maandag 20 juli 2009

Herman (3)

Het optreden van Herman Brood & his Wild Romance bij VARA’s lijn 3 uit 1977 is vooral interessant in genetisch opzicht. Er zijn vroege versies te horen van liedjes, die niet alleen sneller maar vooral uitgepuurder worden gespeeld op Shpritsz. Een standaardalbum, al heeft Joost Zwagerman ooit bekend het debuut Street beter te vinden, wat mij kennerssnobisme lijkt. Hoe dan ook had een onstuitbaar succes de band in zijn greep gekregen. Over de opvolger Cha cha, een live-elpee, onthult VARA’s lijn 3 met terugwerkende kracht dat er geen enkel nieuw liedje op heeft gestaan – met recht zegt Brood in Boston dat hij in de luttele tijd aan gene zijde van de oceaan meer songs had geschreven dan het hele jaar tevoren.
Mij dunkt dat het optreden in Boston 1979 aldus een onoplosbaar dilemma verraadt. Enerzijds moest er van nul af aan een nieuwe verovering gedaan (en liet de ritmesectie uitschijnen dat dit kon), anderzijds waren met name Brood en Lademacher toe aan het verzilveren van publieke investeringen. De Wild Romance diste fracties op. Het lijkt alsof Brood dat projecteert op John Travolta, om wie, vermoedelijk vanwege het traject Saturday Night Fever-Grease, volgens hem door het Amerikaanse publiek wordt gelachen, ‘but the man is okay’.
Niet echt conform mijn inborst zou ik verlangen naar een compromis tussen Boston 1979 en VARA’s lijn 3 uit 1977. En dat compromis bestaat, getuige de opname uit juni 1978, live in de Prinsentuin te Leeuwarden. Bij dat notoire concert, waar na een paar nummers de gitaar uitvalt en kinderen vooraan in het tienduizendkoppige publiek volgens Brood – half bevreesd, half geamuseerd – tegen het podium platgedrukt dreigen te worden, haalt de Wild Romance zijn top: 21 nummers, inclusief onderbreking en de relevante cover ‘Pourin’ it all out’ van Graham Parker. Broods bereik als zanger wordt optimaal benut in een ritmestem: bekwame raps binnen een halve toonladder. Dat had iets wervends. Misschien schuilde een deel van die magie in de onverstaanbaarheid van de teksten; behalve een wrak geheugen manifesteerde Brood een slordige articulatie. Er ontstonden versies, bij maker én luisteraar.
In de Prinsentuin slaakt Brood kreetjes die ik pas veel later kon thuisbrengen, toen mijn dochtertje kraaide van plezier. Hij heeft achteraf verklaard dat precies bij de Leeuwardense affaire hij er met zijn gedachten niet bij was; die afwezige intentie ten faveure van een autonoom opererend lichaam zal verklaren waarom het optreden zo geslaagd is.
Maar da’s mijn interpretatie op grond van particuliere expertise. Er zijn langs die weg nogal wat pogingen gedaan om het fenomeen Brood te duiden en vast te leggen. Met afstand de ingrijpendste is die van Bart Chabot in Brood en spelen. Deze aflevering uit de meerdelige biografie geeft tot in detail een verslag van een theatertournee met Brood, met al diens charme en egocentrisme. Het psychogram was eigenlijk al gegeven in 1966, door Pé Hawinkels: ‘Wat wereldvreemd. Verder bijzonder sociabel door de uitzonderlijk rauwe humor en skrupellosigkeit die hij erop nahield.’ Dat was in een brief, terwijl Chabot een dik, wonderbaarlijk boek schreef waarin hij zich een groot schrijver (en een solidaire vriend) betoont, die in de traditie van New Journalism hier de ster in zijn zogezegd allerlaatste nadagen laat zien.
Brood en spelen frappeert des te meer omdat men zich bij zulke documentaires in woord of beeld veelal beperkt tot zijn muzikale toptijd en dus drie jaar uitkiest uit een carrière van zo’n vijfendertig jaar. Die bekorting moet zijn gedreven door bekoring, met de personificatie van een gesamtkunstwerk dat toen op de maatschappij werd losgelaten. Daar leek het maar met één liefje een wild romance te hebben: het leven, 24 uur p.d.. Waar het mezelf aangaat, zal de leeftijd waarop ik dat aanschouwde een rol gespeeld hebben. Bij een beginnend puber, in wie de hormonen gieren, is de constitutie allicht wat vatbaarder voor prikkels dan in andere fasen.
De euforie wordt gedeeld en bij de neergang is men met evenveel recht verslagen. En iedere gegrepene denkt dat ‘One (of a kind)’, volgens de snob in mij het fijnste nummer van Shpritsz, op hem en hem alleen slaat.
Als ik ooit de moed krijg om kranten, tijdschriften en televisieprogramma’s van 1977 tot en 1979 uit te pluizen, dan lijkt het zeker mogelijk een boek te maken over Herman Brood & his Wild Romance waarin de ampersand is opgelost omdat het, van komkommers gesproken, een autobiografie zou zijn.

Naschriftje

Van het Prinsentuinconcert bestaan foto's. Bij VARA lijn 3 is Cavalli nog niet de bassist, maar Gerrit Veen. Deze speelt ook op de vroegste algemeen toegankelijke opnames van Herman Brood & his Wild Romance: een demo uit 1975 en een optreden in het Groningse café De Koffer uit 1976.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen