vrijdag 19 juni 2009

Alleslezer


Aardig aan Nergensman. Autobiografieën van P.F. Thomése zijn de tegenspraken. Zo hanteert hij een vrijblijvend, quasi-postmodern perspectief op het ik dat uit veel personen zou bestaan, maar weerlegt dat existentieel dramaatje impliciet door zonder veel relativering nogal wat meningen te debiteren die hij nadrukkelijk verankert in tijd en plaats. Ik zie uiteindelijk een rechte lijn van de onbescheiden betweter John Lennon, aan wiens liedje Thomése zijn titel heeft ontleend, naar Barack Obama – de omtrekkende bewegingen die de president zelfs grammaticaal doet om zijn punt te maken, laten onverlet dat er een hele, bepaald niet postideologische agenda achter zit.
Mij was het boek uit het hart gegrepen vanwege de observatie van een fetisj: 'Verwondering is het voorrecht der conservatieven.’ Temeer daar Thomése voordien had gesteld: ‘Aforismen zijn er voor lezers die te beroerd zijn om verder na te denken.’ (Interessant zijn sowieso zijn ideeën over stijl. Hij vat het eigen geluid op als makkelijk te imiteren trucage, terwijl een schijnbaar onopvallende woordzetting de finesse van een meester zou kunnen verraden. Confronteer dat met Thoméses homeopathische Vladiwostok! en met zijn tirade tegen de narcistische samenzwering, waar juist eigenheid, het literaire of ‘gekunstelde’ een nadeel zou zijn tegenover eenheidsproza, dat ‘toegankelijke’ wendingen en uitdrukkingen bevat die iedereen gebruikt.)
Onduidelijk voor mij blijft of het een gimmick is dat de auteur zichzelf als een niets-belever en alleslezer te kijk zet en of het tweede uit het eerste voorkomt. Maar dat is een vraag die boven mijn pet gaat, bijvoorbeeld omdat de tegenstelling erin me ontsnapt. Bovendien dringt een gerelateerde kwestie zich naar de voorgrond. Meer dan eens bekent Thomése in zijn carrière als boekenverslinder namelijk een vliegende start te hebben beleefd door het werk van J.B. Schuil. Hij zegt nooit te hebben gedacht dat het afkomstig was van een mens met een leven en zo, het leek een logo dat veeleer een type of een genre aanduidde.
In den beginne was Schuil, zo heb ik dat ook meegemaakt. Zijn boeken leken domweg altijd te hebben bestaan, altijd voorradig ook in de bibliotheek om meegenomen te worden (dit mysterie was beduidend minder groot dan een van de weinige titels die in mijn ouderlijk huis in de kast verstierven: De Mens Ernie Pyle. Wie was de auteur, wat was de titel? Pas vandaag ontdek ik dat hier een complete vertaalde titel in het geding is, waarin de auteur opgesloten zit). En och, het zal zo zijn dat wie van Schuil kan houden zich goed kan schuilhouden, maar Nergensman duwde me een andere richting uit.
Thomése noemt tweemaal De AFC’ers, en tweemaal hetzelfde personage daaruit: ‘Keesje van Bree’. Vreemd, ik had dat boek toch ook een paar honderd keer doorgenomen en de naam zei me niets, of althans: niet helemaal iets. Wel wist ik meteen bij ‘Eddy Loman’, die Thomése eveneens opvoert, dat het Lo(o)mans moest zijn. Een geheugenslip zeg maar, of een passierijke verschrijving van een groslezer, vermoedde ik: Willy Loman is hoofdpersoon van Death of a Salesman. Ook zal een verklaard muziekliefhebber als Thomése geen verwarring hebben gewild met de familie Lomax.
Maar Keesje van Bree? Ik heb er heel even De AFC’ers op nageslagen, en inderdaad heet het bedoelde personage anders: Keesje Brummer, keeper. Vervolgonderzoek durfde ik niet te doen om de simpele reden dat me de tijd en het gemoed ontbreekt me weer te laten meeslepen (ik bladerde door het slot waar Keesje wegens het redden van een kameraad wordt onderscheiden, bij de onder het Wilhelmus begeleide aanblik waarvan zijn vader het te kwaad krijgt). Ook ken ik Thoméses boeken onvoldoende om te beoordelen of dit een mystificatie is. De enige sleutel die ik meteen kan bieden is dat in Thoméses vormende jaren een goede keeper het net niet haalde: Nico de Bree. En dat de strenge docent in Bint heet Van Bree.
Wie het weet mag het zeggen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen