vrijdag 17 juli 2009

Herman (2)

Als de term ‘topvorm’ ergens op zijn plaats is, dan voor de ritmesectie van Herman Brood & his Wild Romance bij het optreden in Boston, 1979. Naast Meerman moet in dat geval bassist Freddie Cavalli worden genoemd. Zij lijken van acquit verdwenen in de nummers en vormen aldus, in een gekende metafoor, het ‘fundament’ waarop het glazen gebouw van de popmuziek staat te pronken. Instructief is dat het tweetal niet altijd even strak speelt (de Wild Romance heeft technisch betere ritmesecties gekend), maar de ademhaling reguleert. Het fundament is dus flexibel, wat bij een voorganger als Brood wel zo efficiënt is, en maakt de muziek schokvrij. Van de voetafdruk die Brood in de Verenigde Staten wou achterlaten, zichtbaar gesteund door zijn begaafde gitarist Danny Lademacher, bepalen drums en bas de tijd en de plaats.
Had Cees Meerman de liedjes geïncorporeerd? Waar hij van de cruciale dameszangkoortjes op de plaat bij optredens sowieso de eerste tweede stem voor zijn rekening nam, zingt hij in Boston ook halve coupletten mee. Hij geeft daarmee extra comfort aan Brood, die melodisch niet echt virtuoos was en die een reputatie op te houden had als het ging om het vergeten van teksten. Uniek aan Meerman was bovendien dat hij de kleinste eenheid binnen een song aanduidde met een bekkenslag, zodat hij een zinnendrummer mag heten. Meer dan iemand anders stond hij in dienst van de band.
Dat is een gratuite constatering, ware het niet dat ze in deze bezetting steevast was opgegaan voor Lademacher die de kunst verstond te begeleiden en kernachtig te soleren. In Boston laat uitgerekend hij steekjes vallen. Het betreft dan niet eens hoorbare foutjes maar de intentie. Lademacher fröbelt! Zijn solo’s hadden min of meer vastgelegen en nu voegt hij versieringen toe, in triolen ook nog. In plaats van effectief wordt hij virtuoos, waarmee hij doet wat in de programmatische song ‘Rock ’n roll junkie’ werd bestreden: behoren tot de ‘symphonic nellies, pretending high class’.
Ook Brood rukt zich los uit het collectief door veel te babbelen. Hij doet dat uiteraard om het publiek gunstig te stemmen. Maar hij moest het hebben van een vrolijk antagonisme ten opzichte van altijd wat stijfjes heersende machten. Ondanks een vroegliberaal pleidooi voor een terugtrekkende overheid onder het motto ‘I love this country’, een land waarop hij naar verluidt al verzot was toen hij als achtjarige ‘Johnny Weismuller doing Tarzan’ zag, laten veel van de tussenteksten slechts de interne keuken van zijn levenswijsheden zien, die inderdaad floreren bij nationalisatie.
Aldus is Brood terug bij af, in mijn vergelijkingsmateriaal bij het optreden uit 1977, voor VARA lijn 3. Daar was hij minstens zo goed geluimd, met vaak geestig geleuter over zijn favoriete onderwerp: zichzelf. Dat heeft iets charmants, als een verlegenheidsoplossing omdat Brood eigenlijk niet durfde te zingen en zich achter de piano ophield, verborg naar mijn idee. En omdat hij daarbij zijn stinkende best deed melodisch te zingen, ontstaat een Koos Koetseffect.
In Boston biecht Brood juist op dat hij, in tegenstelling tot Ray Charles, niet simultaan kan pianospelen en zingen. Dus bepaalt hij zich hees tot het laatste, en is melodie verworden tot, exclusief, kretologie. Brood achtervolgt zijn taal. In een uur worden tussen al het gebabbel en een applaus voor de toegift 18 nummers gespeeld. In 1977 komt de Wild Romance niet verder dan 14 stuks, waarvan de laatste, ‘Anything that makes you feel good’, nog moet worden weggedraaid. Maar dat heeft ook te maken met het genre: de rock neigt dan nog naar Broods favoriete genres funk en soul, die nu eenmaal een lager tempo vereisen en lange intro’s. Ze behelzen ook bij uitstek zwarte muziek, die voor autochtone laaglanders nog het dichtste valt te benaderen op de dansvloer.
Bovenal is na vele personeelswisselingen de bezetting kakelvers, nog zoekend. Misschien speelde Brood mede daarom voortdurend piano en hoefde dat niet langer toen hij blind kon vertrouwen op de drie. Die vonden elkaar en hem. Herman Brood wás de Wild Romance en vice versa.
Met het ontslag van Meerman was het hart uit het organisme verwijderd en daarna moesten externe, kunstmatige factoren de band in leven houden. De figuur van Sjef van Oekel die de Wild Romance na de Amerikaanse tournee van Schiphol ophaalde, tekende al het tekort dat zich, alle heldenverhalen en filmplannen en wat dies meer ten spijt, snel zou laten gelden. Hooguit luidde de vraag wie nog in de onderneming geloofde. Reagan stond op het punt de macht over te nemen, Thatcher… Broods imperium stortte ineen en vanaf dan waren er louter periodieke opflakkeringen te registreren. Hoezeer de trouwe manager Koos van Dijk op die momenten kon beweren te voelen dat ‘de oude tijden herleven’, in Herman Brood & his Wild Romance was de nadruk komen te liggen op de ampersand.
Waarom wil ik dat toch allemaal navlooien en vaststellen? Daarover bekruipen me wat suggesties, waartoe er nog een komkommer moet opgediend. Charlotte Mutsaers schreef het al: ‘Extremiteiten bezit hij niet en daardoor lijkt hij een en al hoofd’.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen