donderdag 31 december 2009

Nee, de hare

Zoekend naar voorlopige constanten in de teksten hier, valt me de beeldvorming van ‘de jaren zeventig’ op. Vrijwel in het begin ontdekte ik dat die gepaard gaat met draderigheid in de metaforiek. Ik gaf ‘geitenwol’, maar ‘macramé’ had evengoed gekund. Ook in ‘sandalen’ zit dat gevlochtene.
Dat die beeldspraak tot aan het lichaam kan doorgevoerd, blijkt uit inzichten van de jongste autoriteiten in mijn vak. In een pamflet van de een viel er inzake mijn onderzoeksperiode te vernemen over ‘baardig engagement à la Vogelaar’, een column van de ander typeerde milieubewuste activisten van weleer als ‘baardige macrobioten’, en de derde wist in een opstel dat God gepersonifieerd werd als ‘oude man met baard’ vanwege de oikonomia: om voor het geloof zaken helder te maken waren grove simplificaties toegestaan.
Toch is die laatste topos revelerend voor de amplitude van de baard. Wie denkt god – of in hetzelfde decennium Jesus Christ Superstar – uiterlijk te kunnen evenaren, heeft pretenties. Verbetering voor gansch de menschheid! Dat daarbij, bijvoorbeeld door ontwikkelingshulp, het nodige wordt weggegeven, roept nog een fameuze baard op: van Sinterklaas.
Welke enigszins representatieve figuur voor de jaren zeventig had zulk haar op zijn kin? In het kabinet-Den Uyl niemand. Roel van Duyn wel, maar die lijkt principieel oppositioneel en tijdloos (net als Chriet Titulaer, die bovendien een onderlangsbaard had). Het andere geloofsitem kent evenmin significanties; van het roemruchte Oranje uit 1974 had louter Barry Hulshoff een baard en hij was reserve. En het stomme is: als ik iemand met ‘de jaren zeventig’ associeer, dan toch wel Telly Savalas, die niet direct bekendstaat om zijn weelderige haardos.
Wanorde tekent deze metaforiek. Draderigheid leent zich immers tot lastig te ontwarren knopen. Een equivalent kan dan gezocht in de toenmalige symfonische rock die verschillende genres en tempi inpaste. De musici van die dienst droegen inderdaad nogal eens uitbundige baarden à la Catweazle. Het braver exemplaar van een kalmer vertolker in deze discipline, volgens wie Den Uyl in de olie was (‘Hij moet ’t maar versieren bij al die Arabieren / Als haremmeisje met een blonde pruik / Ik zie hem daar al dansen, knipogen en sjansen / Jopie met z’n blote witte buik’), hing in de kapsalon waar mijn moeder zich onderwierp aan ‘wassenwatergolven’.
De dictator van het decennium, Pol Pot, was dan weer cleanshaven. Zijn drijfveren, en die van zijn snordragende voorgangers Hitler en Stalin, kunnen vermoedelijk grosso modo verklaard door de bebaarde eminenties Darwin en Freud, eventueel ondersteund met praktijkervaring van Raspoetin. Op hun beurt hadden zij geen klassieke ringbaard uit de asterixiaanse filosofie, waarin de oratorsmond blootlag. In de jaren zeventig moet men dan gezichtsoverwoekering diagnosticeren. De natuur kon zijn gang gaan in plaats van omheind en gesnoeid te worden. Onder zulke baarden droeg men volgens ingewijden een tuinbroek (vgl. Paulus de Boskabouter).
Oogt een baard te vrijblijvend en in laatste instantie dus onbetrouwbaar? Lubbers, die aanleg had voor gezichtshaargroei, scheerde zich naar verluidt tweemaal daags (en liet het spleetje tussen zijn voortanden dichten, maar da’s een ingewikkelder verhaal). We zijn dan echter een decennium later, wanneer Lech Walesa zich aandient met meer snor dan baard, zeldzaam voor een politicus. Er was een Castro, complex bevriend met Che, een Arafat, er zou een Lula da Silva komen, maar verder?
Na de val van de Muur trad de five-’o-clockshadow in werking waarbij, zie Danny Blind, ruwe stoppels zich decent presenteerden. Voor het bereiken en handhaven van die verzorgde onverschilligheid leek gedurig onderhoud noodzakelijk: het neoliberalisme in optima forma. Die ideologie toonde met de kredietcrisis haar ware gezicht en de behandelend econoom had dan ook een ouderwetse baard, net als dokter Pachauri die de aanpalende rest kan opruimen.
Van de 25 geweldigste Vlamingen van het decennium geven de foto’s in Standaard Magazine een muzikant, een acteur, een atleet, een wetenschapper en een schilder als baarddrager. Bij die 20% openbaarde zich, de wetenschapper niet te na gesproken, ontluikend flos.
Volgens de jongste Noord-Nederlandse trend, die mijn gedachteleven retrospectief heeft bezet, is de baard terug. Twintigers en dertigers hebben hem ‘herontdekt. Onze generatie is informeel, maar niet hemelbestormend, heeft weinig achting voor gezag, maar houdt zich wel netjes aan de regels. (…) De baard is van iedereen geworden, van links tot rechts, van skater tot soldaat, van modenicht tot zorgboerderijbewoner’.
Deze revival heeft iets snaaks, getuige de dracht bij een alom gevreesde religie, waarvan de ene wereldlijke leider meer gezichtsflora heeft dan de andere. Ver weg ontstond wel doodleuk een shavebeweging. Op instigatie van een scheermessenmerk, maar ach, onbevangen redeneren wenst een logisch fundament – luidde Van Ockhams bijnaam niet Eerbiedwaardige Beginner?
Naschrift
Misschien kan in tijden van economische crises deze mode nog wat opleveren voor de schatkist: onder Peter de Grote bestond er een baardbelasting van 100 roebel per jaar.

donderdag 24 december 2009

woensdag 16 december 2009

Bekroning?

Het leek een logisch bericht vorige week: de Constantijn Huygens-prijs voor Arnon Grunberg. Vanaf zijn debuut Blauwe maandagen uit 1994 is hij bijna constant in het nieuws. Tegen het bezopen idee van de literator die eens in de tien jaar tussen ettelijke depressies een boekje afscheidt, produceert Grunberg de ene titel na de andere, in zo’n tempo dat hij er minstens één pseudoniem op nahoudt. Gelet op zijn marktwaarde is het hilarisch dat tussen de drie huizen die hij hiervoor koos, niet het voorspelbare zit. Kranten en tijdschriften zijn ook letterlijk vol van hem, met columns. En hij leverde een boekenweekgeschenk, was televisiepresentator enz.
Van stonde af kreeg Grunbergs werk tevens prijzen, waaronder de grote niet te vermijden sponsordingen. Genretechnisch was de auteur van alle markten thuis, hij toonde zich prettig nuchter tegenover reputaties, was geestig en belezen, geïnteresseerd in de hele wereld. Voor sommigen is Blauwe maandagen zelfs een historische maatstaf. En toen Grunberg 35 jaar was, viel zijn naam reeds in verband met Neerlands summa summarum dat de P.C. Hooft-prijs heet.
Pas na paar dagen rees bij mij het idee dat het bericht toch ongewoon was. De Huygensprijs is een oeuvreprijs, die in de correctie op de markt keynesiaans mag heten. Grunberg timmert nu vijftien jaar aan de weg en is 38 jaar, een leeftijd waarop Mutsaers, net omhangen met die P.C. Hooft-prijs, nog aan haar letterkundig oeuvre moest beginnen. Wel hadden voorgangers als Hermans, Reve en Wolkers in hun tijd grootse boeken gepubliceerd als Paranoia en De god Denkbaar Denkbaar de god, Werther Nieland en The Acrobat, Gesponnen suiker en Een roos van vlees – die gevolgd zouden worden door meer. Overigens kreeg van deze drie alleen de laatste de Huygensprijs, als 57-jarige (hij weigerde). Kanonnen uit het diepe zuiden als Boon en Claus waren bij dezelfde eer ook de vijftig gepasseerd.
Heeft Grunberg even hoge toppen geschoren? Ik weet het werkelijk niet. Om elk van zijn werken zit bij lancering meteen een ondoordringbare korst van commentaar. Hij is terstond even illuster gemaakt als de genoemde auteurs. Over die postnostalgie hoeft niet rabiaat cultuurpessimistisch gedaan te worden. Het literaire klimaat is domweg veranderd: Grunberg behoort tot de eerste auteurs die zonder papieren in de markt werden gezet. Hij had wel wat toneel geschreven, maar het traject van geleidelijke opgang en prestigegewin via literaire tijdschriften werd overgeslagen.
Die alomtegenwoordigheid herijkt de verhoudingen. Bijvoorbeeld de ook vaak onderscheiden Tonnus Oosterhoff, die ouder is en langer publiceert maar niet expliciet in de publieke opinie meedeint, zou voor de Huygensprijs een minder vanzelfsprekende gegadigde zijn. Deze kan ook niet bogen op akkevietjes met een collega, waarmee Grunberg het neoliberale beding van concurrentie bevestigde. Dat hij vervolgens wereldkundig maakte niet langer in de Lage Landen aanwezig te zijn bij branchefestiviteiten, liet meteen de ballon van de literatuurkritiek leeglopen: op een opiniepagina gepubliceerd haalde het als nieuwsfeit alle media.
Wie ben ik om zulke observaties te doen? Ik las slechts twee Grunbergboeken. Wel kreeg ik eens diachroon zicht op zijn confraters en -zusters. Stilistisch bleek er veel navolging. Komen al die epigonen niet voort uit uitgevershoop (op een kaskraker)? Verder was ik ooit beduusd van Grunbergs Tirza, dat een manuscript in statu nascendi leek. Daarvan heb ik er het laatste decennium meer gezien, niet het minst bij merknamen. Kennelijk noopt economisch belang tot haast in de afwerking, wat Grunbergs begaafdheid principieel onderdrukt.
Hier kleeft iets raars aan. Indien ik mijn Tirza-indruk had omgezet in een analyse (wat minder spannend is dan een bewonderend artikel schrijven), was ik in een zogenaamde polemiek getuimeld die elke verwachting bevredigt: meermaals bekroond boek van een succesvol auteur krijgt zurigheid van niet-verkopende betweter. Tegelijk zou zelfs de schijn van een ‘debat’ niet opgehouden kunnen worden. Er waren hooguit twee circuits zichtbaar geworden: van dag- en weekbladpers versus literaire tijdschriften, en zo van publieksschrijvers versus elitaire schrijvers, welke etiketten hier trouwens concreet kant noch wal raken.
Geldt het specifiek voor dit werk dat het elk commentaar absorbeert, ook datgene wat bestaande lagen tracht af te krabben en zo zelfvernietigende reclame wordt? Wellicht is strategisch handelen nog wel overbodig op het internet, waar kanttekeningen bij de stijl en bij de epistemologische context te vinden zijn. Misschien waren deze notities te soeverein dat ter plekke evenmin een discussie ontbrandde – in hun redelijkheid staan ze eenzaam en profaan te wezen.
Rest de vraag of de oeuvreprijs suggereert dat Grunberg zoetjesaan moet stoppen. Knipogend naar het conflict verklaarde de juryvoorzitter dat de auteur ‘naar verwachting zelf zijn prijs in ontvangst [zal] komen nemen’. Waar jury’s bij zulk rangordefetisjisme de geest van Hayek levend houden, stond het nieuws van de laureaten (er waren er in de slipstream nog drie) ten overvloede niet in een persbericht, maar werd het bekendgemaakt tijdens een radio-uitzending. De toekenning van deze prijs is zonder meer exceptioneel: de jury bekroonde zichzelf.

Update
Grunberg blijkt, evenals een andere laureaat,
niet op de prijsuitreiking te zijn geweest; wel riepen deskundigen Tirza uit tot het beste boek van de eenentwintigste eeuw.

dinsdag 8 december 2009

Ars combinatoria

Nu alle ogen even gericht zijn op Kopenhagen, moet ik profiteren voor mijn zelfstudie in de koffiekunde met een stage bij het klimaat. Geweldige vooruitzichten! Indien op termijn Italië een woestijn wordt en West-Europa de mediterrane temperaturen en alles overneemt, gaan we hier een ware koffiecultuur beleven. Ik heb wel gedacht dat Senseo hierop speculeert. Door het gevoel van die naam zingt het beloofde land van de koffie, waarop kenners fehlleisten als ze weten: ‘’Senseo, dat staat voor Vinex, voor twee kinderen en een hond, voor bouwketen en wachtkamers: efficiënt en gemakkelijk’. Vinex klinkt namelijk ook al Italiaans. Zouden de bouwheren van Nederland de gondels door hun droevige slootjes zien gaan? Wel zal, om die pretentie waar te maken, de universalistische bestelling ‘koffie’, die Senseo per definitie is, op ongeloof stuiten. Zelfs in Holland kun je op de menukaart geen ‘warm eten’ aanwijzen.
Volgens mij heeft Starbucks dit risico gesmoord met al zijn doldwaze koffiebenamingen. Wie erop let, ontwaart in het jargon de globalisering van het Italiaans, een hang naar het singuliere. Niet alleen in termen van espresso e.t.q., maar ook inzake kwantiteit. Men rept niet meer van een gemiddelde hoeveelheid maar van een lungo, en evenmin van een grote hoeveelheid maar van een doppio.
Tot die toekomstmuziek ook in de derde en vierde wereld klinkt blijft het Esperanto Engels. Dat had 1113 woorden veil voor het klimaat, die in 56 kranten over de hele wereld het voorpaginalicht zagen. Er was duchtig over onderhandeld, waarbij men hopelijk van de zenuwen niet meer koffie is gaan pakken. Natuurlijk, het verhoudt zich niet met een kilo rundvlees, voor de productie waarvan 15.000 liter water nodig is, maar het blijkt nog altijd minder verkwistend om dagelijks een bad te nemen dan een kopje koffie à 20 centiliter te drinken: daartoe heeft 140 liter water moeten stromen.
Dat de rangen worden gesloten om voor iets op te komen, geeft voorspelbare tegenkanting. Bijvoorbeeld het wat-je-zegt-ben-je-zelf-argument, het detecteren van historische tegenspraak of het wrikken aan details waaruit een samenzwering moet oprijzen omdat de toestand ook weer niet geheel apocalyptisch is. Defensieve reflexen, die destijds reeds tegen de Club van Rome ingang vonden – zodat nu de rapen gaar zijn en we alsnog ons milieu moeten koesteren.
Bij de koffiehandel wekken nobele intenties soortgelijke irritaties. Een fanatiek, niet zelden gesubsidieerd en met beroemdheden gelardeerd nastreven van respect en rechtvaardigheid wekt de indruk dat de Ander op uitverkorenheid zit te wachten. Het kan ook de directe behoeftebevrediging van mensen bedreigen. Met die bril op vindt men agitatie ongepast tegen handelaren uit de privésector die inmiddels keurmerken uitroepen. Want uiteraard bestaat er ook zoiets als een bioproductenlijn, waarvan een inventief bedrijf marktleider kan worden. Het woord ‘duurzaam’ is er even betekenisloos in geworden als een resem termen uit de klimaatzorg. Toch is het net zo demagogisch om, zoals de Tsjechische president Klaus, ‘milieuhysterie’ te diagnosticeren tegen de ‘waarheid’ uit de Verlichtingsratio, en in de ‘propaganda’ van groene bewegingen dictatoriale neigingen te zien die de na de val van de Muur moeizaam herwonnen persoonlijke vrijheid door middel van ‘centrale planning’ zouden bedreigen.
Even combineren. Koffieschillen van Braziliaanse plantages worden in Geertruidenberg als biobrandstof gebruikt. De lange weg naar Nederland kost dan wel energie, de klimaatwinst is er volgens het bedrijf van dienst. In Brazilië verpatsen plantagehouders de schillen om met de opbrengst kalium te kopen voor de bemesting. Dat betekent een CO2-verlies van 100 procent, terwijl verzamelen van de koffieschillen, tot brokken verwerken, vervoeren en opstoken in een Nederlandse centrale tegenover de gekende brandstoffen een CO2-reductie oplevert van meer dan 90 procent. De schillen worden bovendien opgehaald bij kleine boeren die koffie leveren aan notoire keurmerken, zodat stroom uit schillen naar verluidt een eerlijk karakter heeft.
Ook hebben volgens onderzoek klimaatveranderingen repercussies voor de koffieproductie. In tweederde van het teeltgrondtechnisch ideale Oeganda, waar 80% van de arbeidskrachten van koffiebouw leeft, dreigen de nuttige halfjaarlijkse periodes van regen om te slaan in droogte en maanden van onweer. Op dit moment zijn er echter andere problemen: ziektes aan de planten! Sowieso moeten milieuontwikkelingen nogal cynisch zijn voor eerstelijnsactoren van deze geweldige drank: nu voormalige arme landen eindelijk wat economische weelde binnenhalen, manen klimaatveranderingen hen tot voorzichtigheid. De nationale Reve zou er zijn slogan ‘Koopt Nederlandse waar/ Dan helpen wij elkaar’ lastig verkocht krijgen.
Tegen het feit dat onderwijl uitgerekend media ‘het klimaat’ deze week op de agenda zetten, zijn allerlei snuggere ideologische bezwaren aan te voeren. Dat is door de initiatiefnemers zelf trouwens gedaan – de immense belangen scheppen al genoeg verwarring. Zelf vind ik juist de perversiteit schitterend dat media uitkomen voor hun macht en druk uitoefenen voor een zaak waarvan het nut zelfs door de grootste zwartkijker uiteindelijk niet weerlegd kan. En schade kunnen ze er niet door oplopen.
Dat lag anders bij een grootverbruiker van koffie: Jean-Paul Sartre. Bij het mobiliseren van de publieke opinie stond hij pal. Er is berekend dat hij in tien jaar tijd eens eenennegentig Le Monde-petities ondertekende. Voorts bezocht hij alle denkbare buitenlanden tegen het onrecht ter plekke, als hij niet de zoveelste inleiding moest maken bij een sympathiek maar weinig wereldschokkend schotschriftje. En voor hij begon te voelen dat collega’s beter in de markt lagen, beklaagde Sartre zich er al over dat hij ‘een marionet was geworden, een schrijver-object, gevangen in zijn eigen beroemdheid’.
Om aan de vraag te kunnen voldoen moest hij, zoals bekend, permanent aan de praat worden gehouden met pillen, tabak, vet voedsel en dranken van uiteenlopende percentages. Het is dat zijn pijprokerij bewijst dat een open vuur bij de man kon, anders zou hij heus een beweegbare chemische fabriek zijn geweest – een te makkelijke en onbillijke prooi voor toekomstige milieufanaten.

woensdag 2 december 2009

Raatmoment (4)

Nu het taalkundig genie S. de kaap van de dertig maanden al even heeft gerond, benoemt ze haar vermoedens ook als vermoedens. Het is heus niet omdat ik haar vader ben, en stomtoevallig geen Mesopotamiër of zo, dat moet worden vastgesteld dat ze dit op baanbrekende wijze doet.
Lichtenberg schijnt te hebben neergeschreven: ‘Es denkt in mir’. Da’s niet voor de poes, gelet op het krakkemikkige houvast dat we onze gedachten kunnen bieden – die van die nood maar een deugd maken. Ergens blijft dit inzicht echter veilig en heel.
S. hanteert nu de these: ‘Dat zit zus en zo, denk het’ (curs. MK). Hier twist het onderwerp in de derde persoon enkelvoud openhartig met het werkwoord voor de eerste persoon enkelvoud. Zo gaat dat.
Overigens vermoed ik dat ze de mosterd heeft gehaald uit haar lijfboek Het rode kippetje, meer bepaald uit het verhaal ‘De eend en de vos’. Daar weet de eend van de in het genre toch niet erg onsluwe vos uitstel van executie te krijgen: hij wil haar opeten, en dat wil zij niet. Wel beseft ze dat zijn verlangen allengs groeit.
Na twee listen graaft ze een kuil en bedekt die met takjes, bladeren en aarde. Als de vos dan tegenover haar staat en verklaart dat hij haar nu toch echt gaat opeten, zegt ze: ‘Ja vos, lieve vriend, ik sta al op je te wachten. Ik hoop dat het je zal smaken.’
Wederom is de cursivering van mij. Die toont aan dat empathie redding kan brengen. Juist doordat de eend zich in de vos heeft verplaatst, wordt ze, in zijn ogen, onschuldiger (dan wanneer ze, met reden, ik had gezegd). Dus stormt hij zonder verdere bedenkingen op haar af en valt in de kuil.
Identificatie was haar ondergang geweest.

woensdag 25 november 2009

Spreektijd (6)

Wel volgens de vroege Bart De Wever, van zijn eerste opinieperiode bij De Standaard: ‘Het is niet onze schuld dat de boeken van het progressieve schrijversgild, dat ons kennelijk uitspuwt, meestal een roemloos einde wacht bij De Slegte. Integendeel, de Vlaamse deelstaat zorgt voor een Fonds voor de Letteren waarvan de ons-kent-ons van het schrijversgild zich kan bedienen.’ Het idee is hier dat zulke auteurs een autonomie met een januskop verwierven: professionaliteit op kosten van de belastingbetaler, niveau volgens de peergroup. Ook uit menige literaire site stijgt deze visie op. Ze kent een rare kruising van frustratie (over de onbereikbaarheid van de happy few) met leedvermaak (over gebrek aan publiek succes). Ik zag haar eveneens in Gospels en psalmen:

je herkent de dichter aan zijn kwaliteitsjas en het brandgat
de schoft schiet sneller dan zijn subsidiegever
middenin een gesprek kan hij ineens gaan verzitten en een kattebel krabb’len op de rekening die jij betaalt hij declareert

Dat Erik Jan Harmens in die bundel de naam van een ouderwetse wereldverbeteraar tot driemaal toe verkeerd spelt, zal opzet zijn. Want zulke spot ontspringt uit het gelijk van de vrije markt, waarop het subsidiestelsel een correctie wil zijn die voor criticasters een cadeautje voor arrogant en wereldvreemd gemompel is.
De vrije markt bepaalt het geüpdate schrijverschap dat De Wever, door de bundeling van zijn columns waaruit ik citeerde, evengoed ingesloten heeft. Het beantwoordt de vraag: doe iets balsturigs dat elitarisme met populisme vermengt en dat zich onderscheidt van wat er bij onze concurrent voor de doelgroep gebeurt. Daarbij doet het altijd wat potsierlijke onderschrift ‘schrijver’ een (vanuit de psychologische roman of de romantische kunstenaar geprojecteerd?) dieper menselijk doorzicht en ‘creatieve oplossingen’ vermoeden, én garandeert het dat het betoog niet serieus genomen hoeft. De G.B.J. Hiltermannen van vandaag compenseren het statusverlies van literatuur met hun imago; een mening van zo’n merknaam is pas compleet met een fotootje. ‘Hoe het werkt’ was laatst prachtig zichtbaar in een reportage over de Muur met Geert van Istendael. Tijdens interviews met betrokkenen maakte hij, zijn vingers in close-up, potloodnotities.
Zo valt er misschien nog iets te verhelderen aan het raadsel van de actualiteitswaarde. Door het charisma kan iets dan wel gedateerd worden verklaard, de aura moet die performatief conserveren. Voorbeeld: het wegzakken van de historische moord op Van Gogh vijf jaar na dato. Terwijl de politiek kan ‘zwichten voor de publieke opinie’, worden merknamen hooguit seculiere paters. Voor zover ‘het maatschappelijk debat’ bestaat, hebben zij er niets mee te maken. Opinisten die invitaties voor beleidsaanpassingen verwachten: het villakind dat niet begrijpt dat het van Sinterklaas geen zusje krijgt.
Kunst blijft een geloof, maar ook de hernieuwde interesse voor zingevingsvraagstukken laat het brood niet in het lichaam van Christus veranderen. Geëngageerde fictionele teksten, waar de spreekwoordelijke vis niet in verpakt wordt, zijn bij verschijning even doofstom. Door hun complexiteit is hun boodschap niet in de vereiste 750 woorden te proppen. Een uitgebreidere versie, in het onontkoombare interview, duwt de persoon van de auteur dan weer voor zijn tekst.
Deze ruwe bewegingen grijpen plaats tegen de achtergrond van een survival of the fittest in de uitgeverswereld. Met de literaire agent als outsourcekracht gaat aanwas gepaard met kaalslag in de oudere, minder marktconforme regionen. Het spectrum aan posities overziend kan er een natuurlijke censuur optreden. Daar is geen sprake van, stelde een opiniepaginacoördinator. Hij achtte het ‘intellectueel oneerlijk om te gewagen van een Berufsverbot. Ik ben er maar weinig tegengekomen met intellectuele kracht, stilistische brille, en doorzettingsvermogen die hun stukken niet kwijtraakten – ook in de traditionele media niet’.
Die pertinentie stond op een site die de op het publieksformat geschoeide literaire kritiek wil doorbreken. Het zal uit zijn functie voortkomen dat de coördinator dit platform ‘het belangrijkste project van het Vlaams-Nederlandse literatuurbeleid van de laatste vijf jaar’ noemde, zonder er meteen voor gewonnen te zijn: commentaar op krantenpraktijken wordt snel ‘gratuit’ en ressorteert dan onder naïef cultuurpessimisme. Bovenal leek hem, naar de logica van de vrije markt, het aantal hits op de site de graadmeter voor het succes.
Toch ontwaarde hij veranderingen in printmedia. Volgens hem zijn ‘beschouwers’ vervangen door ‘gidsen’. De laatste aanduiding lijkt rooskleurig. Een gids leidt in Parijs belangstellenden langs vele plaatsen. In printmedia gaat de tour echter exclusief naar Euro Disney. Uitgeverijen investeren tussen hun talloze producten in enkele dingen waarvan de kans op succes zonder return het grootst is. Media zijn dan niet alleen voor de advertenties hun verlengstuk; bij de vijf van de honderd auteurs die simultaan aandacht krijgen worden de ‘literair journalisten’, om de beeldspraak op te pakken, fellowtravellers.
Zelf zou ik trouwens evenmin vrolijk geweest zijn indien slechts het Louvre werd aangedaan. Mocht dat ooit zijn gebeurd, dan valt toe te juichen dat dat voorrecht opgeheven is. In de grote boze wereld was het al idioot genoeg dat deze vanuit Arabië gesponsorde instelling protest aantekende tegen de nieuwe buur McDonald’s. Eerder was ze overstuur geraakt van nog zo’n barbaar, wiens vestigingsplan een petitie wist te ontlokken en die op verzoek ruimhartig catalogi en dergelijke neerlegde in de gewraakte vestiging die er immers toch kwam. Maar ten slotte werd deze Starbucks ietsje minder barbaars bevonden.

zaterdag 21 november 2009

Spreektijd (5)

Tot nu toe lijkt de kwestie: hoe te voorkomen dat exclusief het eigen geloof opgeld doet? Is daartoe profanatie nodig? Ik raak mede tot die aan de beeldspraak schampende samenvatting doordat afwijkende meningen inmiddels wel erg snel ‘dogmatisch’ of ‘fundamentalistisch’ heten. En door een leep citaat van een katholiek, over de verbijstering dat zijn lotgenoten officieel zo aan de Paus hingen: ‘Wij katholieken geloven ten minste in de onfeilbaarheid van één en niet meer dan één persoon. Berust de democratie niet op de veel riskantere opvatting dat de meerderheid van het volk, die uit miljoenen mensen bestaat, onfeilbaar is?’
Hier doemt weer de outsourcingsproblematiek, waarvoor zich het alternatief aandiende van het referendum. Ja of nee kunnen zeggen is echter wat pover, terwijl het me evenzeer de hel lijkt overal vruchtbare visies op te hebben. Nu is dat ook een mening, maar Den Uyls idee van participatie, waarin ze passen, dunkt me veeleer galant dan werkbaar. Niet het minst omdat zwakkeren in de samenleving minder sluw participeren dan het bedrijfsleven, dat een ‘lobby’ tot zijn beschikking heeft, over wier ideologische reikwijdte Blokland, zijn onderzoek naar politicoloog Charles E. Lindblom voortzettend, in de recentste Witte Raaf een verbijsterend artikel publiceerde. Den Uyls participatie-idee raakt mogelijk aan de radendemocratie die in 1970 Roel van Duyn, getuige zijn – op voorspellingen over een vlotjes te leggen noord-zuidmetro na – visionaire protocollenboek Schuldbekentenis van een ambassadeur, in zijn provotijd had uitgedokterd. Daarbij zou het volk spreken in enquêtes, een middel dat thans slechts irritatie verwekt.
Hoe raken burgers wel betrokken? In 2007 heeft een dorp, gecoacht door het onvermijdelijke Motivaction, gepoogd met het project Aanhaken zijn ‘afzijdige’ bewoners te mobiliseren. Vergeefs, een ‘luisterende houding’ pakte niet. Dit fiasco gaf Bas Heijne simultaan op een Noord- en Zuid-Nederlands podium een inzicht: ‘Waar doet die softe, sentimentele, bevoogdend kinderlijke toon aan denken? Aan de hoogtijdagen van het multiculturalisme, toen er voor afzijdige allochtonen van overheidswege ook allerlei ludieke evenementen werden bedacht om elkaar te “ontmoeten”.’ Vervolgens holde Heijne naar Herman van Veens PVV-visie: ‘Wie een ander tegenwoordig voor fascist of NSB’er uitmaakt, verwijst helemaal niet naar de Tweede Wereldoorlog, maar naar de “linkse” jaren 60 en 70. Daar zit het trauma. Hetzelfde geldt voor woorden als extreemrechts, staatsgevaarlijk, enzovoort. Mijn woorden zijn het niet, er is al genoeg heilige verontwaardiging.’
Goh, hier zou ik Roel van Duyn wel eens over willen horen. Met zijn versie van participatie ambieerde hij zelfbestuur, dat Heijne – bij wie door het hoge karikatuurgehalte de poëtische functie de referentiële overvleugelt en die voor alles reageerde op een collega-opinist – toevertrouwd lijkt. En misschien galmt Van Duyns enquêtepleidooi na in niet-aflatende internetpolls. Deze zullen niet louter het idee van de democratische commercie steunen maar ook, getuige de aantallen reacties, enige bevrediging wekken. Of dumpen ‘afzijdige’ burgers louter hun ergernis?
Permanent ontevredenen vormen in het Nederland van Motivaction een kwart tot eenderde van de bevolking. De volgende stap lijkt logisch: die mensen gaan extreem stemmen, uit protest. Dit refreintje blijkt echter een illusie, die meer zegt over de politieke angehauchtheid van de logicus van dienst: men stemt in toenemende mate juist op ideologische voorkeuren. Maar ideologie was na de val van de Muur toch een gepasseerd station, in nostalgische buien aangedaan door brontosaurussen?
Er is en er blijft de werkelijkheid. Michael Dummet heeft gesteld dat geen enkele staat ras, religie of taal tot hoofdonderdeel van de ‘identiteit’ kan maken vanwege het simpele feit dat die artikelen in de loop van de tijd door alle landsgrenzen heen zijn gebroken – of, wegens penibeliteiten, moesten breken. Dat onderwijl aan iets eigens behoefte blijft, staat buiten kijf. Zelfs voetbalhaters voelen zich graag ergens thuis, waarop ze als minderheid evengoed recht hebben; een veerkrachtige cultuur kan hun dat bieden.
Mij ontgaat onderwijl wat links of rechts is aan het erkennen van de werkelijkheid. En wat principieel ‘gedateerd’ kan zijn aan overtuigingen. Momenteel behaagt iedere mogelijke parallel met ‘de jaren zeventig’ als negatief argument, maar de toen geuite visie dat je de Ander lastig kon verwijten in jouw land zijn eigen ding te doen als je zelf elders de kolonisator hebt uitgehangen blijkt dan weer niet valide.
Nu wil ik alledaagse problemen aan het multiculturalisme geenszins minimaliseren, laat staan ontkennen, maar: mij ontbreekt de oplossing. In tegenstelling tot de opinist heb ik er namelijk geen verstand van. Wel zijn al die historische vindplaatsen voor een gelijk broos. In Dood van een gezonde roker citeert Buruma een van de ‘Vrienden van Theo’ die ‘in een respectabel Amsterdams dagblad (…) uiting [gaf] aan iets wat in Nederland niet ongewoon is, namelijk agressiviteit als teken van oprechtheid, het ventileren van woede als bewijs van morele eerlijkheid’. Een specificatie laat weinig te raden over: ‘De onmiddellijke verwijzing naar de holocaust of de joodse diaspora is een bijna natuurlijke reflex geworden. Het is een morele maatstaf, en tegelijkertijd een uitvlucht.’ Of gelden voor kunstenaars andere wetten?

dinsdag 17 november 2009

Spreektijd (4)

Zowel in Nederland als in België luidt meestal het antwoord: nee, maar het gaat al beter. Vaak is boven de rivieren vastgesteld dat de media er in tekst, geluid en bewegend beeld ‘een links feestje’ vieren. Naar Belgische maatstaven blijkt het echter een walhalla omdat er ‘een radicaal nieuw geluid als dat van Fortuyn of Ali’ heeft geklonken; in eigen land is ‘het linkse eenheidsdenken bij opiniemakers uit de journalistieke en culturele wereld’ de maestro.
Bij die ondergangsgeluiden is het grappig dat men niet hoeft te vrezen voor verlinksing van jongeren, want die hebben zich van reguliere actualiteiteninformaties afgewend – internet is de bron. En mij lukt het nog niet, als in de tweede aflevering vermeld, in de ‘linkse maffia’ iets links te ontdekken. Onlangs biechtte opinieleider Tom Naegels aandoenlijk op te vrezen dat zijn leermeester Jan Blommaert hem te gematigd zou achten, hetgeen deze hoffelijk ontkende maar wat een correcte intuïtie leek.
Is Blommaert niet gauw op de wat sloganesk geworden opiniepagina’s te vinden, de lieden die nu here, there, everywhere and else hun meninggevoeg doen zijn legionair viraal. En doordat nog anderen bij specifieke aanleidingen hun expertise kunnen ontladen en Wilders’ ideeën even welkom zijn in de kwaliteitskolommen, zullen de diverse posities inmiddels toch aardig zijn gepresenteerd. Onder de Moerdijk is Bart De Wever in elk geval een gerespecteerde gast die naar eigen zeggen aan ‘de elitaire consensus’ én aan ‘de langzaam vollopende vergaarbak van het rechts populisme’ weet te ontsnappen.
Dat laatste vormde voor mij als Hollander destijds een reden om in den vreemde te gaan. Het bleef dermate ongrijpbaar dat ik vorig jaar een verlate poging tot inburgering heb gedaan door de reacties op de dood van Hugo Claus te bestuderen. Mij bleek dat het devies De mortuis nil nisi bene niet alleen leidde tot zelfcensuur, maar dat, ook na de opheffing van het cordon sanitaire, ongewenste stemmen het zwijgen werd opgelegd. Uitgerekend het land met al zijn deelbelangen klonk in zijn officiële media als een koor opgepoetste koorknapen – het werd in zijn tomeloos geëtaleerde ruimdenkendheid benepen. Als redacteur heb ik van betrokken intellectuelen eveneens wel adviezen gekregen om extremere standpunten af te stoppen.
Vooral het internet fungeert hier als de kwaaie pier. In zijn interessante boek Mediamores wijdde Henk Blanken er passages aan die tot nadenken aanzetten. Ingewikkeld dunkt me dat het kennelijk te democratische medium zelf evengoed neigt tot omheining, tegen op opportuniteiten beluste laatkomers, al legt het ook weer geen verbod op dat het kortelings van een babyboomer kreeg aangezegd. Zulke manoeuvres zijn mij niet bekend over papieren visies met een even gutturaal gelijk; wellicht indiceert de stroom comments erop vol massieve toorn hun succes. Misschien is de opiniepagina ook wel een gesloten podium geworden.
Stuart Hall schreef eens over de geëngageerde aandrift om van ‘de massa’ een abstractum te maken, zodat ze brandstof of fundament wordt van eigen uit te zetten posities. Aldus kan ‘de zwijgende meerderheid’ beschikken over een ‘vals bewustzijn’ en dergelijke. Dat betekent volgens Hall enerzijds dat die intellectuelen het lot nooit concreet hebben gedeeld van de velen voor wie ze beweerden op te komen en anderzijds dat die ‘zwijgende meerderheid’ stiekem best nagedacht kan hebben, maar ‘wij haar het spraakvermogen hebben ontnomen en van de middelen tot enunciatie hebben beroofd’.
Indien dat klopt, dan kunnen media zich wel eens evengoed grandioos verkeken hebben met hun smeuïge stukjes die ‘de onderste steen boven halen’ en ‘onthullen’ en ‘eindelijk durven de waarheid te vertellen’. Ze vertrekken in dat geval van een beeld over hun publiek dat erg denigrerend kan zijn. Dat is tot daaraan toe. Maar zijn uit het olijk gepresenteerde resultaat niet bewust zaken foetsie ten bate van soundbites bij de ‘strijd’ tussen de winnaars en de verliezers – die maar niet op een debat slaagt te lijken?
Is het afgeplatte participatiemodel van Den Uyl omgebogen tot een structuur van niet eens meer een piramide maar van een naald? Hé wacht: dat beeld ben ik ook ooit in de context van uitgeverspolitiek tegengekomen. Daarover binnenkort meer, omdat een andere parallel voordringt, en wel met de aanzet tot deze reeks postings: heette het multiculturalisme niet onder meer mislukt omdat de in de samenleving losgelaten islam een filter hanteerde voor wat strikt voor hen betamelijk was?

dinsdag 10 november 2009

Spreektijd (3)

De jongste cliffhanger was een inkoppertje: dat ze auteur zijn. Wel is, tenzij ik me vergis, de stiel sinds pakweg de jaren tachtig nogal veranderd. Aan de ene kant steeg in printmedia het aantal weekendbijlagen. De journalistiek verkende het grensgebied met literatuur, tussen lifestylereclames kregen reportages een plaats. Betere journalisten werden heuse auteurs. Aan de andere kant zagen uitgevers een gat in de markt voor non-fictie. Bij selecte onderwerpen wilden ze mensen met kennis van zaken die er smijdig over konden verhalen. Wetenschappers met ‘een vlotte pen’ vonden publiek.
Door die tweezijdige instroom is om te beginnen in wat ‘literatuur’ heet de stijl aangepast. Het zal te goedkoop zijn om een verklaring te zoeken in compensatie, maar uiterlijk kan een gekatapulteerde auteur zich profileren. Enkelen simuleren dan ‘literatuur’ met veel sententies en meer beeldspraak, en ogen minder als Stravinsky dan als Mantovani. Maar zeker in België hanteren velen het HUMO-jargon, met bijbehorende drilboor voor het bashen – Holland laakt sinds Maximaal het figuurzagen. Hoe sluipend die evolutie postvatte én lezers eraan wennen, besefte ik toen me laatst een roman van Alstein onder ogen kwam. Mogelijk lees ik te weinig of te eenkennig, maar na een paar bladzijden wist ik weer wat fijnzinnigheid en humor inhouden. Die stijl, juist allerminst opvallend: métier, aandacht, tijd!
Een rechtstreeks gevolg dunkt me dat die nieuwe auteurs niet vanzelfsprekend bijdroegen aan literaire tijdschriften maar aan dag- en weekbladen. De gelegenheidscombinatie kwam beide partijen goed uit, vanwege hogere honoraria en de vraag om direct ophefmakende thema’s. Bij het opiniestuk bood de niet-literaire achtergrond zelfs voordeel: journalisten zijn met hun generalistische blik breed geïnformeerd, wetenschappers hebben ervaring in het ‘nuchter’, dus ‘tegendraads’ analyseren van fenomenen.
Nu schijnen opiniestukken, in tegenstelling tot columns, onbetaald te zijn. Dat wekt de vraag: waarom verkondigt iemand als de eerste de beste prediker in het openbaar zijn mening over zaken waar hij geen verstand van heeft? Een bewindsvrouwe die zich eerst wil verdiepen in haar beleidsmaterie, krijgt immers een draai om de oren; daarna wordt ze een running gag.
Het antwoord zal in de auratische sfeer liggen. Dat een opinie van een auteur altijd boeiend is (het Forum-idee van de dilettant boven de specialist). En wellicht doet het performatieve weer wonderen: doordat hij zich erover uitspreekt, wordt het onderwerp actueel. Die nieuwswaarde laat onverlet dat zeker bij opinies met een vaste frequentie de drijfveer gezocht moet worden in een uit de hand gelopen hobby. Daarom lijkt de term ‘opiniemaker’ abuis; analoog aan alpinisme door een alpinist rep ik van ‘opinisme’ door een ‘opinist’ – een ‘opinicus’ klinkt te veel naar de spasticus autisticus die intrinsiek controversieel was.
Het opinisme dat uit alle media gulpt lijkt een marathon waarbij de finish zich telkens verlegt en het dus ten slotte de toeschouwer is die hondsmoe afhaakt, omdat die meningen zelden bijdragen aan ‘het maatschappelijk debat’, veeleer aan elkaar. Geen woord deugt. In de mond van de tegenstander zijn ‘provincialisme’ en ‘essentialisme’ per definitie negatieve begrippen, zij het dat uit het bewijs hiervan af te leiden valt dat er tevens iets ronddart als provinciaal kosmopolitisme en essentialistische singulariteit of zo.
Aan die heisa doet deze posting mee; de marathon kenmerkt zich tevens hierin dat elkeen altijd een startschot mag geven. Wat was mijn aanleiding ook alweer? Inmiddels zegt de stamgast op het publieke forum die multicultureel België aan het tetsen kreeg, na een reactie van nog iemand die zich slagen in de rondte opinieert, te ervaren wat ‘verkrachte vrouwen soms te horen krijgen: ze hebben het zelf uitgelokt’. Dat het signaleren van aanpalende pingpongpartijen een ‘pikant detail’ blijkt op te leveren, verheldert weliswaar de uitdrukking ‘een gebed zonder eind’ maar zou ook kunnen uitnodigen de netto opbrengst eens te wegen.
Mijn these: in de industrie van het opinisme steekt men werktuiglijk een tandje bij. Toevallig zag ik de prachtfilm Tokyo Story en trof daarin het tegenovergestelde van wat me bij Kollwitz opviel. Quoi? Een bejaard echtpaar bezoekt hun kinderen in de grote stad. Zij blijken echter weinig tijd te hebben en sturen hun ouders naar een vakantie-eiland. Als het echtpaar daar niet aardt en voortijdig terugkeert in Tokio, gaan ze de kapsalon binnen van hun dochter. Die excuseert zich onmiddellijk bij haar klanten: ‘Oude kennissen uit de provincie’. Het eigene wordt vanzelf uitgesloten, met een aanpassing aan de veronderstelde omringende zeden.
Onderwijl bepalen opinisten en hun opdrachtgevers door hun lonten in het vuur de omtrek van ons denken, wat er aan verhalen uit mag oplichten. Maar onbetwistbare winnaars van vandaag kunnen morgen in de prak zitten en andersom. Ben ik terug bij af, als de vraag dan luidt: worden de diverse posities netjes verdeeld?

woensdag 4 november 2009

Spreektijd (2)

Na mijn ongelooflijke cliffhanger wou ik beginnen met eigen ervaringen als allochtoon. Maar iets weerhoudt me. Het werk van Käthe Kollwitz dat aan mijn blik voorbij is getrokken? Ik was verbluft door haar in memoriam voor Liebknecht, over wie ze verklaarde: ‘ich war politischer Gegner aber sein Tod gab mir den ersten Ruck zu ihm hin’. De kunstenares heeft dus allengs, door het maken van de houtsnede, het haar wezensvreemde tot in de iconografie trachten in te sluiten.
Precies het tegenovergestelde geschiedde bij de drieslag die deze reeks postings instigeerde. Mij boeit het format waarin internationaal deksels van putten gelicht werden. Ze mogen een zondvloed ontketenen, stromen kunnen op diverse wijzen worden geleid. Toen na de moord op Van Gogh een school in Uden in de fik ging, ontwaarde Buruma alvast ‘het oeverloze commentaar van politici, columnisten in kranten, deskundigen op televisie, schrijvers van hoofdartikelen en wijsneuzen in de populaire pers’.
Een lustrumpje later betrof het in Engeland een praatprogramma met politici. Gewenst is dan niet mimicry, maar een kruidige bijdrage. Voor Duitsland was de bron een interview, in een ‘intellectuelenblad’ dat wel een SPD-politicus/bankier uitverkoren had die berucht was om zijn ontplofbare uitspraken. In België ten slotte betrof het een opiniestuk in een dagblad. Dat verdient wat context.
Volgens het zalig overzichtelijke standaardverhaal was voor de Lage Landen 1989 niet alleen het jaar van de val van de Muur. Commerciële televisie zag er eveneens het licht (in België hoefden kranten evenmin à la carte partijen te bedienen). In die postideologische constellatie betekende de ontzuiling in de berichten voor velen een bevrijding. Het agonisme van ‘wij’ versus ‘zij’, ingebakken in het conflictmodel van Den Uyl, leek overwonnen. Voorbij het blinde gelijk! Pluriformiteit zou groeien.
Wat mij vervolgens opvalt zijn niet de deprimerende feiten, ditmaal in Brussel, maar dat ze gelden als baanbrekend in hun openbaarmaking. Uit menig fictieboek, dat misschien niet even gerenommeerd was maar vanwege het genre wel genuanceerd, waren ze namelijk al bekend. Iets soortgelijks is gebeurd met De schaamte voor links van Joost Zwagerman. Dit pamflet baarde opzien terwijl het vaardig copy and pasten uit reeds gepubliceerd eigen werk behelsde.
Zoiets geeft te denken over het medium opiniepagina en/of pamflet. Het oogt als een rituele plek, met een sterk performatieve bodem waardoor de flora per definitie spraakmakend is en dus openbare antwoorden opeist. Binnen die circulaire logica klopt het dat Zwagermans titel verscheen met een door een literaire stichting georganiseerd debat en een door een opinieblad geëntameerde discussie met ‘socialistische’ politici in een kerk.
Anders gezegd serveren zulke bewegingen alsnog een ‘wij’, bestaande uit mensen die zich aangesproken moeten voelen – en die indien ze dat weigeren een ‘zij’ worden. Want dat frappeert mij eveneens: het medium lijkt persoonlijke oordelen te verheffen en schept een algemeengeldigheid. In het Belgische pièce de resistance werd in de verplichte bijschriftjes de auteur ook niet bij naam genoemd, maar in een functie gehesen: ‘Vlaams Parlementslid voor Groen!’. En alsof de duvel ermee speelde eindigde zijn opiniestuk, een aaneenrijging van anekdotes, in vergroting: ‘Het is de verdienste van links geweest om meer aandacht te vragen voor discriminatie en sociale achterstand. Het probleem ligt jammer genoeg dieper: we zijn bang geweest om onze waarden op te dringen aan allochtonen.’ Hoewel dat ‘we’ mij verzuild en pastoraal toeklinkt, zal de lezer dankbaar concluderen er getuige van te zijn geweest dat een groot taboe doorbroken was.
Bij de intrede van de postideologie was de Ander ook object zonder spreektijd. Toen school de vernieuwing erin dat door een soort actiejournalistiek in probleemwijken ‘de gewone man’ alleenrecht kreeg over ‘authenticiteit’ inzake het multiculturele schandaal dat altijd toegedekt was. Dit primaat maakte de grens met roddel poreus en resulteerde sowieso in een rendabele aversie tegen ‘het establishment’.
Curieus is dat precies die gewraakte hoge heren steeds schrillere geluiden uitslaan (allochtoon gevaar) vol eensnarige echo’s (ontkenning bij ‘links’). De tendens van Zwagermans pamflet en het Vlaamse opiniestuk was eensluidend, in het verlengde van ‘Het multiculturele drama’ door Paul Scheffer uit 2000. In die sfeer is ook Tom Naegels al een tijd bezig. Zij leggen – net als Barnard en Van Istendael, en Desmet en Pauli die al jaren ‘de linkse intellectuelen’ honen – hippies van weleer onder vuur, maar dan uit trouw.
Dat ik aarzel om te reppen van ‘een nieuw paradigma over links’ ligt aan de clichés waarmee ze het idealisme van weleer voorstellen en aan de neiging vooral elkaar vliegen af te vangen. Dus rangschik ik zo’n bejegening hooghartig onder de common sense. Bovendien fungeert, dan weer triomfaal dan weer deconfiturerend, bij dit anticultuurrelativisme in de bewijsvoering telkens een ander facet van ‘de Verlichting’; Sjoerd de Jong pelde deze topos in Een wereld van verschil.
Maffer is de vaststelling dat de minderheid van de hier genoemden voor 1955 geboren werd en weet wat die schimmige vijanden in welke biotoop uitspookten. Ze beroepen zich voor hun vonnissen op de overlevering, op papier. Of dit nu participatie in uyliaanse zin is of niet, hun mening is er niet minder vierkant van. Misschien een rare vraag daarbij: waarop berust hún autoriteit?

maandag 26 oktober 2009

Spreektijd (1)

Kort na elkaar zijn er in België, Duitsland en Engeland deksels van putten gelicht. Voor zover je daarbij een algemene teneur mag optekenen, ging het erom dat vraagtekens bij het gedrag van allochtonen in een multiculturele samenleving altijd met potlood in de kantlijn moesten staan. Anders zou men discrimineren en, zeg eens iets, sociale achterstand toejuichen.
De Engelse casus week in die zin af, dat de spreker van dienst een naam hoog te houden had aangaande rabiaatheden over de Ander tot en met ontkenning van de Holocaust. Zo werd de kwestie van zelfcensuur verbreed naar publieksverbreiding: mochten onfrisse geluiden uit de zogeheten onderbuik van de samenleving worden gefaciliteerd? Het is boeiend de motivatie van de betreffende verantwoordelijke te lezen. Volgens hem is het aan het parlement, niet aan de staatsomroep om uit te maken of ‘the public’s right to hear the full range of political perspectives’ moet worden gefnuikt. Tot die tijd vertegenwoordigt de partij van de gewraakte spreker domweg een deel van het electoraat.
Het deed me denken aan de mooie biografie over Joop den Uyl – die me alvast leerde dat ambtenaren sloop ‘amovering’ noemen. Als voorstander van participatie had de socialistische voorman uit de jaren zeventig een boontje voor zoveel mogelijk zeggenschap bij burgers in hun werk en leven. Is die voorkeur historisch goed te verklaren (begin jaren vijftig had in Nederland 85% alleen lagere school en 1% universiteit: dat mocht wel eens veranderen), Den Uyl betwistte er wel gangbare ideeën over de kiezer mee, die in den lande waren vertolkt door socioloog W.A. Bonger. Deze wilde de moderne democratie grondvesten op het vertrouwen bij het volk, dat louter verkozenen de expertise hebben om het land te besturen. De paradox van deze outsourcing is uiteraard dat het volk kennelijk wel voldoende goochem wordt geacht de kundigste politici te kiezen.
Aldus bespeurde ik deze parallel: mag je voor anderen beslissen wat goed, en vooral wat niet goed voor hen is? En daaruit: bestaan er voor hen stemmen die je moet uitsluiten en waarom? Het gaat dan vooral om extremen. Nu is de vrees dat ze strategisch gezien te besmettelijk zijn om ze zomaar te laten horen, terwijl in Den Uyls tijd het polarisatiemodel regeerde waarin ze principieel tot uiting mochten komen – of daar notie van werd genomen, is een vraag die heden wordt gesteld. Allicht was ‘de kloof tussen politiek en burger’ toen niet zo diep. Men wist waar de politicus voor stond, Den Uyl was sowieso voor absolute openheid, en men kon meevoelen met zijn zaak. Tegelijk werd de nadruk waarmee hij zijn punt maakte gepercipieerd als drammerig. Het lijkt niet toevallig dat destijds de sympathie toenam voor zijn antagonist Dries van Agt, die juist de kronkellijn, suggestie en relativering waardeerde.
Het besef dat Van Agt een katholieke achtergrond had en Den Uyl een gereformeerde geeft het beeld van het hedendaagse Nederland door Ian Buruma in Dood van een gezonde roker extra reliëf. Deze pikt dan wel in vanaf het moment dat Theo van Gogh is vermoord, zijn verklaringen gaan mede terug op de roemruchte jaren zeventig waarin de gepropageerde politieke openheid een persoonlijk equivalent kreeg in het fenomeen assertiviteit. Zo ontwaart Buruma de ‘eis van totale eerlijkheid, de gedachte dat tact een vorm van hypocrisie is en dat alles, ongeacht hoe gevoelig het is, in alle openheid en zonder enige beperking gezegd moeten kunnen worden, die verheffing van lompheid tot een soort moreel ideaal […] Misschien ligt de wortel in het protestantse piëtisme, een reactie op wat men destijds zag als katholieke schijnheiligheid. Biechten moest in het openbaar worden gedaan. Discretie betekende dat men de waarheid achterhield, tact was een teken van oneerlijkheid.’
Zo bezien deed met het internet een protestants medium zijn intrede! De extremen waarvan we liever verschoond blijven, worden daar gedropt (met niet-aflatende ijver of routineuze onverschilligheid?). Indien ik een politicus was die ‘voeling met de achterban’ wilde houden, dan zou ik dagelijks enige uren spenderen aan het besurfen van het web. Maar ik ben geen politicus. Evenmin een gelovige, al herken ik me een beetje in het protestantisme dat Buruma schetst en voor mij een cordon sanitaire, dat zich na 1989 ondanks plichtmatige verwijzingen naar de Holocaust met de beste bedoelingen manifesteerde opdat het volk niet geïnfecteerd werd met extremen jegens de Ander, even ‘katholiek’ als onbegrijpelijk maakt. Maar dan spreek ik als Nederlander, die al jaren in België woont – en zelf een allochtoon is.

maandag 12 oktober 2009

Een zon moet niet te dichtbij zijn

In de bundel Langzaam en zacht had Nachoem M. Wijnberg dit gedicht:

Als hij moe terugkomt na een dag
wacht thuis op hem de kapitein van het ruimteschip
in zijn gesloten ruimtepak.

Als hij moe op zijn bed gaat liggen
drukt de kapitein in zijn ruimtepak zich tegen hem aan.
Misschien voelde hij zich dood in de ruimte.

Behalve als het ruimteschip
door een wind van stof vloog en hij op zijn stoel
als op een stier zat en de seconden hardop telde.

Als de wekker hem ’s ochtends wekt
ligt de kapitein nog steeds wakker naast hem,
zijn ruimtepak de kleur van de ochtendhemel.

Wat is de kans dat er in de ruimte nog een keer leven is
dat op hem lijkt, zoals Tarzan
op Adam of Ajax?

Een zon moet niet te dichtbij zijn.
De kapitein in zijn ruimtepak ontbijt met hem.
Stom geluk.


Bij eerste lezing ‘gaat dit over’ escapisme. Het helpt bij benauwende omstandigheden en dito gevoelens, waar de fantasie een andere, bovenal veilige wereld tegenover stelt. Dit indien er tijd is voor verbeelden en geen acuut handelen vereist wordt. Is escapisme iets voor kinderen? Op ouderen die ermee kampen en bijvoorbeeld denken dat ze Tarzan zijn, zullen snel psychodramatische termen worden afgevuurd, terwijl het bij kinderen op een gezonde, uitgebalanceerde ontwikkeling zou wijzen. Zo wekt het gedicht bijna automatisch de veronderstelling dat de ‘hij’ een jochie is dat niet moe thuiskomt van zijn werk, maar van school. Voor ik het weet is het een ‘typisch Wijnbergpersonage’, dat geen aansluiting vindt wegens te snugger of te gevoelig. Eventueel valt er te veralgemeniseren dat elk kind schijnt te denken dat de mensen die zich zijn ouders noemen vervangers zijn van de echte, die heel misschien vermoedelijk wel zeker van een andere planeet komen. Kinderen kunnen überhaupt de indruk krijgen met werkelijk niemand contact te hebben wegens een verregaand anders-zijn – en daar helpt escapisme.
Maar zou deze diagnose ook niet radicaal kunnen worden omgedraaid? Dat het de rest van de melkweg is die vluchtgedrag vertoont? Bepaalde gelovigen schijnen de lof der inconsequentie te prediken en een van de onstelpbare clichés over ‘het postmodernisme’ behelst het niet-aflatende spel met diverse rollen, maar er bestaat iets veel simpelers en basalers: een sociaal masker, dat wordt gedragen om zich acceptabel te maken bij een meerderheid op een bepaalde plaats op een bepaald moment. Aardig zijn is daar maar het begin van; het kan zich uiten in een dictie (wegmoffelen van dialect of juist niet), aangepaste kleding (stropdas of juist niet) en tutti van zulke quanti meer. Het omslag van Langzaam en zacht toont nota bene een leeg colbert waar een met homo sapiens gevulde huid nog in moet. Evengoed is het sociale masker praktisch voor opvattingen. Meer dan welke eeuw ook heeft bij mijn weten de twintigste laten zien hoe atletisch mensen soms onbewust kunnen zwenken in hun overtuigingen, steeds volgens de grootste overlevingskans die ook wel onopvallendheid heet. De brutaalsten onder hen weten enkelen die hun eigen lijn trachten vast te houden te kwalificeren als ‘puberaal’ en ‘sektarisch’.
Deze interpretatie valt te overwegen op het moment dat in het gedicht het drievoudige ‘Als’ niet in de betekenis van ‘wanneer’ geldt maar van ‘indien’. Ze werd me ingegeven door een foto van Cruz Beckham, de derde zoon van de beroemde voetballer en de beroemde zangeres. Hij heeft zo’n ruimtepak aan, en het lijkt wel of zijn moeder zich voor hem schaamt, door zowel zijn blik als die van de dan plots als een autoriteit te aanvaarden fotograaf te ontwijken. In dat geval lijkt het haar probleem. Cruz wijst haar desgewenst de weg, en voor de rest heeft hij verantwoordelijkheden genoeg. Hij zorgt al voor brood op de plank bij journalisten in wie zijn voornaam reeds het vuur van de exploratie doet ontbranden en voor wie elke beweging die hij maakt en kreet die hij slaakt nieuws is. Get a life, lijkt hij hun te adviseren in zijn pak.
Wat hij voor het oog van de camera doet lijkt me ronduit dapper en allerminst een exempel van vluchtgedrag. Om het in termen van het gedicht te zeggen, het ‘leven dat op hem lijkt’ benadert hij zo dicht mogelijk. Dat dunkt me zelfs een teken van volwassenheid en misschien vindt Wijnberg dat ook. Het gedicht heet namelijk IETS ZOETS EN KOFFIE, hetgeen zal verwijzen naar het slot, ‘stom geluk’ dat het ontbijt teweegbrengt. Wellicht zal die koffie, zoals dat in Nederland onnavolgbaar heet, verkeerd zijn, zwaar gedrogeerd dus met melk en suiker, maar het blijft een drank die de poort openzet naar de grote mensen (gezegend met een beroerd geheugen herinner ik me de trots bij mijn eerste koffie tot in de details, maar die zijn uiteraard privé). Houdt het geïnitieerde jongetje stand? Vooralsnog kan hij meezingen met Bobby Byrd: ‘Sayin’ It And Doin’ It Are Two Different Things’. Een verschil van dag en nacht.

zondag 27 september 2009

Het bestaat niet maar het bestaat

Rood het zonnetje dat schijnt over de oceaan van
je gemoed. Weet je een zekere koers te bewaren?
De verdenking blijft achter bij kapitein Gatbaard,
ook om de stand der planeten: vanavond wordt je
relatie nieuw leven ingeblazen. Dwaalt het zwarte
schaap weer van de kudde? Geloof is ballistisch,
claxonneer met mate en wek je familie op straffe
van onterving. Vind je het heel erg trouwens dat
je steeds nagewezen wordt als het best bewaarde
geheim van de natie? Zijn er slechtere garanties
op voorland? Flits, witte schil, zakjes en voor je
het weet rinkelt de bel in de pot dahag! (Stom hè,
daar schildert zich altijd iets bij. Dus je hoeft niet
bang te zijn, het rode zonnetje gaat vanzelf weg.)

zondag 20 september 2009

Jump

Was het Urbanus die op de constatering ‘Spring is in the air’ zei ‘Why should I?’ Volgens een betrouwbare bron wordt vandaag, op de drempel van de herfst, herdacht dat veertig jaar terug aan de andere kant van de aardbol in een park nogal fervent werd gesprongen. Voor de vrije meningsuiting. Ondanks een verbod op samenscholing kregen die jumping sundays, met muziek van The Frank E. Evans Band, elke week meer concrete onderwerpen, zoals ‘Vietnam’ en ‘Apartheid’, en trokken ze tienduizenden jongeren aan, hippies, als ik even grof generaliseer. De protesten breidden zich uit over andere parken, over het eiland, enzovoorts.
De hippies van weleer wordt gesuggereerd hun kleinkinderen mee te nemen; het evenement valt onder een Heritage Festival. Het is verleidelijk over dat alles snelle hoon of zachte spot uit te storten. Die dwazen die toen betrekkelijk onwetend en kinderlijk een beetje stonden te niksen voor de wereldvrede, zijn in een gespreid bedje gesprongen! Maar ook zij die mokken over een permissive society met een vleugje cultuurrelativisme kunnen niet ontkennen dat die hippies een topic hadden, daar een risico (op arrestatie) bij voor lief namen en resultaten boekten.
De meest doortastende critici van hippies, punkers, sprongen ook graag, al noemden ze dat pogoën. Onlangs zag ik daar wat historische beelden van, bij een interview met Siouxsie. Hoe welopgevoed toonde ze zich! Zouden hippies haar ‘burgerlijk’ hebben gevonden? Tevens kon ik de hand leggen op een live-opname uit dezelfde tijd, waarin het tegendeel van punk werd gespeeld: LA rock door een sessiemuzikantenband voor Patti Austin. Ze brachten onder meer het nummer ‘Jump for Joy’, dat de tiltknop van mijn vooroordelen beroerde – evangelische blijheid. Wellicht is de titel ontleend aan de masserend omverwerpende musical uit 1941 van Duke Ellington. Er moest gesprongen op zekerheden, terwijl de hippies en punkers nietschzeaans op het koord leken te balanceren. Maar waar heb ik het over? Indien kindjes vrolijk zijn of iets zeer graag willen, stuiteren ze werktuiglijk. En de rest van de mensheid in de Lage Landen, gedomesticeerd, kent de term ‘springlevend’, volgens mij toch betreffende de preapocalyptische fase.
Veel woorden om te bekennen dat ontroering mij omgaf bij het zien van youtubebeelden van die jumping sundays. Scheen er ander licht? Natuurlijk ken ik de demon van de nostalgie, van de sepia, niet het minst door reclames. Zoals van Kanis & Gunnink, in de jaren tachtig, waar op een quasi-achtmillimeterfilmpje ook ‘hippies’ in gezamenlijk geluk bijeen waren; op een of andere manier hoorde ik daar terstond de discussie onder de marketeers doorheen met welke rekwisieten het veiligst en meest effectief de ironische afstand kon ingebouwd, hetgeen me destijds resoluut deed besluiten nooit meer koffie van dat merk te drinken.
Maf, ik heb nooit geloofd dat ‘vroeger alles beter was’, behalve culinair, en wellicht heeft dat duo weemoed & allergie zelfs niet met een specifiek decennium te maken. Ik geraakte eens in een omwaterd ministadje, dat een nagebouwde jarendertigwijk bleek. Moesten daar toeristen mee gelokt? Op welk verlangen mikte men dan? Iets ‘authentieks’, verwijzend naar een tijd dat er een gemeenschap bestond en waar problemen exclusief bij les autres lagen? En is het verschil met een andere decorshifttrend, het ecologische wwoofing, gradueel of immens? Van het stadje memoreer ik uiteindelijk slechts rubber isolatielappen om de schoorstenen en ‘saté met friet’ op een menukaart.
Moet je wel of geen idealen hebben om daaroverheen te stappen? Wat kan zonder voorbehoud echt heten? Zouden er nog onderwerpen structureel kunnen verontrusten en dus uit de trechter van de personencultus weten te blijven? Ik werd gewezen op een bericht dat niet voor de poes is: grootscheepse militaire plannen om de EU te vrijwaren van al dan niet door natuurrampen op drift geraakte vluchtelingen en armoede en ziekte, en om een surplus aan grondstoffen te garanderen. Dit is bedacht door een onafhankelijk bureau, dat bestaande afspraken echter niet kan verhelen. Terwijl Motivaction, waar ik het de vorige keer over had, tenminste ook wat had ontdekt voor een theemerk (dat het kansen heeft tegenover koffie), zijn hier alle middelen, van hightech wapens over spionage tot gelegenheidscoalities, vanuit een synergetisch of holistisch idee geoorloofd. De begrippen ‘Fort Europa’ en ‘preventie’ krijgen er een dimensie bij. Een agenda van het crisismanagement: eigen rijkdom eerst!
Waarom blijft het hier stil over? Te absurd, te paranoïde om waar te zijn? Of te groot om te vertalen in getuigenissen en, omdat – als ik met een persoonlijk voornaamwoord even een seculiere pater mag uithangen – we er allemaal bij zijn betrokken, voor door wetenschappelijk pluimvee ondertekende petities? En waarom houd ik het zelf bij het bericht, dat een rapport samenvat waar ik mechanisch doorheen scroll? ‘The views expressed are those of the authors and do not represent those of the European Commission’. Staaft het, mocht het kloppen, simpelweg mijn cynischer gedachten? Wellicht zouden hippies al tegen zulk ‘imperialisme’ op de barricaden zijn gegaan, hadden punkers er om gebulderd dat de destructie zo nabij was en baden relirockers dat Iemand ons zou bijstaan. En wij? Springen we nog ergens voor uit onze stoel?

woensdag 9 september 2009

Waardeonderzoek

Lastig de lach in te houden bij de najaarscatalogi der Lage Landen (we hebben het over boeken). Er blijken zoveel belangrijke auteurs dat het overzicht al ontbreekt bij het aanbod: welk van de talloze glimmende losse vouwvellen bij de op hun beurt in fictie en non-fictie onderverdeelde catalogi hoort bij welk huis of imprint daar weer van? Uitgeverijen doen het erom, dat zie je direct!
Lachen is de makkelijkste reactie, net als dankbaar zijn dat er per dag meer dan één supertitel gaat verschijnen die ‘in geen enkele boekenkast ontbreken mag’. Zulke rituele reflexen lijken onontkoombaar. Sites die het aanbod zonder filter van media en boekshop kunnen tonen blijken dan wel verbeterd, adequaat willen ze nog niet worden. Toch biedt juist internet door zijn hyperlinks dé mogelijkheid voor een gezelschapsspel: op basis van de gepleegde vergelijkingen, waarin auteur A is bedoeld ‘voor de liefhebbers van’ auteur B, een netwerk van verwanten ontwerpen. Dit zal een hemels kluwentje van de beste families geven, minstens vierdimensionaal, met op het punt van het niets de rest.
Euh, zoals in de Middeleeuwen?
Hoeveel kan een seizoen redelijkerwijs aan? Een selectie uit het zogeheten upmarket segment doet vermoeden dat je niet te veel interesses mag hebben om geen slaaptekort te incasseren, tenzij de crisis zulke hopen werkelozen heeft opgeleverd dat uitgevers hen wilden plezieren met een hobby voor dag en nacht. Maar dan geef ik toe aan het gevoel dat er een overproductie is, die betwist wordt met de opmerking dat er al sinds de jaren ** veel boeken verschijnen (de conclusie dat ze onmogelijk naar behoren geredigeerd kunnen krijgt een soortgelijke tegenwerping: dat dit vroeger helemaal niet gebeurde).
De CEO van Lannoo, goed voor 500 van de bijna 20.000 titels die de Lage Landen jaarlijks verstouwen: ‘We zijn in dit vak bijna collectief zelfmoord aan het plegen, denk ik soms.’ Saillant is dat Lannoo, nadat zijn meest geduchte landgenoot de kranten van het concern annexeerde, nog altijd overweegt de boekendivisie van PCM over te nemen. In een andere hoofdbijzaak, voetbal, zijn de invasionele betrekkingen tussen Nederland en België wel vertrouwd.
Neveneffect van de stortvloed onvergetelijke boeken die gaan komen, is dat alles je ontschiet. Toch herinner ik me één titel: De grenzeloze generatie. Die zal ‘collectieve onvolwassenheid’ uitduiden. Wow, herkenbaar! De reden dat er bij mij een bel begon te rinkelen was echter de bron: ‘het Mentality-waardenonderzoek van Motivaction’. Orkestreerde dat bureau niet de campagnes van zowel CDA als GroenLinks? En verstrekte het zijn adviezen toen niet vanuit een eigen, want vooraf in opdracht geschapen beeld van ‘de moderne burgerij’? Het bureau is reeds gesignaleerd als tergend mediërende instelling tussen bevolking en staat in het publieke debat, maar als fenomeen lijkt het ingewikkelder.
Chantal Mouffe heeft dat beschouwd vanuit de idée reçue dat er geen ideologieën meer zijn, en er dus onder het bewind van Koning Pragma geen verschil tussen ‘links en rechts’ is. Het Einde van de Geschiedenis gaf het Einde van het Conflictmodel er gratis bij. Spinning door Motivactionachtigen bezorgt partijen dan nog enige distinctie bij de kiezer, die zich echter niet slaagt te identificeren met de consensus van het midden, waar hartstochten en collectieve identiteiten hautain zijn weggeredeneerd. Vanwege het door die groeiende afstand tussen burger en politiek getaande democratisch gehalte is Ad Verbrugge evenmin tuk op zulke bureaus. Hij vermeldde ze recent in het kader van de ‘terugtredende overheid’, waardoor de politieke besluit- en gedachtevorming geoutsourcet raakt aan interim-management, adviesbureaus en meer geprivatiseerde goden.
In precies die gedaante, gematerialiseerd door deskundige rapporten, kwam Motivaction voor het eerst in mijn blikveld. Het had het leesgedrag van Nederlanders onderzocht. Twee op de drie had ten minste een keer per week een boek in handen, 47 procent op het nachtkastje en 28 procent las het liefst in bed, tweederde het liefst op vakantie en 42 procent bij het luisteren naar muziek. Weg dus met de cultuursombering van het Sociaal Cultureel Planbureau met zijn falende methodes, die hadden geleid tot de rampzalige ziekte ontlezing! Zo stelde een voormalig redacteur dat tot dan toe was gevraagd of men een boek uitlas, en vond dat er geen oog was geweest voor multitasking. Een ander begreep dat te snel besloten werd dat het boek passé is en startte een leescampagne voor de schoolvakantie. Zo legitimeerden zij prettig onzuur meteen hun eigen baan in de sector – en heilbrengende instanties als Motivaction.
Op de crèche en op de peuterschool van onze S. zit een kindje dat Dante heet.
Er kunnen dus veel meer titels komen, niet noodzakelijk met eindes. Onderwijl gaat de homo zappiens, onmisbaar voor het verslinden van de rijstebrij die najaarscatalogi beloven, het echte werk doen. Daar is wel wat concentratie voor nodig en uitgerekend daaromtrent zijn er empirisch twijfels gerezen. Ze zullen berusten op statistische feilen. En nu maar zoet naar ons bedje, oogjes dicht en snaveltjes toe.

zondag 30 augustus 2009

Pim

Kijk, er is een foto boven water gekomen van de schuur waar we ooit repeteerden. Pas daardoor besef ik dat er een raam was en dat, niet goed zichtbaar, ons bandje een speciaal ontworpen poster had op kopieën waarvan optredens konden worden ingeschreven. Vooral ben ik beschaamd er pas nu van doordrongen te raken dat af en toe – hij studeerde al, elders – een percussionist met ons meespeelde.
Dat was Pim, tweede van links. Het klinkt overdreven maar hij maakte onze muziek compleet. We speelden namelijk instrumentaal, eigen composities, waar iets aan ontbrak. Het lag voor de hand de missing link in de zang te zoeken of een solo-instrument. Nu ik me echter even terug waan daagt de euforie van de momenten dat Pim zich bij ons voegde.
Vreemd, percussie brengt geen melodie (waar we vooral gitaar en piano voor hadden), en ondersteunt veeleer het ritme (dat door drums en bas werd beheerd). Het had er alle schijn van dat Pim, vooral met zijn conga’s, die gebieden met elkaar verbond. Dat verwekte een zekere onoverwinnelijkheid, een toxische sensatie die er vermoedelijk op berust dat we ons hechter of zekerder waanden.
‘Pim is boven alles MENS. Een vriend die altijd voor mensen klaar staat zonder daarvoor iets terug te vragen.’ Da’s een heiligverklaring, waar ik niet in geloof. Maar volgens mij wordt hier wel een punt gemaakt, dat mogelijk inherent is aan de kunstvorm. Slechts in samenspel kan een musicus zijn ding doen (zelfmoordthese in de literaire wereld maar alleen al praktisch een argument voor een pianist of drummer tegen een fluitist: bij het sjouwen van de spullen). Samenspel vergt finesse, waar dialogische aandacht voor nodig is. Zo hadden Pim, op drums, en onze bassist elders al uren de schijnbaar simpele riff van Hancocks ‘Chameleon’ geoefend. Die tijd diende om te groeien in dat nummer en naar elkaar, de verhoudingen en de volumes.
Het citaat over Pim vond ik op Google. Al surfend hoorde ik na vijfentwintig jaar zijn stem, zag zijn gezicht, vernam enige feiten. Meer dan ooit is het me een raadsel wat hr-managers eigenlijk willen bereiken met het natrekken van sollicitanten via een zoekmachine. Ik ervoer althans vooral: onvolledigheid. Wel is mij het bestaan geworden van een Hollandse site waarop je rudimentaire gegevens – van jezelf of een derde – kunt invoeren, waarna je de datum krijgt voorgeschoteld waarop het desbetreffende hart stopt met kloppen.
Het is even huiveringwekkend als mooi zich te realiseren dat een relatief onbekende een rol in je leven heeft gespeeld, tot de dag van vandaag. Ik herinner me op een doordeweekse avond meegereden te zijn naar Paradiso, waar een presentatie was van de Rietveldacademie. Onder anderen was er een duo. Een gitarist had de distortion helemaal opengedraaid, terwijl zijn kompaan met een moker op een (auto)portier inbeukte. Achteraf zei de gitarist: ‘Optreden is voor ons repeteren, en repeteren optreden.’
We reden terug via Utrecht om Pim af te zetten. Hij zat er op De Akademie voor Expressie door Woord en Gebaar. Van daaruit, met ontluikende bekendheden en onder een idiosyncratische regie, deed hij een paar jaar later mee bij een jonge theatergroep in een schouwburgtournee. Van de voorstelling is me slechts de elegante melancholie van het themaliedje ‘Gentle rain’ bijgebleven en dat de zaal koudweg leeg was. Maar zulke inlichtingen bieden hapklaar voedsel aan rabiate romanticismen over startende kunstenaars en afhankelijkheidsquotiënten in verband met subsidie.
Ze speelden Shakespeare, leert internet nu. Tevens wordt me verteld dat aan het eind Pim, als Fortinbras, schreeuwend van achter uit de zaal het podium komt opgestormd. Da’s waar ook.
Onbetwistbaar is dat Pim ten minste twee buitengewone films heeft gemaakt. De ene is een requiem waarop, naar ik begreep, zijn vrouw virtuoos piano speelt terwijl de camera door de ruimte dwaalt en uitkomt bij de verrassend opgetuigde achterkant van haar hoofd; een sardonisch én humoristisch effect. De andere film is een impressie van een eiland én van de begeleidende muziek van Bach. Diens mathematische sentiment heb ik zelden zo scherp geïllustreerd gezien.
Door zijn lens heeft Pim de wereld scherpgesteld. In die houding lijkt hij mogelijk het meest op een wetenschapper. Niet zo een die ‘voor het debat’ op columnistische wijze steun zoekt voor accommoderende ideeën, maar iemand die intens investeert in onderzoeken en ongeacht de consequenties zijn uitkomsten deelt. Omdat hij vindt: ‘Zo steekt dit facetje van de wereld volgens mij ineen. Knap hè?’ Een sponsachtige empirist.
Onlangs ging Pim op Malta voor de zoveelste keer snorkelen. Naar gewoonte had hij op het strand zijn papieren begraven. Door het militairedienstplaatje aan zijn hals is zijn identiteit achterhaald. Pim heeft nog twee weken in het ziekenhuis gelegen. Hoewel hij eventueel voor altijd in Malta schijnt te hebben willen blijven, had zijn familie begrijpelijkerwijs liever dat hij naar Nederland kwam. Deze week is hij overgebracht en gisteren is hij begraven.

woensdag 19 augustus 2009

Capitulaties (of gewoon de warmste dag van het jaar)?

In dezelfde voor mij ongewone bron leken twee berichten te rijmen. Eerst meldde Nederlands Dagblad dat voor de aanstaande president van de RMS een Molukse republiek niet langer heilig was, daarna dat Nina Hagen zich had laten dopen.
De republiek werd in april 1950 uitgeroepen en datzelfde jaar door Indonesië neergeslagen, waarna ballingschap. Heden laat de president de onafhankelijkheidseis afhangen van de Molukse bevolking én van de Indonesische regering. Zeggenschap, vooral over de economie, acht hij belangrijker dan een politiek boterbriefje. Al voor de vakantie, toen zijn benoeming gloorde, blijkt hij die lijn te hebben uitgezet. Opnieuw in een protestants orgaan had hij verklaard dat er diverse stromingen waren waardoor samenwerking realistischer was dan eenheid. Coalities met andere volken binnen Indonesië achtte hij even nuttig.
De president wil pas ergens naar streven met steun van een meerderheid. Bij hem wint pragmatiek het van het naakte ideaal, de oplossing van de confrontatie. Nogal een verschil met ruim drie decennia geleden, toen geweld een vanzelfsprekend onderdeel van de strijd was (bezetting van een consulaat, treinkapingen, gijzeling in een school). Sterker, de president wijt het aan die era dat Molukkers nu met hun imago sukkelen en dat officiële instanties selectieve verontwaardiging uiten over andere volken door soortgelijke onrechtvaardigheden te negeren. Die status quo raakte eigenlijk ingebakken: ‘Na de opleving van de strijd in de jaren zeventig kwam er een gevoel van uitzichtloosheid’.
Toen ook vestigde Nina Hagen haar reputatie, niet alleen als virtuoos zangeres maar zeker als autonome vrouw. Antiburgerlijkheid, destijds gesmaakt door het establishment, zette de toon. Dat vrijgevochtene bulkte uit haar fameuze debuutelpee, die zo’n beetje elke muziekgenre beproefde. Dat Nederlands Dagblad haar ‘punkzangeres’ noemt, dunkt me een reductie. Maar dat beweer ik bij herbeluistering, als mij in tekst en muziek het theatrale aspect opvalt dat voortdurend neigt tot satire en stijlbreuk. Zo valt haar werk voor mij nog dieper in te bedden in de jaren zeventig van de rockopera’s en Hauser-Orkaterachtige dingen.
Vergroot ik zo het contrast met de toetreding tot de kerk? In een derde protestants medium ontwaarde een dominee een natuurlijke ontwikkeling bij Hagen. Die teleologie valt me zwaar. Het is ook zo’n cliché, met een ceremoniemeester die weet dat Nina het altijd had betreurd ‘dat ze als kind van atheïstische ouders niet gedoopt was’. Van het ene extreem in het andere – van hyperindividualisme tot verzwelging in prescriptieve collectiviteit. Wel springt op Hagens weblog deelname aan menige maatschappelijk-ecologische actie in het oog en de ironie wil dat het net genoemde medium ook een artikel had over filosoof Koo van der Wal: in excentrisch milieuengagement, zelfoverschrijding dus, bespeurt deze kansen voor een nieuwe religiositeit.
De shufflefunctie op mijn mp3-speler had me nota bene net naar de Nina Hagentijd gecatapulteerd met de zalige Molukse band Massada (beider debuten stammen uit 1978). En zo was daar het nummer ‘Unknown Destination’:

We lost our way in a fight
Let's give us a helping hand
We can sleep neither day or night
'Cause we're strangers in this land

People, where's the old relation?
People, where's our destination? (…)

People, who wants an unknown destination?
People, you don't need it, I don't need it, we don't need it
People, where's the good vibration?
Whatcha gonna do now?

Alsof de nieuwe president hier al spreekt! De muziek geeft echter een tweesporenbeleid: gladde noorderfunk die wordt doorbroken door een lang instrumentaal jazzrockstuk dat met name de drummer niet echt kan dragen. Onbedoeld sorteert dat een folkloristisch effect, wat iets aangrijpends heeft. En gelukkig zijn er genoeg andere nummers, ‘Ibu dari adsal ku’ bijvoorbeeld en ‘Sageru’ natuurlijk, waarop de Melanesische traditie zich effectief paart aan zuiderlatin.
Even waande ik me in repetitieruimtes in een Molukse wijk uit die tijd. In de schuur van (de ouders van) onze extreem begaafde gitarist, en bij uitbreiding in de straten en op een groot voetbalveld, hing een ongrijpbaar aantrekkelijk sfeertje. Over het geweld, dat mij als beroepswatje mateloos fascineerde, werd niet gesproken. Het was muziek voor en na, Santana uiteraard én mij geheel nieuwe bands op de rand van de kitsch: Casiopeia, Gino Vanelli…
Die schuur had als voordeel dat ze dicht bij de keuken was. Maar het bleef een noodoplossing voor het wijkgebouw, waar er volop ruimte was en het geluid, in mijn herinnering, schier transparant naar onze hoofden vluchtte. Alleen was het op een dag tot de grond toe afgebrand; niemand wist hoe en waarom.

woensdag 12 augustus 2009

De paden op

Vreemd genoeg begon iemand niet te smalen toen ik, onderweg, vertelde van Antwerpen te zijn verhuisd naar een provinciestad. Grinnikend werd een verbetering gediagnosticeerd. Gewend voor benepen en profaan verklaard te worden – wel door bewoners van Antwerpen, die zelf in gehuchten zijn geboren – heb ik de verplaatsingstijd onder meer benut om te overwegen wat die grote stad toch minstens even dorps maakt als Amsterdam, zonder aan te sturen op het per zelfacclamatie bruisende cultureel klimaat dat zo claustrofobisch aandoet.
Wel wenste ik iets over het begrip ‘beschaving’ uit te denken, in een wijdere betekenis dan van gymnasiasten die met mes en vork kunnen eten. Wellicht clichématig, maar spoedig daagde het wiel als prototype en toen, tunica propior pallio est om met Van Dale te spreken, de fiets. Het had me jaren geleden al in Wenen gefrappeerd en ditmaal, pedalerend door bijv. Groningen en Bremen, wist ik wederom dat het kon: veilig door een grote stad je route vinden, nu met een aangekoppeld karretje waarin het taalkundig genie en haar op straffe van snoep en oranje ballonnen te bestijgen piespot.
Wie in Antwerpen de fiets neemt is zacht gezegd een waaghals. Inwoners snappen niet dat er een ander privé-vervoermiddel dan de auto kan bestaan. Na een fietser daarmee van de weg te hebben gereden snauwen ze hem toe in een herkavelingspapoeaans. Natuurlijk worden zij geholpen door de infrastructuur die niet bepaald op de tweewieler is ingericht. Voor zover er paden zijn eindigen zij even abrupt en willekeurig als ze beginnen. Over bordjes met pijlen en cijfers tot achter de komma voor specifieke wijken, zoals in Bremen, zwijg ik maar (en dus niet uit beschaving).
Voorspelbaar is dat vervoerstechnisch de stad, en bij media-uitbreiding Vlaanderen, beroering wekt vanwege de Lange Wapper. Onbesproken bij dat toekomstige tracé blijven echter de vooronderstellingen. Bijvoorbeeld dat het milieu vervuild mag worden door auto’s die worden bezet door één persoon terwijl er plaats is voor vier. Of dat, voor het stroomlijnen van de tweeverdienerseconomie, huishoudens onbelast meer dan één auto kunnen voeren. Ik zou denken dat op hen extra kosten voor schappelijker varianten zijn te verhalen. Er is niet zozeer een mobiliteits- als wel een mentaliteitsprobleem.
Ditmaal ligt het naar mijn stellige overtuiging niet eens aan de postideologische branding van de stad dat een veel groter schandaal bedekt blijft. Het tracé dient namelijk in het centrum de oude leien te ontlasten die al meer dan vijf jaar worden heraangelegd. Bij die renovatie is op unieke wijze rekening gehouden met fietsers: niet. Zij kunnen nimmer rechtdoor, zoals vroeger, maar moeten auto- en tramparcoursen overzwenken. Aan het begin van dit project verongelukte prompt een fietser en het is mij niet bekend wat de stand nu is; hoe dan ook zijn de nieuwe leien behalve origineel vooral inefficiënt in hun bestrijding van de overbevolking.
Verbazend dunkt me dat uitgerekend jonge intellectuele stadsbewoners, de een nog snediger en polyglotter over de wereldpolitiek dan de ander, dit niet lijkt te deren. Een enkeling heb ik zelfs het leienfietsontwerp horen prijzen. Die visie is louter te verklaren uit een onbekendheid met de fiets als ervaringsleverancier. Kosmopolitische Antwerpenaren zullen er ongetwijfeld gekruide verhalen over weten, maar in het dagelijks onderhoud moet dat ding voor hen zoiets opwerpen als het bereiden van een warme maaltijd – overlaten aan de middenstand of aan de papa en de mama. Vanuit die optiek wordt de onnutheid van het vervoermiddel onderstreept door een lekke band.
Ik kreeg er eentje toen ik een dag in Antwerpen woonde en op zijn Hollands dacht de stad via de leien te kunnen verkennen. Parijs-Roubaix kende ik slechts van televisie.
Aan de oude leien, die een fijn gemurmel van autobanden veroorzaakten, bewaar ik sowieso dierbare herinneringen. Woonachtig ter hoogte van het kruispunt voor de Nationale Bank was er elke middag vanaf vijf uur een fenomenaal gekrioel te aanschouwen doordat het volledige gemotoriseerd verkeer (diverse trams en ontelbare auto’s) gestaag vastliep. Maar na enig arrangeren wist elk miertje uit de hoop zijns weegs te gaan.
En is het in mijn huidige provincieplaats beter? Vervaarlijk klinkt het motto ‘stad in volle vaart’. Er wordt naar gestreefd het centrum zo bereikbaar mogelijk te houden. Dit schijnt te moeten betekenen dat auto’s er diep in kunnen penetreren, terwijl de straten niet bijster breed zijn. Gisteren trachtten twee tegenliggers naast elkaar, luid knorrende beesten achter hen, de bestuurdersraampjes open, met gesjor aan andermans stuur doorgang te verkrijgen.

donderdag 23 juli 2009

maandag 20 juli 2009

Herman (3)

Het optreden van Herman Brood & his Wild Romance bij VARA’s lijn 3 uit 1977 is vooral interessant in genetisch opzicht. Er zijn vroege versies te horen van liedjes, die niet alleen sneller maar vooral uitgepuurder worden gespeeld op Shpritsz. Een standaardalbum, al heeft Joost Zwagerman ooit bekend het debuut Street beter te vinden, wat mij kennerssnobisme lijkt. Hoe dan ook had een onstuitbaar succes de band in zijn greep gekregen. Over de opvolger Cha cha, een live-elpee, onthult VARA’s lijn 3 met terugwerkende kracht dat er geen enkel nieuw liedje op heeft gestaan – met recht zegt Brood in Boston dat hij in de luttele tijd aan gene zijde van de oceaan meer songs had geschreven dan het hele jaar tevoren.
Mij dunkt dat het optreden in Boston 1979 aldus een onoplosbaar dilemma verraadt. Enerzijds moest er van nul af aan een nieuwe verovering gedaan (en liet de ritmesectie uitschijnen dat dit kon), anderzijds waren met name Brood en Lademacher toe aan het verzilveren van publieke investeringen. De Wild Romance diste fracties op. Het lijkt alsof Brood dat projecteert op John Travolta, om wie, vermoedelijk vanwege het traject Saturday Night Fever-Grease, volgens hem door het Amerikaanse publiek wordt gelachen, ‘but the man is okay’.
Niet echt conform mijn inborst zou ik verlangen naar een compromis tussen Boston 1979 en VARA’s lijn 3 uit 1977. En dat compromis bestaat, getuige de opname uit juni 1978, live in de Prinsentuin te Leeuwarden. Bij dat notoire concert, waar na een paar nummers de gitaar uitvalt en kinderen vooraan in het tienduizendkoppige publiek volgens Brood – half bevreesd, half geamuseerd – tegen het podium platgedrukt dreigen te worden, haalt de Wild Romance zijn top: 21 nummers, inclusief onderbreking en de relevante cover ‘Pourin’ it all out’ van Graham Parker. Broods bereik als zanger wordt optimaal benut in een ritmestem: bekwame raps binnen een halve toonladder. Dat had iets wervends. Misschien schuilde een deel van die magie in de onverstaanbaarheid van de teksten; behalve een wrak geheugen manifesteerde Brood een slordige articulatie. Er ontstonden versies, bij maker én luisteraar.
In de Prinsentuin slaakt Brood kreetjes die ik pas veel later kon thuisbrengen, toen mijn dochtertje kraaide van plezier. Hij heeft achteraf verklaard dat precies bij de Leeuwardense affaire hij er met zijn gedachten niet bij was; die afwezige intentie ten faveure van een autonoom opererend lichaam zal verklaren waarom het optreden zo geslaagd is.
Maar da’s mijn interpretatie op grond van particuliere expertise. Er zijn langs die weg nogal wat pogingen gedaan om het fenomeen Brood te duiden en vast te leggen. Met afstand de ingrijpendste is die van Bart Chabot in Brood en spelen. Deze aflevering uit de meerdelige biografie geeft tot in detail een verslag van een theatertournee met Brood, met al diens charme en egocentrisme. Het psychogram was eigenlijk al gegeven in 1966, door Pé Hawinkels: ‘Wat wereldvreemd. Verder bijzonder sociabel door de uitzonderlijk rauwe humor en skrupellosigkeit die hij erop nahield.’ Dat was in een brief, terwijl Chabot een dik, wonderbaarlijk boek schreef waarin hij zich een groot schrijver (en een solidaire vriend) betoont, die in de traditie van New Journalism hier de ster in zijn zogezegd allerlaatste nadagen laat zien.
Brood en spelen frappeert des te meer omdat men zich bij zulke documentaires in woord of beeld veelal beperkt tot zijn muzikale toptijd en dus drie jaar uitkiest uit een carrière van zo’n vijfendertig jaar. Die bekorting moet zijn gedreven door bekoring, met de personificatie van een gesamtkunstwerk dat toen op de maatschappij werd losgelaten. Daar leek het maar met één liefje een wild romance te hebben: het leven, 24 uur p.d.. Waar het mezelf aangaat, zal de leeftijd waarop ik dat aanschouwde een rol gespeeld hebben. Bij een beginnend puber, in wie de hormonen gieren, is de constitutie allicht wat vatbaarder voor prikkels dan in andere fasen.
De euforie wordt gedeeld en bij de neergang is men met evenveel recht verslagen. En iedere gegrepene denkt dat ‘One (of a kind)’, volgens de snob in mij het fijnste nummer van Shpritsz, op hem en hem alleen slaat.
Als ik ooit de moed krijg om kranten, tijdschriften en televisieprogramma’s van 1977 tot en 1979 uit te pluizen, dan lijkt het zeker mogelijk een boek te maken over Herman Brood & his Wild Romance waarin de ampersand is opgelost omdat het, van komkommers gesproken, een autobiografie zou zijn.

Naschriftje

Van het Prinsentuinconcert bestaan foto's. Bij VARA lijn 3 is Cavalli nog niet de bassist, maar Gerrit Veen. Deze speelt ook op de vroegste algemeen toegankelijke opnames van Herman Brood & his Wild Romance: een demo uit 1975 en een optreden in het Groningse café De Koffer uit 1976.