ik niet proberen door te denken.
Van aanhalingstekens wemelt het overigens in Lelystad, alsof er geen misverstand over mag bestaan dat de auteur niets met die rariteiten van doen heeft. Die smetvrees maakt de literair bedoelde taal paradoxalerwijs eenvormig, waar de sobere, journalistiek geknede grammatica de tekst een dreun meegeeft. Soms leidt dit tot onnavolgbare associaties: ‘De Centrumpartij kwam in de gemeenteraad, een vader sloeg zijn baby dood.’
Van Casteren wil zijn informatiesurplus niet te zeer uitbuiten in de non-fictiehoofdstukken; de meer literair aandoende passages dringen voor. Tegelijk verantwoordt hij zijn hybride tekst als waar gebeurd. Misschien ben ik te gefixeerd op zijn methode, maar de moeilijkheid lijkt dan dat het afsluitende deel van Lelystad, een evaluerende terugblik met de personages, in een reportagevorm gegoten is. De auteur voelt zich genoodzaakt hen te herintroduceren via de details. Dus herinnert hij de lezers bijvoorbeeld zelf aan iemand van wie was verteld dat zijn baan bestond uit het leggen van takjes peterselie op huzarenslaatjes. Wie dat de eerste keer al niet grunbergiaans vond, haakt alsnog af. Ook ligt het te zeer voor de hand dat de verhalen uit het heden onflorissant zijn; de enige belangwekkende vraag, of dat exclusief aan Lelystad en de tijdgeest ligt, stelt Van Casteren niet omdat het antwoord kennelijk bij voorbaat ja luidt.
Komt die blikvernauwing voort uit een wens ervaringsgevoeligheid luchtig te etaleren? ‘Elke dag keek ik televisie, iedereen in Lelystad keek elke dag televisie.’ Behalve dat de scheidslijn tussen stijl en truc hier vaag is, doet de zin geen recht aan luttele inwoners die iets anders deden én aan nogal talrijke niet-Lelystadse Nederlanders die hetzelfde deden. Nu ik dat beweer, trek ik het boek uit het literaire domein – wat Van Casterens intentie lijkt.
Hij stelt dat in Lelystad ‘de dingen eenvoudig waren wat ze waren’. Die indruk verbindt hij met de these dat in principe ‘geen metafoor’ te vinden was in zijn plaats van handeling, ‘geen verbeelding’, ‘geen symboliek’: curieus, omdat Lelystad juist wordt gereduceerd tot clichés die een ideologische kritiek (op illusies, maakbaarheid et cet) demonstreren.
De poëticale passage valt onder een door de hoofdfiguur beleefde verlossing door gedichten. Positief benadrukt in Lelystad is bijvoorbeeld de poëzie van Kees Ouwens. Geciteerd worden diens mooie regels: ‘denk nu aan het licht dat de zeearmen het land in werpen verder dan / zij erin binnendringen’. Ze komen uit Afdankingen uit 1995. Maar bij kennisname ervan heeft Van Casterens hoofdfiguur nog even voor hij ‘in de herfst van 1994’ in Utrecht journalistiek gaat studeren.