maandag 29 juni 2009

Interventie

Lezen kan inhouden: zijn meerdere erkennen. Dat gebeurt me bij Paulus. De fundering van het universalisme door Alain Badiou. Hoe sympathiek zijn pleidooi voor de waarheid als ‘universele singulariteit’ en voor ‘tolerante onverschilligheid met betrekking tot verschillen’ ook is, ik zou liegen als ik beweer dat ik er alles van begrijp. Luiheid? De gehanteerde termen zijn voor mij geen klein bier, maar ik vermoed dat het tekortschieten mij stiekem ook deugd doet. Voor een goed begrip zou ik namelijk de brieven van Paulus moeten lezen. Daartoe is er een verzamelbundel, die mij nooit zo heeft gelegen. Te langdradig en een weinig geloofwaardig hoofdpersonage.
(Uit de brieven aan de Korintiërs prikte ik ooit doodleuk een zin voor een gedicht. Terecht werd het nooit gepubliceerd; wel heb ik de zin later als motto gebruikt zien worden in een passender context.)
Hulpeloze lezers slaan graag zijweggetjes in, waarop ze iets bekends hopen te treffen dat voor hen het landschap met terugwerkende kracht verheldert. Mij overkwam dat toen Badiou de ‘antifilosofie’ van Paulus als tekstsoort karakteriseerde. Geen verhaal, een traktaat noch een profetie, maar een ‘interventie (…) Hij roept mensen op te breken met hun oude leven en de geschreven vorm volgt wanneer nodig’.
Hola! Ik had net een artikel onder ogen gehad waarin interventie eens níet met stencilmachine en molotovcocktail aan een revolutie werd gelinkt. Ze figureerde als vorm waarin populisten hun armageddonpunt maken dat ze pas brengen als het kan worden geregistreerd. Buiten die mediamieke ruimte existeren ze amper. Is ook onnodig vanwege hun rol die ik goddelijk zou noemen, ware het niet dat er martelaarschap wordt ervaren. Populisten ventileren hun colère ‘namens het volk’, wiens stem wordt genegeerd door de bestuurlijke elite enz.
Het artikel herinnerde me aan twee voorlichtings- annex inspraakavonden in mijn woonplaats. Beide keren werd de burger een drankje naar keuze aangeboden maar koffie, toch een gekend smeermiddel bij vergaderingen en andere consensus nastrevende situaties, schitterde door afwezigheid.
De eerste bijeenkomst ging over ingrijpende infrastructurele werken die op stapel staan. Ze zullen ongeveer tien jaar vergen en dan verlichting bieden aan de mobiliteitsdruk (aangeduid als ‘infarct’, waardoor de stad een lichaam wordt maar haar ingezetenen niet vanzelfsprekend organisch). Alle inwoners waren uitgenodigd, bijna niemand kwam opdagen. Ondanks het feit dat de tijd voor vragen en suggesties grotendeels werd volgepraat door de bestuurders en specialisten zelve, ging de avond kabbelend voorbij.
Een week later was het tweede treffen, een jaarvergadering van de wijk met schepenen voor lopende zaken waaronder de infrastructurele operatie. De zaal zat bomvol. En meteen bleek: men was overal TEGEN. De schuldigen waren ook snel gevonden: ‘de gemeente’, ‘de politie’, ‘de politiek’. Pogingen om ‘pijnpunten’ in een verband te krijgen (parkeerplaats voor de deur vs woonwerkverkeer) strandden in onbegrip.
Luide kritiek kwam vooral van een klein, armer deel van de wijk, woonachtig aan ‘mijn’ kant van de weg. De meeste aanwezigen waren van het meer vermogende deel ter overzijde. Ze deden eerst mee met bashen en exploiteerden vervolgens hun eigenbelang, mede met het oog op de nabije toekomst en de middellange termijn, door er in vraagvorm de schepenen mee te confronteren. ‘Hoe denkt u op te lossen dat…’ Na afloop werden contactgegevens uitgewisseld. Op maandelijkse wijkraden, waar plannen en correcties daarop zijn te lanceren, had ik die slimme, verdacht vaak Noord-Nederlands sprekende lieden nooit gezien. Al die andere opinieventers evenmin trouwens.
Frappant, de effectiviteit van bemiddelden die een Matteuseffect sorteren. Anderzijds de blinde afwijzing van alles wat de stad organiseert: over de aanleg van een mooi fietspad dat de veiligheid bevordert klinkt niet meer dan dat dit lang duurt, weinig politietoezicht heeft en stof veroorzaakt.
Redelijkerwijs leidt zo’n door cafeïne aangedreven motor van ongenoegen tot acties, of echte burgerlijke ongehoorzaamheid. Maar het heeft er alle schijn van dat twee uurtjes klagen de gemoederen heeft bedaard. Desinteresse? Onvrede kan altijd wel in een poll of comment worden uitgestort (24 uurseconomie van de mening). Zijn interventies niet meer dan oprispingen en gaan ze over niets anders dan de eigen stoep? Vaak wordt met de slappe thee van de karikatuur naar ‘de jaren zeventig’ gekeken, waar voor de wereldvrede alleen al in Nederland 2500 actiegroepen bestonden. Wandelden zij louter door geloof en niet door aanschouwen?

vrijdag 19 juni 2009

Alleslezer


Aardig aan Nergensman. Autobiografieën van P.F. Thomése zijn de tegenspraken. Zo hanteert hij een vrijblijvend, quasi-postmodern perspectief op het ik dat uit veel personen zou bestaan, maar weerlegt dat existentieel dramaatje impliciet door zonder veel relativering nogal wat meningen te debiteren die hij nadrukkelijk verankert in tijd en plaats. Ik zie uiteindelijk een rechte lijn van de onbescheiden betweter John Lennon, aan wiens liedje Thomése zijn titel heeft ontleend, naar Barack Obama – de omtrekkende bewegingen die de president zelfs grammaticaal doet om zijn punt te maken, laten onverlet dat er een hele, bepaald niet postideologische agenda achter zit.
Mij was het boek uit het hart gegrepen vanwege de observatie van een fetisj: 'Verwondering is het voorrecht der conservatieven.’ Temeer daar Thomése voordien had gesteld: ‘Aforismen zijn er voor lezers die te beroerd zijn om verder na te denken.’ (Interessant zijn sowieso zijn ideeën over stijl. Hij vat het eigen geluid op als makkelijk te imiteren trucage, terwijl een schijnbaar onopvallende woordzetting de finesse van een meester zou kunnen verraden. Confronteer dat met Thoméses homeopathische Vladiwostok! en met zijn tirade tegen de narcistische samenzwering, waar juist eigenheid, het literaire of ‘gekunstelde’ een nadeel zou zijn tegenover eenheidsproza, dat ‘toegankelijke’ wendingen en uitdrukkingen bevat die iedereen gebruikt.)
Onduidelijk voor mij blijft of het een gimmick is dat de auteur zichzelf als een niets-belever en alleslezer te kijk zet en of het tweede uit het eerste voorkomt. Maar dat is een vraag die boven mijn pet gaat, bijvoorbeeld omdat de tegenstelling erin me ontsnapt. Bovendien dringt een gerelateerde kwestie zich naar de voorgrond. Meer dan eens bekent Thomése in zijn carrière als boekenverslinder namelijk een vliegende start te hebben beleefd door het werk van J.B. Schuil. Hij zegt nooit te hebben gedacht dat het afkomstig was van een mens met een leven en zo, het leek een logo dat veeleer een type of een genre aanduidde.
In den beginne was Schuil, zo heb ik dat ook meegemaakt. Zijn boeken leken domweg altijd te hebben bestaan, altijd voorradig ook in de bibliotheek om meegenomen te worden (dit mysterie was beduidend minder groot dan een van de weinige titels die in mijn ouderlijk huis in de kast verstierven: De Mens Ernie Pyle. Wie was de auteur, wat was de titel? Pas vandaag ontdek ik dat hier een complete vertaalde titel in het geding is, waarin de auteur opgesloten zit). En och, het zal zo zijn dat wie van Schuil kan houden zich goed kan schuilhouden, maar Nergensman duwde me een andere richting uit.
Thomése noemt tweemaal De AFC’ers, en tweemaal hetzelfde personage daaruit: ‘Keesje van Bree’. Vreemd, ik had dat boek toch ook een paar honderd keer doorgenomen en de naam zei me niets, of althans: niet helemaal iets. Wel wist ik meteen bij ‘Eddy Loman’, die Thomése eveneens opvoert, dat het Lo(o)mans moest zijn. Een geheugenslip zeg maar, of een passierijke verschrijving van een groslezer, vermoedde ik: Willy Loman is hoofdpersoon van Death of a Salesman. Ook zal een verklaard muziekliefhebber als Thomése geen verwarring hebben gewild met de familie Lomax.
Maar Keesje van Bree? Ik heb er heel even De AFC’ers op nageslagen, en inderdaad heet het bedoelde personage anders: Keesje Brummer, keeper. Vervolgonderzoek durfde ik niet te doen om de simpele reden dat me de tijd en het gemoed ontbreekt me weer te laten meeslepen (ik bladerde door het slot waar Keesje wegens het redden van een kameraad wordt onderscheiden, bij de onder het Wilhelmus begeleide aanblik waarvan zijn vader het te kwaad krijgt). Ook ken ik Thoméses boeken onvoldoende om te beoordelen of dit een mystificatie is. De enige sleutel die ik meteen kan bieden is dat in Thoméses vormende jaren een goede keeper het net niet haalde: Nico de Bree. En dat de strenge docent in Bint heet Van Bree.
Wie het weet mag het zeggen.

vrijdag 5 juni 2009

Maanman

Sinds ik ging ‘studeren’ borrelt in mij onmiskenbaar een zekere afkeer van wetenschap. In het algemeen zal ik er, met vertraagd begrip een kind van mijn tijd, niet echt ‘de maatschappelijke relevantie’ van ingezien hebben. Inmiddels is geconstateerd dat door recuperatie van precies die reden de technocratisering van de universiteit, met gequoteerde publicaties en onderzoeksgeldstromen en bulkend management, haar beslag heeft kunnen krijgen.
Maar nu ben ik genezen. Mijn vertrouwen in de wetenschap is hersteld door een bericht over linguïstisch onderzoek naar de eerste woorden van Neil Armstrong toen hij in 1969 de maan betrad. Daarbij gaat het niet om de felicitatie die hij volgens apocriefe bronnen aan zijn oude buurman richtte, maar om zijn vergelijking tussen mens en mensheid, dus om de vooruitgang die zou zijn geboekt. Naar nu blijkt was Armstrongs one small step toch niet ‘for a man” maar ‘for man’ – hij verkleinde zich al vergrotend.
Bij die conclusie is, nog los van de respectabel krakkemikkige geluidsverbinding, rekening gehouden met zijn Ohio’s accent, volgens welk de ‘a’ zacht wordt uitgesproken, zodat men in de zin lang een soort gat hoorde vallen. Maar uit een spectografische afdruk van de originele magnetische tape van de Apollo 11, geoptimaliseerd met de recentste audiotechnieken, bleek daar helemaal geen plaats voor te zijn. Man. In het vuur van het ogenblik had Armstrong onbedoeld door die omissie extra nadruk gelegd op het verschil met mankind, vreemd genoeg door een equivalent (waar vanaf de aarde nogal lacherig over is gedaan). Hij schiep een bedwelmend te noemen ritmische parallellie, tevens de reden waarom de zin soepeltjes in het geheugen plaatsnam: poëzie in de dop.
Terzijde genas ik van nog een kwaal. Uit zijn lichaamstaal en spraakpatronen is afgeleid dat Armstrong zijn catchphrase spontaan heeft geuit, of tenminste zelf verzonnen. Hij is niet ingefluisterd door zijn opdrachtgever de NASA, of desnoods het Witte Huis. Voor iemand als ik, die een fictieserie als The West Wing geloofwaardig acht omdat de president voortdurend acteert tussen zijn pr-mensen en ghostwriters en pas in de tweede jaargang heel eventjes in beeld komt bij zijn kabinet, is dit lastig om aan te nemen, maar het is nu bewezen.
Wel ontdekte ik, euforisch voortsurfend, de vakliteratuur niet goed bijgehouden te hebben. Ik stuitte namelijk op nog een weetje: Neil Armstrong was niet de eerste op de maan. Er zat al een man, de oppasser Piggelmanus. Deze was niet bepaald het zonnetje in huis omdat hij hevig verlangde naar koffie. Dat ontdekte ter plekke althans het verslaggeverskoppel Piggelmee en Tureluur (zelf woonachtig in een Keulse pot) die ook erg veel zin hadden in koffie.
Zij waren personages in een vervolgverhaal van De Erven de Wed. J. van Nelle. Gesticht te Rotterdam in 1782 bereikte deze firma door de jaren, niet het minst door de inspanningen van Jacob Boppe Van Nelle, bijna de gehele Nederlandse wereldbevolking. In Leeuwarden sloten rayonhoofden de ultieme vergadering voor de Elfstedentocht steevast af door de beerenburg van tafel te vegen en, om het hoofd koel te houden in de hectiek tot aan de start, ‘Van Nelle erbij te pakken’, onder het slaken van de, naar verluidt Hongaarse, formule Us Doen Ut.
Betreffende Piggelmee was dit het idee: ‘om in onze koffie-pakjes een attractie te doen voor de jeugd, voorstellende sprookjes. De plaatjes kunnen dan later in speciaal daarvoor uit te geven albums door de kinderen verzameld worden en ofschoon dit idee niet nieuw is, doch veelal eene navolging van Verkade vormt, gelooven wy, dat wy daarmede succes kunnen hebben en den verkoop van onze pakjes-koffie daarmede vooral in den aanvang, flink kunnen steunen.’
De scoop van de eerste maanbewoner staat in De Wonderschelp (1950). Wellicht kende Armstrong, vanwege zijn afkomst waar ik nu verder niet over uitweid, dat boek.
Heeft wetenschap nu de mythe ontkracht, of andersom? Ik durf daar geen bindende uitspraak over te doen, al meen ik ergens gehoord te hebben dat de naam Neil in Friesland net ietsje anders werd uitgesproken.
De maan is van nelle.

maandag 1 juni 2009

Consumententest

Zeg, vind jij het kunnen dat op de trappen van
Ron’s Honeymoon Quiz god daar staat met zijn
onderbroek achterstevoren, wasvoorschrift
nota bene uitpuilend, inclusief som van de
Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij
Amsterdam, vind je dat dat kan? En zo nee,
hoe geef je hem zijn verdiende loon? Spons
met wat azijn? En wie draagt dan de gevolgen
(het kabinet heeft veel medewerkers, zeker)?
Ga water redden van de verdrinkingsdood,
zwijg van het lemmet dat zoekt naar het heft.
Roep ici Paris, papegaai is ziek en hij moet
sterven. Meteen? ‘Maar het blijft toch je kind,
Ron, je eigen kind.’ Ontvangt wie zoiets zegt
geen eeuwige bijstand? Het leger staat paraat,
behalve vandaag omdat het Maria naar de
tandarts brengt. Welke Maria? Zoveel pijn?
Welnee, zijn verstandskiezen gaan getrokken,
dus hij moet verdoofd. Kan hij dat niet zelf?
Best, maar zij doet dat zo graag, verdoven.
Daarom staat het leger vandaag niet paraat?
Participeer liever observerend, het verwijlt
niet in de wachtkamer want het helpt ons
aller Maria door de grosaanschaf van haar
favoriete nachtcacao. Duurt dat nu erg lang?
Wat is lang? Naar verwachting zal het leger
vanavond zijn post herinnemen. In verband
met een intrige? Bel zelf het Pentagon bij
verdachte bewegingen langs de grens. Enne…
god? Maak een appelmoes al van conserven.
Maar natuurlijk kan hij ook plaatsnemen op
de lepel boven de tomatensoep, die vrijheden
zijn elkeen adembenemend welkom, niet?